Archeoloog in Soedan (4)

Het opgravingshuis
Het opgravingshuis

[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, een van de medewerkers van Livius maar momenteel als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier; dit keer – in een stukje geschreven op 21 december – vertelt hij over zijn dagelijkse werkzaamheden.]

Bij archeologie denkt men vaak aan geleerd doende mensen die met oeverloos geduld bodemschatten schoon kwasten. Iemand die in Nederland wel eens een opgraving heeft bezocht zal wel genezen zijn van dit beeld en hebben gezien dat archeologie gepaard gaat met veel regen, modder, laarzen, grote schoppen, en graafmachines. Daarnaast zal deze persoon ook wel begrijpen dat de bodemschatten toch voor het merendeel bestaan uit nogal onooglijke stukjes aardewerk. Het beeld van projecten in verre landen is vaak nog iets exotischer. Men verwacht dat de bodemschatten spectaculairder zijn en dat we op een constante spanningsboog zitten van nieuwe ontdekkingen. Maar, helaas, ik kan u vertellen dat archeologische opgravingen in landen zoals Soedan een veel lager Indiana Jones-gehalte hebben dan veel mensen hopen. We vinden wel meer dingen, en vaak ook beter geconserveerd, en zelfs het kwastje komt wel eens tevoorschijn, maar het merendeel van het werk is monotoon, en het merendeel van de vondsten onooglijk.

De dag begint met de dageraad. Rond half 7 staan we op, hebben we een kop thee, en tegen 7 uur vertrekt het veldteam naar de site. Ik blijf meestal achter in het opgravingshuis om vondstmateriaal te verwerken. Dit bestaat uit het tellen, opmeten, en wegen van de vondsten en dit documenteren. Ik ben vooral bezig met het aardewerk, wat inhoud dat ik tegelijk een rudimentaire catalogus opmaak van alle aangetroffen aardwerkvormen, kleimageringen, en decoratiewijzen (en motieven). De vormen maak ik ook schaaltekeningen van. De bedoeling is dat deze veldcatalogus gekoppeld wordt aan eerder uitgevoerd aardewerkonderzoek, gepubliceerd door Isabella Welsby Sjöström. Tegen een uur of een komt het veldteam terug en hebben we lunch. Tot een uur of vier hebben we dan vrij, bijvoorbeeld om dagboeken bij te houden, waarna we weer tot zes uur werken. Tegen een uur of zeven is het alweer donker, hebben we avondeten, en rest ons weinig dan naar bed te gaan.

Wat het werk in dit soort landen uitdagend maakt is voornamelijk het klimaat. Het klimaat is vijandig tegenover de meeste spullen en wezens die zich erin begeven. De temperatuurwisselingen zijn vrij fors tussen dag en nacht, maar het vervelendste is het fijne zand, dat werkelijk overal in gaat zitten (en menig apparaat weet te verwoesten). Een behoorlijk deel van onze tijdsbesteding is gewijd aan huishoudelijke taken die essentieel zijn voor onze gezondheid. Zo onderhouden we bijvoorbeeld dagelijks onze watervoorraad, en proberen we de filters dag en nacht te laten werken, zodat we altijd voldoende (drink-)water op voorraad hebben. Daarnaast proberen we elkaar op de hoogte te houden van lichamelijke ongemakken, om eventuele ziektes of letsels voor te blijven. Een zonnesteek of ernstige verbranding is niet moeilijk op te lopen hier (vooral voor de veldmensen).

Veel andere zaken hebben we uitbesteed: bijvoorbeeld de vrouwen uit de omgeving doen onze was (maar niet ons ondergoed), en hebben we een kok ingehuurd, die overigens werkelijk fantastisch kan koken. Toch worden de dagen regelmatig onderbroken door tal van kleine praktische zaken, of simpelweg eigenaardige klusjes die onmiddellijke aandacht vragen. Zo hebben we al een band kunnen vervangen van de Landrover, hebben we geïmproviseerde elektrabedrading aan gelegd, waslijntjes gespannen, een wilde hond verjaagd (of eigenlijk lelijk laten schrikken), etc. Vervelen hoef je je hier niet.

Ik laat het bij deze beschrijving van onze dagelijkse beslommeringen, de volgende keer zal ik weer eens wat vertellen over H25.