Verkiezingen in Algerije

Oproep om te gaan stemmen in het tifinagh-schrift van de Berbers.

Akkoord, ik wist dat ik, door op reis te gaan naar Algerije, zou belanden in een land waar de aanloop naar de nieuwe verkiezingen onrustig was verlopen. Samengevat: president Abdelaziz Bouteflika is dit voorjaar afgetreden, de verkiezing van zijn opvolger is tweemaal uitgesteld en er zijn nu vijf kandidaten die, in de ogen van een aanzienlijk deel van de bevolking, teveel onderdeel uitmaken van het systeem om geloofwaardig te zijn. Er zijn echter wel veranderingen gaande. In een recente rechtszaak zijn twee oud-premiers wegens corruptie veroordeeld (“Le système Bouteflika en accusation” kopte een krant). Het lijkt de bevolking echter niet te overtuigen (een analyse hier).

Eigenlijk hebben we elke dag wel ergens demonstraties gezien tegen de verkiezingen en vóór structurelere hervormingen, maar het was mijn opzet daar niet over te schrijven. Gewoon aan voorbij lopen, geen fotografie, netjes doen wat de politie je opdraagt en geen partij worden. Ik ben hier niet om politieke redenen. Maar (a) het thuisfront begint zich zorgen te maken en hen wil ik toch even geruststellen en (b) als hier een revolutie aan het uitbreken is, dan is het een wel heel vriendelijke. Dus toch maar even een blogje.

Veiligheidsmaatregelen

Eerst maar even dit: de veiligheidsmaatregelen zijn extreem zichtbaar. Er moeten momenteel duizenden ordetroepen dienst doen. Een auto die een hotelterrein oprijdt, wordt gecontroleerd – denk aan spiegels om onder de wagen te kijken – en de toerist die het gebouw binnenloopt moet door een bomcheck. Meestal staan die detectoren er ongebruikt, dit keer ben je echt de pineut. In een van onze hotels was fotografie verboden.

De bevolking waarschuwt je ook: loop niet te opzichtig met je camera, wees voorzichtig als je met vreemdelingen praat. (De ironie dat ik dit advies van een totaal onbekende kreeg, was wel aan me besteed.) Hier en daar zijn de wegen langs militaire gebouwen afgesloten zodat je een blok moet omrijden. Een paar keer vroeg de politie ons om legitimatie en fotografeerde onze paspoorten. We zijn weleens door twee stillen geschaduwd. En ik heb een sterk vermoeden dat het soms wat haperende internet met opzet wat wordt vertraagd.

Paranoia

Soms krijgt het redelijk paranoïde trekken. Zo spraken we iemand die er zeker van was dat de Fransen de situatie aan het destabliseren waren, aangezien de voormalige kolonisator verder wilde gaan met het uitzuigen van het land. Een agent sommeerde mijn reisgenote geen foto’s te maken van de avondhemel boven de baai van Algers, waar naast een schitterende volle maan ook ergens ver weg een politiehelikopter zichtbaar was.

Tweemaal nam de politie de moeite onze taxi te begeleiden naar een hotel in een andere stad. Onze chauffeur stelde ons gerust: geen plek in Algerije was nu veiliger dan zijn auto, met een politie-escorte. Wij hadden vooral de indruk dat men geen pottenkijkers wilde.

En dan nu de contrapunt die de aanleiding is tot dit stukje: ook al zijn de veiligheidstroepen massaal op de been, het zijn bepaald geen vopo’s. Vrijwel steeds is de bewapening niet meer dan een wapenstok. Waterkanonnen heb ik niet gezien. Wat we wel hebben gezien zijn agenten die hun telefoon in hun helm hadden verstopt en zaten te gamen.

Vriendelijk protest

Aan de zijde van de demonstraten oogt het ook allemaal allervriendelijkst. Algerijnen zijn ook vriendelijke mensen – we kunnen van elke reisdag voorbeelden geven van een opvallende voorkomendheid – en in die zin was dat misschien wel te verwachten. Ik heb echter toch wat verbaasd staan kijken toen we in Sétif de demonstranten zagen aankomen per tram, bewapend met niets meer dan een trommel en wat fluitjes, om te zingen bij wat vermoedelijk een overheidsbank was. Er waren behoorlijk wat mensen op de been maar ze waakten er zorgvuldig voor de trambaan vrij te houden. Nederlandse boeren protesteren agressiever.

