
[In de rubriek “zes vragen”, waarin oudheidkundigen vertellen wat zij nu eigenlijk doen, is het woord nu aan mijn goede vriend Richard Kroes, die archeologisch bureauonderzoek doet. Hij had zó veel interessants te vertellen over de wijze waarop momenteel in Nederland archeologie wordt bedreven, dat ik zijn antwoorden heb verdeeld over drie blogs. De eerste was hier.]
Hoe vergroot dit welk inzicht?
Dat weet niemand. Ik neem nu even ook het werk mee dat mijn collega’s in het veld doen nadat ik mijn bureauonderzoekshypothese heb opgesteld: de “gespecificeerde archeologische verwachting” testen. Ze zoeken eerst naar archeologische indicatoren om te beoordelen of iets überhaupt een vindplaats is. Het gaat dan om zaken als aardewerkfragmenten, huttenleem, houtskool, bot of vuursteen, die meestal worden opgespoord door booronderzoek. Vervolgens beoordelen ze wat een vindplaats “waard” is: wat zit er eigenlijk aan resten? hoe oud zijn die? zijn ze nog gaaf en goed geconserveerd? gaat het om iets zeldzaams? Dit is meestal proefsleuvenonderzoek. Daarna volgt het besluit over de wijze waarop waardevolle informatie behouden moet blijven. Lees: moeten we het opgraven of kunnen we het behouden door het plan aan te passen?
Vergelijk het met wat recent in het nieuws gekomen is: oude boeken worden per pallet opgekocht door AI-bedrijven die de boeken scannen en daardoor vernietigen om hun AI-systemen te “voeden”. Die boeken raken we dus kwijt – ik laat in het midden of wat we ervoor terugkrijgen dat voldoende goedmaakt – en het zou zomaar eens kunnen zijn dat iemand op het idee komt om de boeken te “redden”. Dat is wat wij doen: de bodem bevat resten uit het verleden waar archeologen informatie over dat verleden uit kunnen halen, en we redden datgene wat de “veroorzaker” vernietigt, namelijk dat waar die informatie uit gehaald kan worden. Zouden we al die bedreigde boeken gaan “redden” dan zouden we de losgehaalde pagina’s weer bij elkaar zoeken tot we weer een boek hebben, misschien zouden we ze – om ze beter te kunnen bewaren – ook nieuw inbinden, maar voor zo’n reddingsoperatie is het niet nodig al die boeken ook te lezen. Ze blijven beschikbaar.
In de archeologie is het niet anders, zij het dat het wat genuanceerder ligt. Van elk onderzoek verschijnt een basisrapportage waarin het boek in zoverre gelezen wordt dat je kunt zien wat er zoal in staat, en soms ook welke vragen het oproept. Dat blijft meestal beperkt tot de bedreigde vindplaats. Grote systematische onderzoeken naar – ik noem maar wat – de invoering van de landbouw in de Lage Landen versus Scandinavië overstijgt het niveau van de vindplaats. Pas daar zou je kunnen spreken van een inzicht dat wordt vergroot of een wetenschappelijke vraag die wordt beantwoord.
Maar dat is gebaseerd op informatie die onze veroorzakers in principe niet verstoren met hun zwembad of woonwijk. Wat wij doen is meer grass roots: zorgen dat de informatie die we uit de bodem zouden kunnen halen niet verloren gaat, zodat later andere archeologen, die niet in de ruimtelijke ordening werken, gegevens hebben om inzichten te toetsen en vragen te stellen.
Als wij in het veld staan doen we dat veel minder: we bekijken een hoofdstuk uit het boek en stellen het veilig, doen we het goed, dan lezen we dat hoofdstuk ook, maar nog altijd niet het hele boek. Dat ligt niet op één vindplaats. Het hele boek volgt later pas.
