Zes vragen aan Piet Gerbrandy

Elfde-eeuws portret van Boëthius

De vaste lezers van deze blog kennen inmiddels de rubriek “zes vragen”, waarin oudheidkundigen vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Dat zijn namelijk lang niet altijd de activiteiten waarmee het vakgebied in het nieuws komt. Vandaag is het woord aan classicus Piet Gerbrandy.

Wat bestudeert u?
Mijn onderzoeksveld is nogal breed – ik ben er nooit zo goed in geslaagd me ergens in te specialiseren – maar ik houd me als classicus het liefst bezig met Latijnse teksten die zich bevinden op het snijvlak tussen poëzie, filosofie en religie, met als voornaamste focus de Late Oudheid (vierde t/m zevende eeuw) en de twaalfde eeuw; maar ik maak ook weleens een uitstapje naar het Grieks. Ik ben vooral geïnteresseerd in werken waarvan niet helemaal duidelijk is tot welk genre ze nu eigenlijk behoren, en die je in zekere zin experimenteel kunt noemen. Dat raakt aan mijn andere hoedanigheid: ik bestudeer ook hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Verder houd ik me bezig met retorica en poëtica (ik vertaalde Quintilianus’ Opleiding tot redenaar en Aristoteles’ Poëtica).

Wat doet u nou concreet?
Het begint bij mij vaak met (literair) vertalen, want als je probeert zo goed mogelijk in het Nederlands weer te geven wat je denkt dat er in het Grieks of Latijn staat, waarbij je rekening houdt met inhoud én vorm, kom je direct terecht bij de finesses van de tekst, en bij de interpretatieproblemen. Dat vertalen leidt dus tot vragen (wat betekenen de woorden precies? wat is de structuur van het verhaal of betoog? welke teksten had de auteur zelf in zijn hoofd, waarvan hij misschien ook verwachtte dat zijn lezers die zouden herkennen?), die te maken hebben met stijl, met cultuurhistorische en filosofische  achtergronden, soms ook met psychologie.

Over sommige van de teksten die me dierbaar zijn (bijvoorbeeld De consolatione Philosophiae van Boëthius, begin zesde eeuw, door mij vertaald als Troost in filosofie) bestaat een hele bibliotheek aan secundaire literatuur, en die moet je dan dus lezen. Dat is meestal leuk (tenzij een geleerde maar wat raak zwetst, wat helaas weleens het geval is), én tijdrovend. Over andere werken is nog weinig geschreven, dan moet je het hebben van je eigen inventiviteit.

In de praktijk levert het onderzoek dus vaak een gepubliceerde vertaling op, hier en daar een lezing op een conferentie, en zo eens in de zoveel tijd een academisch artikel. Voordat ik in 2025 met pensioen ging aan de Universiteit van Amsterdam, gebruikte ik mijn onderzoek ook wel bij onderwijs aan studenten, die vaak heel zinnig commentaar hadden. En ik betrok studenten bij mijn vertaalprojecten: nuttig en leerzaam voor beide partijen.

Wat is de voornaamste hindernis bij uw onderzoek?
Ik ervaar bij het onderzoek zelf eerlijk gezegd weinig hindernissen. Zeker, vaak weten we heel weinig van de omstandigheden waaronder een auteur werkte, soms is het moeilijk te bepalen wat de correcte tekst moet zijn omdat de handschriften gebrekkig zijn overgeleverd, en woordenboeken bieden vaak geen uitkomst. Maar het gebrek aan hard bewijsmateriaal geeft juist veel vrijheid: je kunt er je intellectuele creativiteit op botvieren.

Het is een groot goed dat het overgrote deel van de Griekse en Latijnse teksten uit Oudheid en Middeleeuwen inmiddels gedigitaliseerd is, maar dat geldt niet voor de wat oudere academische studies – en in mijn vakgebied kan een publicatie uit 1913 net zo waardevol zijn als een boek uit 2026. Zonder goede bibliotheek kom je dus nergens.

Er bestaat wel een hindernis als het gaat om publiceren. Ik zoek graag naar onconventionele invalshoeken, en peer reviewers weten daar soms geen raad mee: ik val buiten de mainstream. Toch lukt het uiteindelijk bijna altijd om een artikel gepubliceerd te krijgen. Mijn laatste worsteling betrof een lang artikel (bijna 14.000 woorden) waarin ik geprobeerd heb Boëthius’ werk vanuit Freudiaans perspectief te bestuderen. Heel speculatief natuurlijk, maar het zou wél een ander licht op de Consolatio kunnen werpen. Na de nodige aanpassingen verscheen het artikel dan toch bij het Gentse tijdschrift Jolcel (online, open access).

