Fictieve scriptie

Mijn nachtkastje

Vorige week schreef ik op Neerlandistiek het stuk dat ik zondag ook op mijn eigen blog publiceerde en dat me onverwacht een verbijsterende 5900 hits opleverde: een beschouwing over het Nederlands, het vak dat ik in 1985 had kunnen studeren als ik geen historicus was geworden. Ik fantaseerde dat als Nederlands mijn tweede studie zou zijn, ik een scriptie kon schrijven over de vraag waarom zoveel meer literaire prijzen worden uitgereikt aan fictie dan aan nonfictie.

Mijn boekhandelaar, Daan Stoffelsen van Athenaeum in Amsterdam, reageerde daarop op de website van De Revisor. Zijns inziens valt het mee en verder:

Er zijn academische argumenten om een bepaalde biografie hoog te achten, journalistieke om de actualiteit of toepasbaarheid van een populair-wetenschappelijk boek te prijzen, maar literaire eisen zijn ook op non-fictie toepasbaar.

Daan en ik hebben allebei geen zin om alles na te tellen, maar om me niet helemáál in impressionisme te verliezen, noem ik de twee onderscheidingen waar elk jaar de meeste aandacht naar uitgaat: de Nobelprijs voor de letteren en de PC Hooft-prijs.

De Nobelprijs is toegekend aan ruim honderd auteurs, waarvan je er zes kunt typeren als nonfictie: Mommsen (1902), Eucken (1908), Bergson (1927), Russell (1950), Winston Churchill (1953) en Svetlana Alexijevitsj (2015). Eén historicus, drie filosofen, een onderzoeksjournaliste en een als historicus vermomde politicus – want laat er geen misverstand over bestaan dat Churchills A History of the English-Speaking Peoples niet het werk was van een historicus maar van een ideoloog. Een ideoloog met opvallend weinig verstand van geschiedvorsing bovendien, want hij liet sociale geschiedenis vrijwel geheel onbehandeld. Een eeuw wetenschap genegeerd. En dat bekroond.

Het beeld bij de zevenenzestig keer toegekende PC Hooft-prijs is complexer. Omdat deze afwisselend wordt toegekend aan proza, essays en poëzie, en aangezien het leerdicht als genre niet langer wordt beoefend, vallen tweeëntwintig jaren af en houden we er vijfenveertig over. De prozaprijs lijkt nooit te zijn toegekend aan nonfictie; de essayprijs is, zoals de naam aangeeft, vooral toegekend aan mensen van de korte baan als Henk Hofland en Bas Heijne. Terechte prijzen, maar de toekenning van de onderscheiding aan een echte nonfictie-auteur is redelijk zeldzaam geweest: Dijksterhuis, Rogier, Geijl, Van der Meer en Verhoeven lijken me de sterkste kandidaten.

Nogmaals: je kunt over veel van mening verschillen; de Everest Fallacy is van toepassing; eigenlijk zouden Daan en ik eens echt moeten gaan tellen en dan ook kijken naar, pakweg, de Wolkersprijs en de Theo Thijssenprijs. Het resultaat zouden we dan bovendien moeten afzetten tegen hoeveel fictie- en nonfictie-titels er verschijnen. (Als maar 6% van de boeken nonfictie is, is de verdeling bij de Nobelprijs minder raar, maar bij bijv. de Bookspot-prijs zijn het 201 van de 418 titels, dus een kleine 50%.) Desondanks en met al deze slagen om de arm: het zijn observaties als de bovenstaande die me hebben gebracht tot het onderwerp van mijn fictieve scriptie.

Welke auteurs zijn de dupe? Ik zou een Nobelprijs hebben verwacht voor Engelstalige boeken als Gordon Childes The Dawn of European Civilization, John Allen Paulos’ Innumeracy, Douglas Hofstadters Gödel, Escher, Bach en Stephen Hawkings Brief History of Time. Boeken die tienduizenden lezers plezier hebben gedaan, boeken die hebben bijgedragen aan de wijze waarop de mensheid is gaan kijken naar beschaving, wiskunde, artificiële intelligentie en kosmologie. Boeken ook waarover het gemor en gemopper, zo kenmerkend voor het letterenwereldje, had kunnen losbarsten, want dat boekje van Hawking is kwalitatief minder dan wat een Govert Schilling publiceert.