Het verschil tussen een boek en een archeologisch onderzoek is natuurlijk dat een boek in principe bewaard kan blijven zonder verlies aan informatie. Een archeologisch onderzoek was vijftig jaar geleden iets heel anders dan nu en zal over een halve eeuw ook weer iets heel anders zijn. Het is heel goed mogelijk dat wat wij nu doen, hoe goed we dat ook doen, voor de volgende generaties archeologen maar heel beperkt bruikbaar is.
Vandaar mijn antwoord op de vraag welk inzicht wordt vergroot: dat weet niemand.
Welk boek over uw onderwerp zou eigenlijk iedereen moeten lezen?
Ik vind dat een hele moeilijke vraag, omdat er zeker voor de Nederlandse archeologie eigenlijk geen echt standaardwerk bestaat. Er zijn wel standaardwerken per periode, maar dat zijn niet zelden verzamelingen artikelen of (bijna) proefschriften. Er zijn wel publieksgerichte overzichten, maar die laten vooral de leuke resultaten zien, niet echt hoe de archeologie als wetenschap werkt. Over methodologie bestaan ook niet echt standaardwerken, tenzij weer specialistisch over specifieke deelgebieden: natuurwetenschappelijke dateringsmethoden of pollenanalyse bijv.
Er zijn op die deelgebieden zeker belangrijke boeken, die ik iedere student zou aanraden, maar dat geldt zeker niet voor “iedereen”. Een boek gericht op dat publiek bestaat bij mijn weten niet. Maar ik laat me graag corrigeren.
Is er iets dat u zelf nog kwijt wil?
Ja. Ik heb hierboven eigenlijk min of meer uitgelegd dat het werk dat mijn collega’s en ik doen, niet zo veel met wetenschap te maken heeft. We doen ons werk zo wetenschappelijk mogelijk, maar de échte wetenschap komt pas later kijken.
Dat ligt eigenlijk genuanceerder, want soms komt er ook uit archeologisch onderzoek binnen de ruimtelijke ordening wel degelijk vernieuwing voort. Ik ben zelf bijvoorbeeld onder de indruk van het werk van mijn collega Ivar Schute, die zich de laatste jaren van zijn carrière specialiseerde in archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Hij heeft onder andere onderzoek uitgevoerd op de Grebbeberg, in Westerbork en in Sobibor. Meestal is archeologisch onderzoek gewoon leuk, zoals voetbal, maar Schutes onderzoek is ook nuttig. Zo is uit het onderzoek in Westerbork een geheel nieuwe methode van vondstregistratie voortgekomen, die veel geschikter is voor resten uit deze periode. En Schute heeft er ook een indringend boek over geschreven dat ik wél iedereen aanraad: In de schaduw van een nachtvlinder (2020). Het biedt niet alleen een kijkje in deze tak van de archeologie, maar laat ook zien hoe een archeoloog over zijn eigen vak kan nadenken.
***
Richard Kroes werkt bij RAAP Archeologie. Zijn eigen blog vindt u hier en een overzicht van de rubriek “zes vragen” is daar.
Zelfde tijdvak
Tien jaar Kennislinknovember 6, 2012
Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenisjanuari 28, 2025
De Green-collectie, het recht en zijn manke loopdecember 6, 2021

Dank je wel!
Dank u!
Aan de foto te zien betrof Richards onderzoek drinkhoorns van antiek tot nu.
Eén foto met Westmalle zegt niets, maar met meer data verschijnt er een patroon dat op een zekere mate van beschaving wijst.
Ik vind “Schaven aan het verleden” van Guido Cuyt (AVRA) een prima inleiding voor het grote publiek.
https://www.standaardboekhandel.be/p/schaven-aan-het-verleden-9789059272057
Ja, die Westmalle viel mij ook al op. Prima keuze om een drinkhoorn mee te vullen ;-).
Afgezien daarvan: dank je wel. Interessante commentaren ook, voor een niet-deskundige.
“Van elk onderzoek verschijnt een basisrapportage waarin het boek in zoverre gelezen wordt dat je kunt zien wat er zoal in staat, en soms ook welke vragen het oproept.”