Toen ik nog niet gepensioneerd was, had ik geen volledige baan, bovendien maakte ik geen deel uit van onderzoeksprojecten waaraan ook andere onderzoekers deelnamen. Tot op zekere hoogte was (en ben) ik dus een vrije jongen en kon (kan) ik doen waar ik zin in heb. Ik hoef niemand na te praten.

Hoe vergoot dit welk inzicht?
Ik ben een groot voorstander van onderzoek dat plaatsvindt omdat de onderzoeker iets domweg interessant vindt. Niet alles hoeft relevant te zijn, liever niet zelfs. Desondanks geloof ik dat het vertalen en interpreteren van minder courante literaire werken de horizon van hedendaagse lezers kan verbreden. Verder ben ik ervan overtuigd dat veel Griekse en Latijnse auteurs inzichten, maar ook literaire vormen, te bieden hebben waar we iets mee kunnen. Quintilianus, Synesios, Boëthius, Bernard Silvestris en Andreas Capellanus stellen, in werken met een hybride vorm, vragen over vrijheid, manipulatie, de structuur van de kosmos, de zin van het schrijven en de waarde van liefde – allemaal kwesties die iedere generatie opnieuw van belang zijn. Juist waar de antwoorden in hun teksten vreemd en onbevredigend lijken, zetten ze ons aan het denken.

Een voorbeeld: in Boek 5 van zijn Consolatio bespreekt de neoplatonist Boëthius het verschil tussen Gods eeuwigheid, die tijdloos is, en het domein van de tijd waarin de mens zich bevindt. Interessant genoeg is de status van de tijd ook onder hedendaagse fysici omstreden – er zijn zelfs kwantumfysici die de ervaring van tijd als een illusie beschouwen. De Duitse fysicus Heinrich Päs (in The One. How an Ancient Idea Holds the Future of Physics, Londen 2023) gebruikt inzichten van Parmenides, Plato en Plotinos om de kwantumwereld te interpreteren. Vanzelfsprekend kun je moderne fysica niet één-op-één met antieke filosofie verbinden, maar de problematiek die Boëthius aanroert blijkt dus geenszins verouderd te zijn, en door zijn werk vanuit kwantumfysisch perspectief te bekijken, ga je scherper zien wat we onder tijd verstaan.

Welk boek over uw onderwerp zou eigenlijk iedereen moeten lezen?
Een boek waarbij ik al een halve eeuw steeds terugkom, is Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter van Ernst Robert Curtius. Na zijn verschijning in 1948 is het altijd een verrukkelijk standaardwerk gebleven. Weliswaar staan de Middeleeuwen, en dan vooral die in West-Europa, centraal, maar in feite biedt Curtius een complete geschiedenis van de literatuur en filosofie van Homeros tot Goethe. Zelfs wie het niet helemaal leest, kan zijn voordeel doen met de goede inhoudsopgave en het uitvoerige register. Het is ook vertaald in het Engels.

Is er iets wat u zelf nog kwijt wilt?
Ik gun het iedereen om grondige kennis te hebben van een oude taal, of dat nu Grieks of Latijn is, Akkadisch of Sanskriet, Hebreeuws of Oud-Iers. Het kost jaren om zo’n taal te leren en de bijbehorende literatuur een beetje te overzien, maar je bouwt er een binnenwereld mee op die niemand je kan afnemen. En het grote voordeel is ook dat je er in de loop van je leven (totdat je gaat dementeren) alleen maar beter in kunt worden, zodat het klimmen der jaren een groot genoegen blijkt te zijn.

***

Classicus Piet Gerbrandy (1958) doceerde tot voor Klassiek en Middeleeuws Latijn aan de Universiteit van Amsterdam. Van zijn vertalingen zijn, naast de Troost in filosofie van Boëthius ook de hymnen van Synesios van Kyrene (meer) en de Orfische Argonautika (meer) nog leverbaar, en ook enkele essaybundels. Een overzicht van de rubriek “zes vragen” is daar.

Deel dit:

3 gedachtes over “Zes vragen aan Piet Gerbrandy”

  1. Ben Van Aarle

    Eens met Marien Grashoff bovenstaand: Gerbrandy geeft haarfijn aan waar goede wetenschap om draait. “Ik ben een groot voorstander van onderzoek dat plaatsvindt omdat de onderzoeker iets domweg interessant vindt.”

Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.