Walgelijk goede verhalen

Op zondag 8 januari 2006 dronk ik mijn laatste glas bier. Het was een noodzakelijk besluit. Een jaar daarvoor was ik een geliefde werkkring kwijtgeraakt en snel meer gaan drinken. Ik tikte inmiddels elke zondagmiddag zes, zeven tripel weg. Weliswaar fietste ik daarna zonder brokken of kleerscheuren dwars door het Amsterdamse stadsverkeer naar huis, en ook kon ik op de zondagavonden nog nuttig werk verrichten, maar de maandagen begonnen lastig te worden.

Erger was dat ik, eenmaal aangeschoten, loslippig werd en me moest bedwingen dat ik interessante roddels, die me waren toevertrouwd onder het zegel der vertrouwelijkheid, niet de wereld instuurde. Er zou een dag komen, bedacht ik, waarop ik me versprak en dan zou ik het aan niemand anders dan mezelf te wijten hebben als een van mijn vriendschappen onherstelbare schade opliep.

Concluderend dat ik op afzienbare termijn een écht goede reden zou krijgen tot het verdrinken van verdriet, besloot ik Koning Alcohol te verlaten nu ik nog dronk voor mijn plezier. Hoewel, ook daaraan schortte het al: het was me opgevallen dat de tripel na die goddelijke eerste glazen soms vergezeld begon te gaan met een onbestemde walging. Tijd om te stoppen dus. Ik stelde mijn vrienden op de hoogte van het voornemen en nuttigde op de genoemde datum mijn laatste glas, in gezelschap en op de gezondheid van J., in wier aangename gezelschap ik de voorgaande jaren wel meer bier had gedronken.

De geheelonthouderij heeft me nooit moeite gekost en de onbestemde walging die tijdens mijn vrolijke zondagmiddagen de zesde of zevende tripel soms had vergezeld, heb ik nooit meer ervaren. Dat wil zeggen: tot ik ‘De vlucht naar voren’ van Dirk Ayelt Kooiman las. In dat verhaal, opgenomen in de bundel Oefenen in ontsnappen, beschrijft hij hoe een alcoholist zich bewust kan zijn van zijn toestand, zich kan realiseren dat hij bezig is zich het sociale isolement in te drinken, en toch doorgaat omwille van die ene eerste slok van de dag, waar zo’n intens gevoel van ontspanning en geluk van kan uitgaan. Ineens, een paar tellen maar, proefde ik die onbestemde walging opnieuw.

Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Natuurlijk, je reageert soms fysiek op een goed verhaal. Als het spannend is, houd je de adem in; erotische passages prikkelen de zinnen; een goed boek doet je de oren sluiten voor de omgeving. Maar nooit eerder voelde ik een smaak in mijn mond of een nare onrust in mijn maag. Aangenaam vond ik het niet, maar de door Kooiman opgeroepen sensatie bewijst hoe ontzettend goed hij schrijft.

Er staan nog drie andere verhalen in Oefenen in ontsnappen. In ‘Bestemming onbekend’ beschrijft Kooiman hoe een vader en moeder hun kinderen achterlaten; in ‘De dodendans’ trekken we mee met een groep middeleeuwers die probeert aan de Zwarte Dood te ontkomen; in het titelverhaal delen we de deprimerende ervaringen van iemand die uit een concentratiekamp ontsnapt.

De eenheid van de bundel ligt minder in de thematiek dan in de stijl. De verhalen lijken namelijk sterk op elkaar: Kooiman beschrijft de dingen steeds zó dat je ze voor je ziet. Een willekeurige passage uit ‘Oefenen in ontsnappen’:

De bliksem flitst. De donder davert. De regen daalt in vlagen neer. Hij bevindt zich achter in de tuin van een tot de grond toe uitgebrande villa, zit weliswaar droog, maar nauwelijks beschut tegen de wind, onder een planken afdak dat, hoewel hij zich hoog te midden van heuveltoppen bevindt, dient als stalling van een roeiboot. Toen hij bij het vallen van de schemering aan de westelijke hemel lichtflitsen zag, en een dof, als door lappen gedempt artillerievuur hoorde, was hij opgeveerd. Even meende hij dat hij in de nabijheid van een frontlijn was gekomen, en daarmee van bevrijd gebied. Het bleek een onweer.

Je kunt een geleerde literatuurhistorische parallel trekken met de ambities van Joseph Conrad (‘my aim is to make you see’) en je kunt het filmisch noemen. Overtuigend is het in elk geval.

Volledig volmaakt vond ik de verhalen overigens niet. Al helemaal aan het begin van ‘Bestemming onbekend’ is de beschrijving van het landhuis waarin het echtpaar woont, voldoende om te begrijpen dat er iets loos is met de rijkdom. Als Kooiman aan het einde laat weten dat de vader de bank heeft opgelicht, is dat in feite overbodig, want je weet al dat dit echtpaar zó aan luxe is gewend dat het vér zal gaan om die te handhaven. De suggestie was al sterk genoeg – minder was meer geweest. Iets soortgelijks geldt voor ‘De dodendans’: de beschrijving van de verschrikkingen van de Zwarte Dood was naar mijn smaak net iets te sterk aangezet. (Dit verhaal deed me trouwens denken aan het begin van The Stand van Stephen King.)

Dit laat onverlet dat Oefenen in ontsnappen een alleszins geslaagde bundel is waarvan één verhaal zulke sterke sensaties oproept dat het de grootste alcoholist moet genezen.

[Deze bespreking verscheen eerder op Recensieweb.]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s