Een Romein in Marokko: Juba II

Juba II (Musée de l’histoire et des civilisations, Rabat)

Hij was, met een woord van de Grieks-Romeinse auteur Ploutarchos, wel de allergelukkigste krijgsgevangene: Juba II. Hij was de zoon van Juba I, de koning van Numidië (zeg maar Algerije) die in het conflict tussen de Romeinse Republiek en de opstandige generaal Julius Caesar op het verkeerde paard had gewed en, in 46 v.Chr. verslagen bij Thapsus, op een wonderlijke manier zelfmoord had gepleegd. Caesar had geen reden om Juba’s tweejarige zoon te doden, voerde hem mee in zijn triomftocht en nam hem vervolgens op in zijn huishouding. Zijn achternichtje Octavia Minor voedde de kleuter op.

Octavia’s tiental

Octavia’s broer Gaius was een van de potentaten die na de dood van Caesar vochten om de heerschappij. Om een bondgenootschap te sluiten, huwde hij zijn zus uit aan zijn rivaal Marcus Antonius, die haar in 33 verstootte om te kunnen trouwen met Kleopatra VII Filopator van Egypte. Terwijl haar broer en haar voormalige echtgenoot een burgeroorlog uitvochten, en ook daarna, bleef Octavia in Italië wat op de achtergrond, maar (of: want) ze was verantwoordelijk voor een complete klas aan hoogadellijke kinderen.

Octavia, de pleegmoeder van Juba II (Archeologisch Museum, Korinthe)

Om te beginnen drie kinderen uit Octavia’s eerste huwelijk: Claudia Marcella Maior, Claudia Marcella Minor en Marcus Claudius Marcellus. Verder de kinderen die ze had van Marcus Antonius: Antonia Maior en Antonia Minor, en een stiefzoon Jullus Antonius. Na de ondergang van Marcus Antonius en Kleopatra ook hun kinderen: Alexandros Helios en Kleopatra Selene. De Britse prins Tincomarus en Juba II brengen het totaal op tien.

De dichter Sextus Propertius typeerde Octavia als “de beste van alle moeders” en dat is natuurlijk Romeinse standaardstroopsmeerderij, maar je begrijpt het wel. En met tien kinderen was deze antieke regenboogstam nog niet eens compleet, want aan de overkant van de straat groeide Octavia’s nichtje Julia op, met haar stiefbroers Drusus en Tiberius. In welk van de twee villa’s de acht kinderen van koning Herodes de Grote werden opgevoed, is onduidelijk, maar Octavia’s huishouden was feitelijk een internaat, en de docenten waren de beste van die tijd, zoals de stoïcijnse filosoof Athenodoros van Tarsos en de universeel geleerde Alexandros Polyhistor.

Kleopatra Selene (Musée Public National, Cherchell)

Koning Juba

Andrew Kenrick (“PhD in Life Writing”, wat dat ook moge wezen) vraagt zich in zijn onderhoudende Rex Juba af hoe we de identiteit van de gebiografeerde moeten typeren: als Afrikaan? (geen antiek concept) als Berber? (definieer eerst het verschil tussen Numidiër en Berber) als Romeins burger? als Griek, omdat Juba in die taal schreef? De oninteressante vraag zegt, vanzelfsprekend, minder over Juba dan over de hedendaagse middenklasse-obsessie met identiteit. Het boek begint daardoor zwak, maar wordt al snel beter, ja zelfs heel goed.

Samengevat: toen Octavia’s broer eenmaal alleenheerser was geworden – hij zou zich later Augustus gaan noemen – maakte hij Juba tot koning van het westelijk deel van Numidië (het woongebied van de Masaeisyliërs) en van Mauretanië (wat wij Marokko noemen). Juba gedroeg zich daar verder precies zoals van hem werd verwacht: hij verleende militaire steun aan Augustus’ Cantabrische Oorlog, sloot een dynastiek huwelijk (met Kleopatra Selene) dat Augustus hielp de familie van Marcus Antonius te integreren in zijn eigen bestel, hij zorgde voor de nodige bouwwerkzaamheden in Iol Caesarea (Cherchell) en hij diende weleens als hoveling, bijvoorbeeld als lid van de begeleidingscommissie van prins Gaius Caesar. Kortom: een loyale paladijn. Alleen zijn tweede huwelijk lijkt niet naar de zin van Augustus te zijn geweest en werd dan ook alweer snel ontbonden.

Juba was ook de auteur van diverse boeken; zijn Romeinse Oudheden moet een jeugdwerk zijn geweest. Een boek over Latijnse woorden die op Griekse woorden leken, past in het Romeinse culturele klimaat als een hand in een handschoen. Hij publiceerde over schilderkunst en over de geschiedenis van het theater, en publiceerde overzichtswerken over zijn eigen koninkrijk, over Arabië en over “Assyrië” (waarmee vermoedelijk Mesopotamië was bedoeld). Ze zijn allemaal verloren gegaan, maar er zijn tientallen citaten over.

