Keuzes en beperkingen

Studeren was, althans volgens minister van onderwijs Wim Deetman, “investeren in je toekomst”. Onzin natuurlijk. De samenleving investeert in wetenschap en studenten om een toekomst te hebben. Studeren doe je voor de samenleving.

Je zou verwachten dat de universiteiten, met incompetente ministers van onderwijs, alles op alles zouden zetten om uit te leggen waar wetenschap om draait. Er kwam dus in de jaren tachtig meer ruimte voor wat ik gemakshalve de “meta-disciplinaire vakken” zal noemen: vakken waarin de regels van een vakgebied werden bestudeerd en uitgelegd, die konden dienen als controle op de eigen kwaliteit en als rechtvaardiging naar buiten toe. Scheikundigen kregen al in hun propedeuse te maken met lessen over de maatschappelijke taken van de chemie, in de geneeskundige opleidingen kwam in de jaren tachtig steeds meer aandacht voor ethiek. Heleen Dupuis werd een bekende Nederlander. Medische ethiek biedt intern een garantie dat artsen methodisch te werk gaan en legt naar buiten toe uit waartoe geneeskunde dient.

Deze goede ontwikkeling ging voorbij aan de Letterenfaculteit. Er zijn nooit colleges gekomen in de letterenethiek (zoals de meta-disciplinaire vakken eigenlijk heten). Het vak bestaat niet eens. Het gevolg is voorspelbaar: als volgend jaar de huidige staatssecretaris, die niets moet hebben van “musea vol opgegraven potten en pannen“, de letterenfaculteiten opheft, staan de letterdames en -heren met hun mond vol tanden.

Willen de Geesteswetenschappen overleven, dan moeten ze dit corrigeren. Het allereerste punt is dat er meer aandacht komt voor de keuzes die voorafgaan aan het onderzoek. Zulke keuzes zijn nooit subtieler en gevaarlijker, en nooit méér van invloed op de resultaten, dan wanneer ze, onbenoemd en onuitgesproken, niet langer worden herkend als onderdeel van het proces van kennisverwerving. Het is absoluut noodzakelijk dat de voor-wetenschappelijke keuzes zo expliciet mogelijk worden gemaakt.

Ik heb wel eens overwogen dit alles in een artikel te schrijven, maar wie zou het willen plaatsen? Hermeneus? Archeologie Magazine? Geschiedenis Magazine? Lampas? Westerheem? Ze zien me al aankomen. Ik heb het wel eens geprobeerd, maar het woord “wetenschapsethiek” is al voldoende om te leiden tot een afwijzing. Vandaar dat ik er maar een boek over ben gaan schrijven, De klad in de klassieken.

Daarnaast heb ik onlangs gebruik gemaakt van een omweg, in mijn artikel “Verkokerde vakgebieden” in de Archeobrief 15/1 (2011). Ik beschrijf daarin een probleem, namelijk hoe oudhistorici, classici en archeologen langs elkaar werken, en ik hamer er zowel in de kop als de staart van het artikel op dat de aard van het wetenschappelijk bedrijf een rol speelt bij de kennisverwerving. In dit geval is het onder meer de studieduurverkorting die leidt tot bepaalde, in dit geval slechtere, onderzoeksresultaten. De redactie van de Archeobrief, die me had uitgenodigd dit stuk te schrijven, was er blij mee.

Maar ook zo’n omweg blijkt bij oudhistorici en classici niet naar het doel te voeren. Het artikel hier, dat ik aan een tijdschrift van classici aanleverde, bleek een stap te ver. In de kop en staart maak ik duidelijk dat als onderzoek in een impasse raakt, het werd vergeten en er fouten kunnen worden gemaakt. In het centrale deel leg ik dan één probleem uit: met opzet de chronologie, een onderwerp dat zo weinig belangrijk is dat ik er niemand mee voor de schenen zou schoppen. Een mooie illustratie, meende ik, van de wijze waarop de context waarin het onderzoek wordt gedaan, deel uitmaakt van het proces van kennisverwerving en – onherkend als het is – leidt tot slechte informatie.

Wat ik, na mijn ervaringen met de redactie van de Archeobrief, niet had verwacht, was dat de redactie van het tijdschrift waaraan ik dit artikel aanbood, het eigenlijke probleem, dat toch vrij duidelijk in de kop en de staart stond aangegeven, niet op waarde zou schatten. Een van de meelezers vond het jammer dat ik het politiek maakte – wat de pointe van het stuk was – en dat ik het alleen over de chronologie moest hebben.

Ik had het inderdaad als een stuk over chronologie aangekondigd (als ik “wetenschapsethiek” zelfs maar had geschréven, zou het zijn afgewezen) en ik begrijp hoe men tot het oordeel is gekomen. Maar het is wonderlijk dat een archeologische redactie wél begrijpt dat een artikel bedoeld kan zijn als opstapje naar een wezenlijk, alom erkend probleem, en dat classici en oudhistorici zelfs een van bijna elk belang gespeend chronologisch onderwerp interessanter vinden dan de voor-wetenschappelijke kaders die de onderzoeksresultaten helpen vormen.

Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken. In elk geval vind ik het stuk voldoende belangrijk om het online te plaatsen. Hier dus. Ik sluit allerminst uit dat het gebrek aan belangstelling voor wetenschapsethiek op zeer korte termijn de classici en oudhistorici nekt, terwijl archeologie overleeft.