De studenten die in de Late Middeleeuwen aan de Sorbonne filosofie studeerden, kregen een reeks teksten te lezen, waaronder een forse hoeveelheid Aristoteles. Omdat er veel studenten waren, waren er dus ook veel boeken, en zo komt het dat we ruim tachtig kopieën hebben van het traktaatje dat bekendstaat als De overstroming van de Nijl. Tachtig handschriften is heel veel.
Helaas is de Griekse tekst, op een citaat in een fragment op een papyrus uit Oxyrhynchos na, verloren gegaan, maar dat vormt niet het laatste woord. Aan de hand van enkele specifieke vertaalkeuzes is vast te stellen dat de Latijnse vertaling is gemaakt door Willem van Moerbeke (1225-1286), wiens vertaalprincipes bekend zijn: hij wilde niet alleen de inhoud weergeven, maar liefst ook de Griekse zinsopbouw, zelfs als de weergave daarvan slecht Latijn opleverde. Dat betekent dat onbegrijpelijke stukken Latijn weleens begrijpelijker worden als je bedenkt wat er gestaan zou kunnen hebben in het Grieks.
Een danser uit Meroë (Staatliche Sammlung für Ägyptische Kunst, München)
Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: verbeteringen aan deze blog, een niet-zo-doorbraak met artificiële intelligentie (of eigenlijk: twee), klimaatverandering en een open access-boek.
***
Deze blog
U heeft het misschien al ontdekt: Kees Alders, die de techniek van de Mainzer Beobachter doet en ook allerlei dingen weet over antieke filosofie, heeft een leuk speeltje gebouwd voor deze blog. Het is de tijdlijn-pagina, die u hier vindt, en die u in staat stelt wat te grasduinen.
Nu ik toch even bezig ben met wat meer persoonlijke zaken: ik mocht een interview geven over mijn boek over de geschiedenis Libanon. U kunt het vraaggesprek daar lezen. En hier, daar, daar en daar zijn recensies. Wat mij betreft mag u het boek verder ongelezen laten, zolang u het maar koopt, want de opbrengst gaat via Cordaid naar Libanon.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer slecht en goed nieuws.
Roof
Eerst slecht nieuws: zoals bekend woedt in Soedan, het antieke Nubië, een burgeroorlog. Een paar dagen geleden heroverde het leger delen van Khartoum op de rebellen, en daarbij is het Nationaal Museum voor de tweede keer geplunderd. Het doet wat denken aan de plunderingen in de Egyptische stad Malawi en in het nationaal museum in Bagdad, waarvan bekend is dat kunsthandelaren in de stad aanwezig waren om zorg te dragen voor een snelle heling.
Een kopje met drie gezichten (Musée du Quai Branly, Parijs)
Het NRC Handelsblad publiceerde dit weekend een interview met Zenab Badawi, auteur van An African History of Africa, dat ik al eerder vermeldde. Ik had in dat interview wat kritischer vragen verwacht. Badawi is namelijk wél geïnteresseerd in het verleden, maar haar boek wemelt van de slordigheden en redenatiefouten. Eén daarvan staat in geschiedenisjargon bekend als naïef positivisme: de aanname dat geschreven bronnen én accuraat én representatief zijn. De meeste mensen herkennen wel het eerste probleem (de bevooroordeeldheid van deze of gene bron), maar niet het tweede (de incompleetheid). Badawi is zo iemand. Ze volgt datgene waarover ze informatie heeft en schept zo een verhaal over het verleden, maar het verhaal is niet representatief voor het geheel. Sta me nog een jargonterm toe: An African History of Africa is, hoe sympathiek ook, niet objectadequaat. Een journalist mag daar best vragen over stellen. Je bent een krant hoor.
De Nok-beschaving
Een van de onderwerpen die Badawi overslaat, is de Nok-beschaving. Voor wie deze blog leest omdat ’ie belangstelling heeft voor de Oudheid: Hanno, de Karthaagse zeeman die een ontdekkingsreis maakte langs de westkust van Afrika, had daarmee contact toen hij de monding van de Niger passeerde. Het is ook een van de gebieden waarover W. F. G. Lacroix zijn mooie boek Africa in Antiquity schreef, waarin hij aantoonde dat de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios betrouwbare informatie weergaf, gebaseerd op de mondelinge tradities waar een zeeman aan de monding van de grote rivieren kennis van kon nemen.