Grafschrift van Auniga, een door Juba vrijgelaten slavin (Musée Public National, Cherchell)

Culturele ontmoetingen

Een deel van zijn informatie was gebaseerd op ontdekkingsreizen die hij had laten organiseren: naar de bovenloop van de Ziz, die hij (à la Herodotos van Halikarnassos) identificeerde als de Nijl, en langs de West-Afrikaanse kust, waarbij hij de Canarische Eilanden ontdekte. Die vernoemde hij naar de dieren die hij er tegenkwam: canis ofwel hond. Juba zou een commentaar op het korte reisverslag van Hanno de Zeevaarder hebben geschreven, en je zou willen weten wat hij meldde over de Nok– en de Sao-culturen waarmee zijn onderdanen handel moeten hebben gedreven.

Het graf van Juba II en Kleopatra Selene (“Mausolée royal de Maurétanie”)

Dat is wat ik aan Rex Juba wat ongemakkelijk vond: hoe sympathiek ik Kenricks boek ook vond, hij gaat nauwelijks in op Juba’s Maghrebijnse context. Akkoord, Juba was geparachuteerd in een gebied waar hij feitelijk een vreemde was: een Romein die plotseling koning was in Marokko. Maar de archeologie had Kenrick kunnen tonen hoe Juba’s nieuwe onderdanen daarop reageerden. Gaven ze, zoals de Joden, een voorkeur aan lokaal geproduceerd aardewerk of omhelsden ze de contacten met Rome? Hoe liep de handel door de Sahara? Was ook hier Saturnus Africanus een Romeinse aanpassing aan een Maghrebijnse god? Kenrick noemt enkele opstanden, zoals die van Tacfarinas, maar contextualiseert die niet.

Dat is opmerkelijk, want hij is juist heel goed in het verlenen van context aan de kleine beetjes informatie waarover we beschikken. Veel bronnen hebben we niet over koning Juba en koningin Selene, maar Kenrick beent ze volledig uit en voegt van alles toe. Ik ging met opzet zo uitgebreid in op Octavia’s vorstenschool omdat Kenrick die prachtig evoceert, terwijl de bronnen alleen (terloops) melden dat Juba is opgevoed door de zus van keizer Augustus. Kenrick weet het milieu geloofwaardig te schetsen, zodat je begrijpt waarom Juba trouwde met Selene en begrijpt waar zijn geleerde belangstelling vandaan kwam.

Ptolemaios, zoon en opvolger van Juba II en Kleopatra Selene (Metropolitan Museum, New York)

Dat Kenrick af en toe wel heel ver afdwaalt, zij hem vergeven. Dit is een leuk boek over een interessante vorst, afkomstig uit het Huis van Massinissa. U zult Rex Juba met plezier en met vrucht lezen als u een bezoek brengt aan Volubilis in Marokko of aan de Romeinse steden van Algerije, en ook als u dat niet doet.

Deel dit:

6 gedachtes over “Een Romein in Marokko: Juba II

    1. Natuurlijk: als er echt één etiket op moet, dan is het “Romein”. Het is echter een oliedomme vraag, waarbij allerlei redenatiefouten tegelijk voortkomen. Een daarvan is het presenteren als alternatief wat feitelijk niet alternatief is: je burgerrecht (Romeins), je taal (Grieks) en de identificatie van je familie (Numidisch). Dat is een logische fout. Voeg daar dan categorieën aan toe die men destijds niet herkende (Afrikaans, Berber) en je hebt te maken met verwarring tussen emisch en etisch denken.

      https://mainzerbeobachter.com/2022/03/21/emisch-en-etisch/

      Zo ontstaan constructen als “Gallo-Romeins” die feitelijk niet meer zijn dan regionale varianten op een interregionale cultuur maar wel een extra lading krijgen. Wie het heeft over “Gallo-Romeins” projecteert Frankrijk als iets dat al 2000 jaar bestaat.

      Logische fouten, verwarring van emisch en etisch, politiek: als wetenschap ontspoort, komt het meestal doordat de machinist niet op het spoor let, maar bezig is met z’n eigen denken. En zoiets zal het ook wel zijn. “Wie ben ik?” is de neurose van de middenklasse.

  1. Ik heb in Griekenland een week gewoond in het huis van een familie van drie broers, die elk een dochter hadden die, naar Grieks gebruik, was genoemd naar hun moeder: er waren dus drie jonge en één oude Athanasia.

    Als er twee Athanasia’s in de kamer waren, heette de oudere Athanasia en de jongere Athanasoula. Waren er drie, dan waren ze Athanasia, Athanasoula en Soula. Dus dat ging uitstekend. Als de moeder zich tot haar dochter richtte, heette die automatisch Athanasoula.

    Ik vermoed dat er dus wel onderscheid tussen Claudia en Claudina zal zijn gemaakt of zoiets.

Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.