Antwerps evangelie

De eerste mens die niet van Antwerpen houdt, moet nog worden geboren.

Mijn goede vader wist wel hoe hij zijn puberende zoon aan het lezen moest krijgen: hij drukte me De komst van Joachim Stiller in handen. Lampo’s roman maakte een overdonderende indruk en vormde het begin van een inmiddels al ruim dertig jaar durende liefde voor de Nederlandse en Vlaamse letteren, die – als het aan mij ligt en als ik me mag baseren op de gebruikelijke mortaliteitsstatistieken – nog eens ruim dertig jaar kan duren.

Hoewel ik later ben wezen kijken op het verlaten Antwerps Zuidstation, waar de titelheld aan het einde van het verhaal aan- en omkomt, heb ik het boek nooit willen herlezen. Ik had het idee dat het me nooit meer zó zou kunnen overrompelen. En bovendien: sommige boeken moet je lezen op een bepaalde leeftijd. Misdaad en straf vóór je vijfentwintig bent, Jack London voor je dertigste, en De komst van Joachim Stiller rond je vijftiende.

Het was dus tegen beter weten in dat ik het in 1960 verschenen boek onlangs begon te herlezen. Dat had ik inderdaad beter niet kunnen doen, maar niet omdat het boek nu tegenviel. Integendeel: het overmeesterde me opnieuw en ik had enige moeite me te dwingen enkele gemaakte afspraken na te komen. Akkoord, uitdrukkingen als ‘middagjurk’, ‘slapen als een Turk’ en ‘raketbom’ zijn wat verouderd, maar: wát een roman!

Het voordeel van een moderne klassieker, want daarover hebben we het, is dat het verhaal algemeen bekend is. Ik verklap dus niets als ik uw geheugen opfris: het stabiele leven van de Antwerpse journalist Freek Groeneveld begint langzaam maar onontkoombaar te ontrafelen als hij van de hem onbekende Joachim Stiller een brief ontvangt, een brief die moet zijn gepost vóór Groeneveld werd geboren. Al snel blijkt dat het onmogelijk een practical joke kan zijn. De nuchtere verslaggever wordt gedwongen onder ogen te zien dat er méér tussen hemel en aarde is dan hij vermoedde. Hij gaat aan zijn geestelijke gezondheid twijfelen, maar ook het idee dat het allemaal een zinsbegoocheling is, wordt ontkracht als Groeneveld ontdekt dat Stiller zijn levenspad al eerder kruiste, namelijk tijdens de inslag van de beruchte V2 op het Teniersplein in 1944. Als Stiller aan het einde van het boek opnieuw in Antwerpen arriveert en komt te overlijden, blijkt op de derde dag zijn lichaam uit het stedelijk mortuarium te zijn verdwenen.

Het boek is bloedspannend. In het eerste hoofdstuk gebeurt weliswaar niet veel, maar vanaf het moment dat de eerste brief van Stiller aankomt, wil je als lezer het antwoord op het raadsel weten – een antwoord dat je niet krijgt. Wat op de laatste bladzijden als ontknoping wordt gepresenteerd, is immers niets anders dan een vergroting van het mysterie tot bijbelse proporties. Een andere troef is het liefdevolle portret van de stad Antwerpen, met enkele mooie observaties over de aard van de bewoners.

