Twee vragen aan Richard Kroes

Dit is geen bureauonderzoek

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarin wetenschappers kunnen vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Dat is namelijk niet altijd wat het publiek denkt. Vandaag is het woord aan mijn goede vriend Richard Kroes, een archeoloog die niet, zoals u wellicht zou denken, de hele dag staat te graven. Hij heeft zó veel interessants te vertellen dat ik de blog maar in drieën heb gesplitst.

***

Wat bestudeert u?
Ik bestudeer gebieden in westelijk Nederland waar particulieren, gemeenten, bedrijven en projectontwikkelaars iets willen bouwen of een andere ingreep in de bodem willen uitvoeren. Er staan dan wetten in de weg en praktische bezwaren: er worden voorwaarden gesteld opdat eventuele archeologische resten in de bodem behouden blijven of in ieder geval niet ongezien verdwijnen.

De reden voor die regeling – vastgelegd in het Verdrag van Valletta – is dat men in de jaren tachtig van de vorige eeuw constateerde dat zó veel archeologische resten ongezien verdwenen, dat de Nederlandse archeologie “op” dreigde te raken. Dat kwam voornamelijk door bouwactiviteiten. Daarnaast kon via dit soort wetgeving geregeld worden dat “de veroorzaker betaalt”, zodat voor het benodigde onderzoek de financiering geregeld was. Wie ergens iets bouwt, betaalt dus ook voor het benodigde archeologisch onderzoek. Voordat deze regelingen van kracht werden, werd het weinige archeologische onderzoek dat uitgevoerd kon worden uit belastinggeld en sponsoring betaald.

Bouwheren en -dames hebben zelden expertise in de archeologie, dus sinds het zo is geregeld, bestaan er bedrijven die zulk onderzoek namens andere partijen verrichten.

Wat ik doe, heeft primair weinig te maken met wetenschappelijk onderzoek. Als “bureauonderzoeker” heb ik niet méér vraagstelling dan “zitten er archeologische resten in dat stukje Nederland?” Pas als het antwoord “ja” is, kunnen we gerichte vragen gaan stellen.

Wat doet u dan concreet?
Ik voer de eerste stap uit in het hele proces: ik stel vast wat over dat stukje Nederland al bekend is. Dat heet dus “bureauonderzoek”. Ik heb dus een gewone kantoorbaan. Het is altijd een afknapper als je op feesten en partijen vertelt dat je archeoloog bent en de gebruikelijke enthousiaste reacties krijgt.

Voor het bureauonderzoek raadpleeg ik allerlei bronnen. De mens is afhankelijk van wat het landschap biedt: natte en laaggelegen gebieden leveren andere gebruiksmogelijkheden dan hoog en droog; de bewerkbaarheid van de grond bepaalt welke vorm van landbouw mogelijk is geweest; dat soort dingen. Ik raadpleeg dus nogal wat landschappelijke bronnen: geologische, geomorfologische en bodemkaarten vooral. Daarnaast ga ik te rade in archeologische databases, met daarin vondsten van eerder uitgevoerd onderzoek. Ik raadpleeg ook historische landkaarten. Tot slot proberen we gegevens te achterhalen over recente verstoringen en over wat onze opdrachtgever daar nu eigenlijk precies gaat doen.

Aan de hand van al die gegevens stel ik een hypothese op, onder archeologen een “gespecificeerde archeologische verwachting” geheten. Die zegt welke resten (bewoning, visserij, begravingen?) in dat stukje Nederland aanwezig zouden kunnen zijn, hoe diep die aangetroffen kunnen worden en over wat voor een oppervlakte, of ze nog intact zijn en zo ja: hoe goed geconserveerd. De belangrijkste vraag is hoe een archeoloog bij veldonderzoek de rest kan herkennen.

Ten slotte geef ik een advies over wat er nu verder moet gebeuren. Bedreigen de ingrepen de – mogelijk – aanwezige archeologische resten? Kan daar wat aan gedaan worden door aanpassing van het bouwplan? Moet er vervolgonderzoek komen om de hypothese te testen dat er archeologische resten zitten? Zo ja, hoe kan dat onderzoek het beste worden aangepakt?

Bureauonderzoek kan eindigen met de conclusie dat geen vervolgonderzoek nodig is omdat er geen resten te verwachten zijn, of omdat de ingrepen het relevante niveau niet raken. Vaak volgt echter een vervolgonderzoek waarbij moet worden vastgesteld of mijn hypothese klopt. Dat veldonderzoek voeren mijn collega’s uit. Niet zelden blijkt dat er niks zit, en dat verklaart waarom zo veel archeologisch onderzoek niets oplevert: veel onderzoek is bedoeld om vast te stellen of er überhaupt iets zit, en het antwoord kan gewoon “nee” zijn. Zit er wel wat, dan volgt verder veldonderzoek om te bekijken of een vindplaats wel de moeite waard is van het verder bestuderen. Archeologen spreken dan van “behoudenswaardigheid”.

Is een vindplaats behoudenswaardig, dan kunnen er twee dingen mee gebeuren: planaanpassing om de resten te behouden of opgraven.

Archeologisch onderzoek wordt dus in een aantal stappen uitgevoerd, waarbij de uitkomsten van een eerdere stap bepalen of – en zo ja wat – er in de volgende stappen moet gebeuren. Dat maakt een bouwproces, dat ook een behoorlijk aantal stappen kent, iets ingewikkelder en dat is belangrijk om te onthouden bij de volgende vraag.

[Dit stuk wordt over een half uur vervolgd. Richard Kroes werkt bij RAAP Archeologie. Zijn eigen blog vindt u hier en een overzicht van de rubriek “zes vragen” is daar.]

Deel dit:
Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.