Eutropius

Portret van een vierde-eeuwse Romein (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Over Flavius ​​Eutropius, de auteur van een zeer korte geschiedenis van het Romeinse Rijk, weten we eigenlijk alleen wat hij ons zelf terloops meedeelt, en dat is vooral dat hij in 363 deelnam aan de noodlottig verlopen campagne van de Romeinse keizer Julianus tegen de Perzen. De Korte Geschiedenis eindigt anderhalf jaar later met de dood van Julianus’ opvolger Jovianus en de troonsbestijging van de gebroeders Valentinianus en Valens. Het werkje lijkt vervaardigt in 369. Verder weten we uit de aanhef van de Korte Geschiedenis dat Eutropius voor keizer Valens werkte als minister voor verzoekschriften.

Tot zover wat we zeker weten. We hebben minder zekerheid over ’s mans verdere loopbaan. Er is een tweede Eutropius, die in 371-372 gouverneur was van de provincie Asia, in 380-381 prefect van Illyrische prefectuur en in 387 consul, samen met keizer Valentinianus II. Een hoge eer. Als deze tweede Eutropius niet dezelfde is als de historicus, zitten we ineens met een magistraat die nogal out of the blue verschijnt en de allerhoogste posities bekleedt. Dat is niet onmogelijk, maar meestal weten we toch wel íets over de voornaamste Romeinse bestuurders in deze periode. Het is daarom het meest aannemelijk dat we te maken hebben met dezelfde persoon, een conclusie die we ook als het waarschijnlijkere scenario moeten aannemen op grond van het Scheermes van Ockham.

De Korte Geschiedenis is geschreven door iemand die vermoedelijk Grieks als moedertaal had. Hij legt bijvoorbeeld uit dat een hemelverschijnsel “in het Grieks een komeet wordt genoemd”. Zijn naam is natuurlijk ook Grieks, maar dat zegt niet zo heel erg veel.

Het Breviarium ab urbe condita (“Korte geschiedenis sinds de stichting van de stad”) heeft verder weinig om het lijf. Het biedt precies wat de titel belooft: een samenvatting van de geschiedenis van het Romeinse Rijk sinds de dagen van de legendarische koning Romulus. In tien hoofdstukken neemt Eutropius ons mee door de koningstijd, de republiek en de keizertijd.

Eutropius wist wat hij deed. Zijn betoog is bondig en duidelijk, zijn taal gemakkelijk te begrijpen, zijn boodschap duidelijk: de Romeinen hebben hun problemen altijd kunnen overwinnen. De nadruk ligt daarbij op buitenlandse oorlogen – je zult vergeefs zoeken naar de Gracchen, terwijl ook op één na alle christenvervolgingen schitteren door afwezigheid – en op de rol van de Senaat. Dat laatste kan een impliciet advies aan Valens zijn geweest.

Afgezien van de drie laatste hoofdstukken, die informatie bevatten over de tweede, derde en vierde eeuw die niet elders is te vinden, is de waarde van de Korte Geschiedenis als historische bron gering. Hoofdstuk Zeven behandelt de eerste keizers en is een samenvatting van de keizerbiografieën van Suetonius. Omdat we beschikken over het origineel, kunnen we dit hoofdstuk dus als bron van historische informatie negeren (elimineren).

De eerste zes boeken, zo menen moderne oudheidkundigen, zijn gebaseerd op Livius – meer precies een samenvatting van diens enorme geschiedwerk. De eerste helft van de Korte Geschiedenis zou dus een uittreksel van een uittreksel zijn. Ik ben zo eigenwijs dat niet te geloven. De vele precieze dateringen die Eutropius biedt, bewijzen zonneklaar dat hij niet uitsluitend werkte met een samenvatting van Livius. Eutropius presenteert namelijk informatie die inconsistent is met die uit het oeuvre van de Patavijn en daar dus niet uit afkomstig kan zijn. Ik weet momenteel niet of deze afwijkende chronologische informatie door Eutropius zelf is opgezocht (en hij dus niet wist waarmee hij bezig was) of dat de door hem gebruikte bron al was verschlimmbessert.

Laatste punt: Eutropius sympathiseerde, net als Zosimos, met de oude godsdienst. Van elke keizer die na zijn dood onder de goden werd opgenomen, staat dit vermeld, en in drie gevallen – inclusief, opmerkelijk genoeg, Constantijn de Grote – geeft Eutropius ook zijn persoonlijke oordeel dat dit terecht was. Ondanks deze heidense voorkeur werd Eutropius’ Korte Geschiedenis later veel benut door christelijke auteurs, zoals Hieronymus, Orosius en Isidorus van Sevilla.