De centrale thematiek van Lampo’s oeuvre – het is genoegzaam bekend – is hoe het magische inbreekt in de alledaagse werkelijkheid. Daarvoor bedient hij zich van twee instrumenten. Enerzijds gebeuren er dingen die in het echt niet kunnen: brieven kunnen niet worden verstuurd voordat de geadresseerde is geboren en mensen staan in de regel niet op de derde dag op uit de dood. Anderzijds wordt het mysterieuze gepresenteerd als iets alledaags. Om een voorbeeld te geven: tijdens een circusvoorstelling ziet Groeneveld een tragische clown die voortdurend het pispaaltje is van andere clowns, en die de aanhoudende vernederingen aanvaardt met een ‘deemoedige gelatenheid’. Dat is een verwijzing naar het Lied van de Lijdende Dienstknecht des Heren (Jesaja 52.13-53.13), maar het is zó gepresenteerd dat de bijbelse allusie nauwelijks opvalt, net zo min als het terloopse gebruik van het woord ‘zondebok’, de beschrijving van een zonsverduistering (Marcus 15.33), de gemeentebestuurder die bang is geen rekenschap te kunnen afleggen voor zijn beleid (Hebreeën 13.17), en de muziek die het carillon van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal speelt voor een bruidegom en zijn bruid. Hoewel het allemaal bijbelse allusies zijn, zijn ze volkomen naturel. Ze springen pas in het oog als de lezer de ontknoping al kent.

Het geestigst is het begin, waar Lampo verwijst naar de proloog van het Marcusevangelie: ‘Luid klinkt een stem in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden”’ – op zijn beurt een verwijzing naar Jesaja 40.3. Bij Lampo wordt dit wel heel concreet als enkele arbeiders herstellingswerkzaamheden uitvoeren in de Kloosterstraat.

Het is een voorbeeld van de humor waarmee het boek is geschreven. Hoewel enkele scènes uit De komst van Joachim Stiller in een satire niet zouden misstaan (zoals de opening van een expositie waarbij mooie vrouwen zijn uitgenodigd om kunstkenners uit Brussel te lokken en de prijzen van de kunstwerken op te drijven), bedient Lampo zich in de regel van een zachte ironie. Een droge zin als ‘Nadat ik de pilsjes betaald had waarop Zijlstra mij trakteerde, slenterde ik naar huis’, is om in te lijsten. En anders is het Lampo’s woordkeus die goed is voor een glimlach:

‘Geboeid zaten wij naar de voorbijvarende en door bedrijvige slepers omringde schepen te kijken, waarvan wij de namen en de thuishavens op de achtersteven spelden, terwijl Simone mijn borst onder mijn sporthemd streelde, tot zij de armen om mij heen sloeg en mij, ten aanschouwe van de handelsvloten uit vijf continenten, aandachtig op de mond zoende.’

Als de messias zich vertoont in Antwerpen, moet er iemand zijn om te verlossen. Die is er inderdaad, en ook het grote geloofsmysterie van het Christendom wordt gepresenteerd als iets alledaags: dankzij Joachim Stiller vindt Groeneveld de liefde van zijn leven. De prachtzinnen die Lampo eraan wijdt, zijn te lezen als een metafoor voor het geluk van iemand die in de wolken is, maar verdienen het letterlijk te worden genomen omdat het ook Lampo’s thema weergeeft.

’Tot dusver had ik mij steeds vrij tevreden met het leven gevoeld, zonder er wonderen van te verwachten. Die morgen geloofde ik, dat het voor een mens niet onmogelijk is gelukkig te zijn, kortstondig gelukkig misschien, maar gelukkig onmiskenbaar.’

Pas als de gestorven Joachim Stiller met een gekruisigde wordt vergeleken en de messiaanse beeldspraak van de ster wordt geciteerd, laat Lampo de terloopsheid van zijn verwijzingen varen. Niet langer wordt gesuggereerd dat Stiller een messiasfiguur is, er wordt expliciet gezegd dat Stiller ook andere namen geleefd kan hebben. Dat viel me bij herlezing wat tegen; het boek zou nóg sterker zijn geweest als het was gebleven bij suggestie. Maar dat doet er niets aan af dat De komst van Joachim Stiller een juweeltje is, een terechte klassieker en waardig om de vijfhonderdste bespreking op Recensieweb te zijn.

[Recensieweb: dat is dus waar deze bespreking voor ’t eerste werd geplaatst. Men is er inmiddels de duizend vrij royaal gepasseerd.]