Wetenschapsjournalistiek en humaniora

Neerlandicus Marc van Oostendorp is een van de leukste mensen om online te volgen, bijvoorbeeld omdat hij vrijwel elke ochtend een stukje heeft op Neerlandistiek, de groepsblog van onze neerlandici. Als u van het blogstukje dat ik nu aan het schrijven ben alleen maar onthoudt dat u die blog moet gaan volgen, is het al goed.

Vanmorgen was Van Oostendorp op dreef. In dit filmpje vertelt hij hoe “het tijdschrift Kijk, het populairwetenschappelijk tijdschrift Kijk, het tijdschrift dat mij ooit aan de wetenschap heeft gebracht” had overwogen een stukje over een flauw onderzoekje te publiceren, dat de journalist in kwestie van een emeritus hoogleraar had gehoord dat het onderzoek geen echt nieuws bracht en dat Kijk er desondanks aandacht aan had besteed. Het voorval is me uit het hart gegrepen en dan bedoel ik niet dat ook ik mooie herinneringen heb aan het prachtblad Kijk. Journalisten vragen ook mij regelmatig om commentaar en ik help ze graag, maar het lukt me zelden om een trivialiteit uit de krant te houden.

Dat kan ook niet. Zeker de productie van een krant heeft een eigen dynamiek. De redactie heeft al iemand op dat verhaal gezet. Daarna moet dat stuk er ook komen, want anders is er een probleem voor de vormgever, die al plaats heeft ingeruimd. Als Kijk dus de mening vraagt van een emeritus hoogleraar, is het al te laat om ermee te stoppen. Zijn oordeel keert dan in het stukje terug als een van de stemmen van de geïnterviewden.

De moeilijkheden ontstaan dus niet bij de journalist, maar een fase eerder, op de redactievergadering. Het probleem is ook niet specifiek voor Kijk. De meeste redacties weten niet goed raad met de humaniora. Dat komt deels doordat journalisten daar vaak niet voor zijn opgeleid en deels doordat – u hoort mijn stokpaardje weer aankomen – de humaniora weinig doen om zich normaal over het voetlicht te krijgen. Ze bieden u meer trivialiteiten dan inzichten.

***

Voor het goede begrip: als u plezier beleeft aan leuke feitjes (“wist je dat de Grieken de stoommachine al kenden?”), prima. Maar de samenleving betaalt dáárvoor geen onderzoek en het is ook niet waarom er miljoenen rondgaan in de erfgoedsector. De samenleving wil iets meer.

Om me te beperken tot mijn eigen vak, dat ik beter ken dan de neerlandistiek, en tot twee voorbeelden die ik paraat heb: je kijkt naar een keizer Constantijn om te ontdekken dat je eigen idee dat een mens maximaal één godsdienstige overtuiging kan hebben, is ontstaan in een vrij specifieke historische situatie. Het inzicht dat het ook anders kan, kan bevrijdend zijn. Ander voorbeeld: je zou de Romeinse limes kunnen gebruiken om te tonen hoe negentiende-eeuws ons idee van een territoriaal afgebakende staat is. Dit zijn slechts voorbeelden; het gaat me erom dat de humaniora en ons erfgoed u helpen uw eigen denkbeelden beter te begrijpen. Het gaat niet om leuke feitjes. De humaniora zijn een serieuze activiteit.

Helaas vormen leuke feitjes wel het grootste deel van het aanbod. Een journalist die geïnteresseerd raakt in de oude wereld en, verder kijkend, steeds op dezelfde trivialiteiten stuit, concludeert dat de Oudheid alleen leuke feitjes te bieden heeft en zal er voortaan ook zo over schrijven.

Mij doet dat pijn. Vermoedelijk is het te laat om het tij nog te keren, maar ik ben blij dat dinsdag Oog op de Oudheid van start gaat in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden. Daar staan de twee vragen centraal waar het eigenlijk om gaat: hoe begrijpen we via de Oudheid onszelf beter en hoe weten we wat we weten? Nog is niet alle muziek uit de humaniora verdwenen. Ligt uw belangstelling minder bij de Oudheid dan bij onze eigen cultuur en taal, dan herhaal ik het advies uit de eerste alinea: volg Neerlandistiek.

3 gedachtes over “Wetenschapsjournalistiek en humaniora

  1. jacob krekel

    Misschien is er wel geen tij om te keren, maar is het gewoon de manier waarop de journalistiek werkt. Het is bekend dat iedereen die echt verstand heeft van een onderwerp daar nooit krantenartikelen over leest, want journalisten hebben van dat onderwerp geen specialistische kennis en meestal geen tijd om zich er echt in te verdiepen, of om eens een concept door iemand anders te laten lezen. En als er cijfers en berekeningen aan te pas komen, dan wordt vaak duidelijk dat weinig journalisten een B-opleiding hebben genoten en dat de ongecijferdheid hoogtij viert.

    Het is jammer dat de MB telkens dezelfde twee voorbeelden van een nuttig inzicht uit de oudheid noemt. Een staat die groter is dan zijn territorium komen we ook in de 20e eeuw tegen. De bananenrepublieken in midden Amerika en de satellietstaten in Oost Europa waren op papier souvereine staten maar in feite onderdeel van het Amerikaanse c.q. Sowjet imperium.

    Ik vind het concept eigendom wel een interessant voorbeeld. In de bijbel komt het niet voor. De aarde is van God en het zou aanmatigend zijn als een mens iets zijn eigendom zou noemen. (wat voor veel Amerikaanse fundamentalisten een onthutsende realisatie zou zijn). We danken het begrip aan de Romeinen, evenals het onderscheid eigendom – bezit. Maar hoe zat het met andere klassieke volkeren. Kenden de Grieken eigendom? Of alleen maar bezit.

    Kortom: te hoge verwachtingen zijn een patentmiddel voor teleurstelling. Vroeger was het waarschijnlijk niets beter.

  2. Knotwilg

    Ik denk dat er wel wat meer aan de hand is dan een gebrek aan specialisatie. Onlangs had de VRT een nieuwsitem veil over rugby. Kinderen liepen stage in Antwerpen, onder de kundige leiding van twee Nieuw-Zeelanders. “Uit het geboorteland van rugby” zei Lieven Verstraete, het nieuwsanker. De reporter ter plaatste aapte hem dat nog eens na, of voor. Nu is Nieuw-Zeeland wel een leidende natie in het rugby maar je moet toch niet zoveel over sport weten om te beseffen dat de kans erg klein is dat een Britse sport met dergelijke traditie geboren zou zijn in de verste uithoek van de Commonwealth.

    Ergens vermoed ik dat men dat bij de VRT ook wel weet, maar iemand in de redactie heeft “leidende natie” verwoord als “geboorteland” en een kniesoor die daarover valt.

    In mijn jeugd kregen we op school een stukje te lezen van Cees Fens, over de “ongeveer-cultuur”. Toen vond ik hem een ouwe zeur maar ik moet hem met vertraging gelijk geven: als het erop lijkt, is het vaak al goed genoeg voor een redactie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s