Ik zou zeggen dat het precies andersom is. De verzamelde data zijn afhankelijk van de gestelde vragen en de mogelijkheden van de methoden, die allen enorm afhankelijk zijn van de huidige stand van kennis. En dat is een ononderkent probleem.
Geen editknop, maar ‘ononderkend’ uiteraard.
Ik zou denken dat het allebei waar is: elk nieuw onderzoek (hoezeer ook vraaggestuurd) leidt weer tot nieuwe vragen en die kun je documenteren. Die vragen sturen dan weer volgend onderzoek, wat onderdeel vormt van het ‘probleem’ dat archeologisch onderzoek 50 jaar geleden iets anders was dan nu en over 50 jaar ook weer iets anders zal zijn.
Planaanpassing klinkt goed, maar komt in mijn werkgebied zelden voor. Veel archeologisch vooronderzoek vindt plaats nadat het huis/gebouw al is getekend. Wat is goedkoper: gravend vervolgonderzoek of ontwerp aanpassen (en weer opnieuw het plan laten beoordelen door gemeente, welstand, omwonenden, enz).
Daarnaast heeft inpassen van archeologische resten in de bodem ook de nodige uitdagingen. Wat als de conditie van de bodem verslechterd (droogte, bodemdaling, enz.), dus een verslechtering van het bodemarchief. Of er volgen later kleine bodemingrepen, dus vervolgonderzoek op postzegelniveau. Opgraven kan dan niet meer (wie is de verstoorder?).
Kortom: het is makkelijker en wellicht beter om resten nu te onderzoeken met een gravend onderzoek dan in te passen.
Overigens geldt het bovenstaande voor ondiep gelegen archeologische resten (veelal Romeins tot en met de Nieuwe tijd, binnen 2 m onder het maaiveld). Inpassen van dieper gelegen prehistorische vindplaatsen is veel makkelijker.
Hoe dieper hoe makkelijker je een vindplaats kunt beschermen. Ik heb wel meer moeite met hypothetische scenario’s. Zo zadel je veroorzakers op met onweerlegbare problemen zonder dat er is aangetoond wat er werkelijk zou kunnen gebeuren. Daar ligt dan weer wel een vrijwel onontgonnen onderzoeksveld.
De foto bij deze blog van een Raap onderzoeker met omslagdoek leidt af van het onderwerp: archeologie in Nederland. Ook is deze doek out of place, omdat i.c. een boerenzakdoek meer voor de hand liggend is. Misschien is er een monarchale connectie: https://jonet.nl/beatrix-draagt-jasje-met-palestijns-borduurwerk/
Het is vooral de Westmalle die afleidt, als ik mag afgaan op de commentaren.
Dit is een vrij oude foto, dus ik weet niet meer heel precies of dit de kaffiye was die ik van een Israelische vriend kado gekregen heb, of de zelfgekochte opvolger ervan.
Ik ben die dingen gaan dragen omdat ze ontzettend praktisch zijn, maar kwam er al snel achter dat er nogal wat mensen rondlopen die er te pas en te onpas commentaar op leveren. Ook als je vertelt dat het een kado van een Israelische vriend was. Ook als je vertelt dat je ze gewoon praktisch vindt.
Datzelfde geldt voor een boerenzakdoek, die evenveel of weinig te maken heeft met de Nederlandse archeologie, net als Westmalle, of stierenvechten.
Dat is wel interessant. In mijn jonge jaren (80/90) was die sjaal er voor alternatievelingen. Later zag ik hem in alle kleuren als een mode item bij meisjes die allesbehalve alternatief waren. Net zoals je tegenwoordig een kind kunt zien met een T-shirt met de uitgestoken tong van de Rolling Stones erop. Soms kan een symbool volkomen los komen van waar het ooit voor stond.
Die doek hoort bij de Jordaanse Grenspolitie https://www.alamy.com/stock-photo-bedouin-police-officer-on-guard-at-the-ancient-historic-city-of-petra-50728844.html
Niet het meest controversiële textiel in die streken, maar wie weet nou de fineses…
Is “laatste vragen” nou echt wel zo’n goede titel?