Een online-versie is nu hier te vinden.

13 gedachtes over “Eutropius

    1. Henk Smout

      Seterum ware consequent.
      Bij mijn laatste Artisbezoek, de dag dat ik leeuw Caesar nog in leven zag, ben ik gaan lopen toen ik mijn vertrouwde lijn 9 niet kon ontdekken.
      Terug ging ik met lijn 14, vanaf de Zeeburger Dijk en zag vanuit de tram weer de straathoek met Febo en Kwekkeboom door nauw steegje gescheiden.

  1. A. Harmens

    Interessant. Nooit gerealiseerd dat het twee personen konden zijn. “[D]e waarde van de Korte Geschiedenis als historische bron [is] gering”. Ik neem aan dat dit geldt dit voor deze tekst als bron voor de Romeinse (politieke?) geschiedenis. Voor andere aspecten van de geschiedenis (de receptiegeschiedenis van Suetonius en Livius; Nachleben historiografie in de late Oudheid) is het misschien juist wel een interessante bron. Voor de Langobard Paulus Diaconus was Eutropius de belangrijkste bron voor de Romeinse geschiedenis.

  2. Dit boekwerkje is dan grotendeels oninteressant als bron voor de geschiedenis van het Romeinse Rijk, maar kan het wel als ‘controledocument’ fungeren? En dan bedoel ik: kan zijn tekst van waarde zijn om te bepalen hoe goed de werken van bv Suetonius en Livius na eeuwen van kopiëren aan ons zijn overgeleverd?

  3. Benny

    Juist omdat Eutropius zo kort en bondig is en niet al te ingewikkeld Latijn, ben ik al tijden van plan uit te zoeken of het geschikt is voor derdeklassers voor een paar interessante scenes. Je stukje is een stimulans om dat toch maar eens te gaan doen.

    1. Alexander Smarius

      Eutropius is geschikt voor begin klas 4, maar wel erg saai. Leuker is Paulus Diaconus: die schrijft Eutropius over maar voegt dingen toe als het hem niet bevalt.

  4. Roger van Bever

    1. Eutropius zou zich voor zijn data gebaseerd kunnen hebben op een verloren gegaan werk (hypothese van Enmann) dat de gemeenschappelijke bron voor Breviaria zou geweest zijn van auteurs als Aurelius Victor, Eutropius zelf, en de schrijver van de Historia Augusta. Het idee van hypothetische verloren werk, alhoewel het niet vermeld wordt door latere Romeinse historici, wordt tegenwoordig door de meerderheid van de oudheidkundigen geaccepteerd. Een Nederlander, Den Boer trekt het in twijfel, maar voor mij zit zijn artikel helaas achter een betaalmuur. Misschien heb jij er toegang toe Jona? Ik kan dus ook de argumenten van Den Boer niet nagaan.
    Droysen schijnt nog altijd (in 1879) de beste editie van Eutropius gemaakt te hebben, met de Griekse editie en de uitgebreidere editie van Paulus Diaconus en Landolfus. Er zijn veel vertalingen van Eutropius, zelfs een Chinese, gemaakt.

    [Bronnen: o.a de Engelse Wikipedia, Livius, Enc. Britannica]

    2. Over het feit of de historicus Eutropius en de latere machtige dezelfde waren schijnt de strijd nog niet beslecht te zijn, maar jouw hypothese dat we hier het principe van het Scheermes van Ockham moeten hanteren, lijkt me wel gerechtvaardigd.

    3. Wat schrijvers als Eutropius bezield heeft om van de geschiedenis van Rome deels een epitome van een epitome te maken, weten we niet. Of hij hiermee pedagogische ambities had of niet, wie zal het zeggen? Feit is dat zijn ‘leerboek’ het nog het zeer lang volgehouden heeft in het onderwijs. Maar doen we niet hetzelfde in het begin van onze humaniora-opleidingen? In ons eerste jaar Latijn van de Humaniora gebruikten we een zgn. Thesaurus Latinus. Die bestond uit fragmenten uit Charles Lhomond’s ‘Epitome historiae sacrae (1784) (katholiek college!) en misschien zijn beroemdste werk uit 1779, “De viris illustribus urbis Romae a Romulo ad Augustum”. Het Latijn moest ook iets stichtends hebben, maar daar was volgens mij niets mis mee.

Reacties zijn gesloten.