Misschien is de verklaring voor de miskenning van nonfictie – vooropgesteld dat ik gelijk heb – dat ze lastig te beoordelen is. Om niet verder te kijken dan mijn nachtkastje: daar liggen momenteel een boek over buitenaards leven, Freakonomics, iets over Griekse poëzie en een titel van Frans de Waal. Dat wordt appels en peren vergelijken. Bovendien moet een jury beoordelen of de geboden informatie juist is en dat veronderstelt nogal wat expertise. (Ik ken besprekingen van geschiedenisboeken die bestaan uit stilistische beoordelingen zonder oordeel over de inhoud.)

Als mijn constatering klopt dat de balans zoek is en indien ook mijn verklaring klopt, dan is de nonfictie dus het slachtoffer van een bepaald onvermogen nog in zijn algemeenheid over informatie te oordelen. Anders gezegd, het is een schaduwzijde van groeiend specialisme. Dat zie je terug in het prijzencircuit: er is al een speciale prijs voor geschiedenisboeken.

Ik hoop oprecht dat ik me vergis. Wat ik namelijk in feite schrijf, is dat er in literaire kringen, waaruit die ook moge bestaan, een zeker dedain bestaat voor non-fictie en dat bevalt me allerminst. Maar goed, eerst moet er maar eens een student een scriptie over schrijven.

25 gedachtes over “Fictieve scriptie

  1. Peter Vermaat

    Een mogelijke rationale is dat we verbeelding hoger aanslaan dan reproductie. Non-fictie komt immers neer op het (her)schikken van datgene wat is, terwijl fictie door middel van verbeelding toevoegt aan datgene wat is. Wanneer we daaraan de esthetische aspecten van taal nog toevoegen (bv. klank en ritme), dan gooit poëzie als taalgenre in principe de hoogste ogen bij een bekroning (de werkelijkheid is helaas anders).

    Wanneer we het bekijken zoals het is, dan wordt non-fictie (in elk geval bij de Nobelprijzen) veel vaker bekroond dan fictie, aangezien alle Nobelprijzen (behalve die voor de Vrede) worden toegekend op basis van een of meer publicaties. Laten we ervan uitgaan dat daarbij nooit sprake is van fictie.

    1. Ik denk dat dat element van verbeelding ook aanwezig is in nonfictie. Dan bedoel ik niet “Gödel, Escher, Bach”, dat compleet verzonnen delen bevat, maar de wijze waarop de stof wordt geordend, opgebouwd. Ik schrijf als historicus en denk ook na over zaken als klank en ritme (jamben klinken doorgaans het best), ik probeer ook woorden niet te vaak te herhalen, enz.

  2. FrankB

    “Een eeuw wetenschap genegeerd. En dat bekroond.”
    Logisch dat dat je dwarszit, maar we moeten wel bedenken dat die bekroning werd gegeven om de literaire kwaliteiten, niet om de wetenschappelijke. Ik kan me niet voorstellen dat de welbespraakte ideoloog ooit een vooraanstaande geschiedkundige prijs heeft gekregen.
    Ik zou nooit een literaire prijs voor Hawking’s boek hebben verwacht. Het is een prettig leesbaar boekje en heeft wetenschapscommunicatie sterk bevorderd. Het taalgebruik staat echter volledig in dienst van de natuurkundige inhoud en is dus functioneel – niets minder, maar ook niet meer. Dan kun je evengoed een vlotgeschreven handleiding van een koffiezetapparaat een literaire prijs geven.
    De vraag is dus – en je negeert die – of literaire prijzen toegekend moeten worden aan boeken die andere belangrijke verdiensten hebben dan literaire. Daar valt wel een boom over op te zetten. Neem bv. dit:

    “Bovendien moet een jury beoordelen of de geboden informatie juist is”
    Een criterium dat per definitie niet voor fictie opgaat (“de waarheid liegen”), zodat dit een argument tegen het toekennen van literaire prijzen aan non-fictie wordt.
    UIteraard sluit ik hiermee dit

    “dat er in literaire kringen een zeker dedain bestaat voor non-fictie”
    volstrekt niet uit.
    Aan de andere kant heeft Pearl Buck ooit de Nobelprijs gekregen voor romannetjes over China die het driestuiverniveau nauwelijks overstijgen. Er is dan ook nog een andere belangrijke kant aan de zaak: wat bepaalt of een prijs prestigieus genoeg is om er ons eigenlijk druk over te maken?

  3. Nicoline van der Sijs

    Nog iets: er zijn veel beurzen voor literaire schrijvers en vertalers – maar niet voor non-fictieschrijvers (wel weer voor journalisten).