Spandoeken? Ik heb er een paar gezien in Algiers. Len narka’, viel op een ervan te lezen, “we zullen niet knielen”. In het Arabisch klinken de dingen al snel bloemrijk. Maar veel spandoeken waren er niet in Algiers, terwijl ik ze in Annaba, Constantine en Sétif nergens heb gezien. Wel tonen de demonstranten hun regering rode kaarten. En verder: zingen, roepen, een trommel en wat fluitjes. En Algerijnse vlaggen, veel Algerijnse vlaggen.

Van wat ik heb gezien – en ik ben hier dus niet om demonstraties systematisch te observeren – waren het vooral mannen, hoewel ik in Algiers ook veel vrouwen zag. Soms conservatief gekleed, soms wat meer westers. De mensen variëren van jong tot oud en zeer oud, soms nemen ze hun kinderen mee. En iedereen is filmpjes aan het maken. Televisieploegen zag ik nergens; ik vermoed dat de demonstranten daarom zo massaal zichzelf filmden en fotografeerden. Ik heb nog nooit zoveel mensen zoveel selfies zien maken.

De schaar die hier de verkiezingen van 12 december doorknipt, heeft de vorm van het Arabische woord la, “nee”.

Massaal

Het is duidelijk dat de mensen niet bang zijn voor herkenning door een repressief staatsapparaat en het feit dat ze beelden delen, suggereert dat ze weten dat het protest op instemming kan rekenen. Er lijkt brede sympathie te bestaan voor het protest en ik ben erg benieuwd naar de opkomst bij de verkiezingen.

In Algiers wandelden wij van het Nationaal Museum van Oudheden naar het Paleis van de Rais, dat wil zeggen van het zuiden naar het noorden door de stad, en op de brede El Khatabi-straat zagen we over een afstand van zeker een halve kilometer eindeloos veel mensen. Als we uitgaan van één per vierkante meter – en de mensen stonden druk op elkaar – dan waren er vijftigduizend mensen op de been, gadegeslagen door sympathisanten op de trottoirs.

De lachende politieman

De politie staat erbij en kijkt ernaar. In Annaba zag ik opvallend veel politie, in Constantine en Sétif was die niet zichtbaar, in Algiers was ze massaal aanwezig, maar totaal niet bedreigend. Ik zag in die stad ook een agent die lachend speelde met een kind dat door een demonstrante was meegenomen.

Voor een toerist is het onmogelijk de demonstraties niet te zien maar we bleven er altijd een beetje buiten. In Algiers belandden we, enigszins contre coeur, tussen de mensen. We wilden er, op weg naar het postkantoor, toch eigenlijk wel langs. We stonden wat te schutteren toen twee agenten ons aanspraken. “Nu zullen we het hebben,” dacht ik, “we krijgen het verzoek weg te gaan.” Maar niets bleek minder waar: ze legden ons behulpzaam uit waar het postkantoor was. Dat het geen manier was om pottenkijkers weg te werken, bleek uit het vervolg: we werden regelrecht naar de kop van de demonstratie gestuurd, waar we tussen de eerste demonstranten en een kordon van agenten door moesten. En iedereen lachte.

Tot slot

Tegen de tijd dat u dit leest, zijn mijn reisgenote en ik Algiers uit gegaan om Romeinse ruïnes te bekijken. Het kan heel goed zijn dat de Algerijnse hoofdstad vandaag verandert in een inferno. Het kan ook heel goed zijn dat wij steeds daar waren waar niets gebeurde, terwijl de Algerijnse mobiele eenheid twee blokken verderop traangas op de demonstranten afschoot. Maar dit is wat ik gezien heb en als mijn moeder dit leest: ze hoeft zich geen zorgen te maken.

Ik kan het vergelijken met Beiroet, waar ik drie maanden geleden geblokkeerde wegen zag, geflankeerd door brandende autobanden. In die stad zijn sindsdien doden gevallen bij een protest dat zich ook richtte tegen een door-en-door corrupt politiek systeem. Het kan zijn dat zulk protest over een week ook Algerije treft en dat het dan gedaan is met de goedaardigheid, maar tot op heden zijn de demonstraties hier even serieus als vriendelijk.