    1. Peter Vermaat

      Wat wel logisch is, gezien het feit dat boeken van non-fictieschrijvers meestal een bijproduct zijn van hun beroep, terwijl dat bij literarire schrijvers heel anders ligt.
      Daarbij zijn er veel en veel meer schrijvers die fictie schrijven zonder ooit in aanmerking te komen voor een beurs – zo ongeveer alle dichters bijvoorbeeld.

      1. Nicoline van der Sijs

        waarom denk je dat, klopt dat wel? Ik heb zelf 20 jaar als nonfictieschrijver van de pen geleefd, als zzp’er dus, en in mijn omgeving waren er velen die zich in die situatie bevonden (totdat het niet meer kon omdat de boekenmarkt instortte).

  4. Theo van Dijk

    Over juiste informatie gesproken: als er van de 67 PC-Hooftprijzen 19 afvallen, houd je er volgens Bartjens 48 over. Een van de drie getallen klopt dus niet.

  5. sara

    Volgens mij zou men in het algemeen niet zo veel waarde moeten hechten aan prijzen voor literatuur, fictie of geen fictie. Commercie en individuele voorkeur spelen daarbij een zo grote rol, dat er steeds minder waarde aan gehecht kan worden. Er moet bijvoorbeeld elk jaar een bepaalde prijs uitgereikt worden, dus is er een kans dat de minst slechte wint, of die met de meeste individuele voorkeur van de juryleden op dat moment.
    Zelf hecht ik meer waarde aan een oordeel van iemand zoals Jona zelf als het gaat om boeken over oudheid en geschiedenis in het algemeen, dan dat een boek een prijs heeft gewonnen. Of de literaire recensies van een Rob Schouten bijvoorbeeld.
    De geldprijzen zijn leuk (broodnodig) voor de auteurs en de boekhandels hebben die extra omzet hard nodig. Voor de rest …? O ja, een paar TV-programma’s. Het gaat dus vooral om koopcijfers en kijkcijfers.

    1. FrankB

      “niet zo veel waarde moeten hechten aan prijzen voor literatuur, fictie of geen fictie”
      Voor wat betreft non-fictie ben ik het grondig oneens. Iedere wiskundige droomt van de Fieldsmedialle, iedere natuurkundige en scheikundige van de Nobelprijs. Dan gaat het niet eens om het geld (deze prijzen zijn lang niet de hoogsten) maar om prestige, dat weer afhangt van kwaliteit. De bovengenoemde Ex-Libris prijs zou zoiets kunnen worden. Daarom is het des te merkwaardiger dat Antieke en Middeleeuwse geschiedenis ontbreken.

      1. sara

        Maar natuurlijk. Ik had het alleen over ‘literatuur’. Wetenschappelijke prestaties vallen daar uiteraard niet onder. Er kunnen grensgevallen zijn incidenteel.
        Wanneer het gaat om kwaliteit en wetenschappelijk prestige zijn de prijzen uitermate waardevol.

  6. Jos Houtsma

    Dedain? Denk je echt? Misschien een zekere ergernis. In ‘literaire kringen’ leeft allicht het gevoel dat non-fictie een fundamenteel andere tak van sport is. (Mooi, verzorgd schrijven is een eis die geldt voor iedereen die gelezen wil worden.)

  7. Ben Spaans

    Donald Kagan maakte de waarschuwing om niet in de val te trappen het werk van Thoukudides als dè bron voor zijn onderwerp te beschouwen, ‘net zo min als iemand dat zou doen bij Churchill’s History of The Second World War’. Toch duiken opmerkingen uit de werken van Churchill wel op in overzichtswerken. De man’s invloed is enorm geweest (behalve de HOTSWW vooral The World’s Crisis).

  8. Roger van Bever

    Ik denk dat er teveel aandacht besteed wordt aan al deze prijzen. Bovendien vind ik de P.C. Hooft- prijs niet de belangrijkste prijs in het Nederlandstalig gebied. De driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren is sinds 1956 de belangrijkste literaire prijs van Vlaanderen en Nederland. De prijs wordt toegekend door de Nederlandse Taalunie, die zich hierbij laat adviseren door een onafhankelijke jury. (Wikipedia). Bij de winnaars zijn veel mensen die ook non-fictie geschreven hebben. Ieder land in Europa heeft ‘zijn’ P.C. Hooftprijs of zijn Staatsprijs voor literatuur.

    De Nobelprijs voor literatuur is vaak een (politiek bepaalde) keuze tussen eindeloos veel goede en minder goede kandidaten. Vaak zijn het winnaars die zowel non-fictie of fictie geschreven hebben. Als het Nobelcomité een schrijver bekroont, zou, in het geval van de bekroning van een non-fictieschrijver het literaire gehalte van zijn non-fictie, zo hoog moeten zijn dat het de hoogste prijs voor Literatuur verdient. Maar omdat er een keuze gemaakt moet worden door een klein comité wordt er vaak een verkeerde keus gemaakt. De toekenning is door andere dan literaire motieven ‘angehaucht’. Vaak spelen politieke motieven een rol. Het gebeurt niet zelden dat dissidente schrijvers worden bekroond, die achteraf niet al te lang ‘meegaan’. De keuze is per definitie subjectief.

    Als je naar de keuze per taalgebied kijkt (de Nobelprijs voor literatuur is voor het eerst toegekend in 1901), dan zie je per taalgebied:

    – 28 Engelstaligen
    – 13 Duitstaligen
    – 12 Franstaligen, waaronder een Vlaming Maurice Maeterlinck, die overwegend francofoon was en tot de Gentse Franstalige bourgeoisie hoorde en dus in feite niet tot tot het Nederlandstalige gebied gerekend kan worden.
    – 12 Scandinaviërs (Ijsland, Noorwegen, Zweden, Denemarken)
    – 6 Russischtaligen
    – 6 Italiaanstaligen
    – 1 Finstalige
    – 1 Occitaanstalige
    – 1 Bengaalstalige
    – 1 Hebreeuwstalige

    Wat mij betreft mogen ze de Nobelprijs voor Literatuur en ook die voor de Vrede afschaffen.
    Te subjectief.

    1. FrankB

      Doe de Oscars er meteen maar achteraan – niet meer geloofwaardig sinds minstens 1957, toen Seven Samurai niet eens genomineerd werd voor Beste Film

  9. Erik Bouwknegt

    Het grappige is hierbij natuurlijk dat Hooft naast dichter en toneelschrijver toch ook (of misschien wel vooral) geschiedschrijver was.

    Wat betreft Churchill, daarbij denk ik toch in de eerste plaats aan zijn journalistieke werk (ook niet geheel van ideologie ontbloot trouwens). Het bekendst is zijn periode als verslaggever tijdens de Boerenoorlog, maar ook The River War zou je als journalistiek kunnen beoordelen.

  10. Steven

    Twee keer het idee gehad dat non-fictie literair zo grandioos goed was dat geen enkele roman er tegenop kon (vooruit de Quijote dan). De eerste keer was bij een boek van kerkhistoricus Henry Chadwick, maar die is al een tijdje geleden overleden dus dat wordt geen nobelprijs. De tweede was met John Gribbin: Science. A History. (mét de erkenning voor de Flemish engineer Simon Stevin!). Toch maar even noemen, ze schijnen daar nog kandidaten te zoeken.

    1. Roger van Bever

      Ik heb beide boeken gelezen: The Early Church (The Penguin History of the Church, 1967 revised 1993). Inderdaad van hoge literaire kwaliteit voor non-fictieboeken. En het boek van Gribbin ook!
      Momenteel ben ik bezig met een boek van Amos Elon: The Pity of It All: A History of the Jews in Germany, 1743-1933. Dit boek heeft ook een hoog literair niveau ondanks het feit dat het non-fictie is.

  11. Jeroen

    Ook snijden wetenschappers, of liever gezegd de wetenschappelijke mores, zichzelf hierbij in de vingers.

    Zoals een chef-kok in opleiding vanaf dag één het correct snijden der groentes krijgt voorgeschoteld, zo wordt de wetenschapper met de paplepel ingeslagen dat zijn taalgebruk klinisch moet zijn. Zonder emotie, of het ondefinieerbare ‘sjeu’.

    Geen “Ik vind”, geen “schitterend” of “mooi”….geen “volgens mij” noch “spijtig genoeg”.

    En waarom? Vanwege de wetenschappelijke neutraliteit. Om de lezer te doen laten denken dat het überhaupt mogelijk is om een geschiedkundig werk te schrijven zonder voorkeur, persoonlijke mening of cultureel-politieke mening.

    Wie heeft er niet úúúren op een symposium gezeten, in jezelf schreeuwend: “Je blijft verdomme wakker, man…dit vind je notabene interessant!”, om vervolgens in je stoel op te veren bij die ene, oh-zo-zeldzame uitzondering;

    “Hé! Een spreker die kan vertellen!”

Reacties zijn gesloten.