De Nok-cultuur wordt meestal door middel van thermoluminescentie gedateerd tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr., met een “aanloopfase” waarover ik het nog zal hebben. Ze is dus even oud als de Nubische culturen van Napata en Meroë. Een respectabele context, zou je zeggen, maar Nok wordt doodgezwegen. En niet alleen door Badawi, hoewel die zegt het “complete verhaal” te willen vertellen.
De Duitse deelstaat Beieren is bezig zijn oudheidkundige collecties te reorganiseren: het Pompejanum in Aschaffenburg, het fenomenale Keltenmuseum in Manching, het archeologisch park van Kempten en de musea van Würzburg, Augsburg, Weissenburg en München. Het is in die laatste stad dat ik dit nu zit te schrijven, want ik ben hier om de diverse musea te bekijken. Ik was hier in 2012 voor het laatst en er is nogal wat veranderd.
Koning Lodewijk I (r.1825-1848) was een van de grootste filhellenen die de wereld ooit heeft gezien en spaarde kosten noch moeite om Beieren een Grieks uiterlijk te geven. Hij bouwde het Walhalla bij Regensburg, de Befreiungshalle in Kelheim en schonk München de Antikensammlung met de Glyptothek aan de Königsplatz. Koning Lodewijk had ook nog een zoon die koning werd in Griekenland, Otto I. De relatie tussen beide gekroonde hoofden deed de gestage aanvoer van Griekse oudheden uiteraard geen kwaad. München is dus een paradijs voor wie belangstelling heeft voor Griekse en andere oudheden.
Vorige maand fietste ik van Lanaken naar Tongeren en kwam ik door Vlijtingen, een dorpje even benoorden Riemst, dat op zijn beurt ligt aan de Chaussée Brunehaut, de grote weg tussen Tongeren en Maastricht. De naam Vlijtingen zei me iets, maar het wilde me maar niet te binnen schieten. Nu ineens realiseer ik me dat het bovenstaande hoofdje daar is gevonden. Het is een centimeter of 15 hoog en is te zien in het Gallo-Romeins Museum.
Balsamarium
Het is niet zomaar een hoofdje maar een zogeheten balsamarium, een bronzen potje voor geurige zalf of olie. Het moet afkomstig zijn uit een van de vier nabijgelegen Romeins landgoederen en wordt volgens het bordje in het museum gedateerd in de tijd tussen pakweg 90 en 300. En het stelt iemand voor uit Nubië, herkenbaar aan het kapsel. De twee hoorntjes die daar bovenuit lijken te steken, zijn eigenlijk de oren van het vaasje. Daar tussen ligt, als de kruin op het hoofd, het dekseltje.
Ik blogde gisteren al over de Nijl, de grootste rivier uit de oude wereld, en beschreef toen de loop vanaf de bronnen tot aan de zee. Vandaag wat andere aspecten.
Overstroming
Zowel de Blauwe Nijl als de Atbarah, die ik gisteren noemde, ontspringen in het hoogland van Ethiopië, waar in de vroege zomer zware moessonregens vallen. Dit water stroomt noordwaarts en veroorzaakt de beroemde, vijf maanden durende overstroming van de Nijl. De oude Egyptenaren vergeleken deze vloed met de chaos van de oertijd.
Omdat ze de bronnen van de Nijl niet kenden, vroegen Griekse bezoekers zich af wat de oorzaak van dit fenomeen kon zijn. Herodotos noemt verschillende theorieën. Dat de noordenwind het water terugblaast, zoals Thales van Milete had beweerd, was onzin:
Ik heb de laatste tijd geblogd over antieke rivieren en rond vandaag en morgen af met de grootste van de oude wereld: de Nijl. Enigszins afhankelijk van de wijze waarop je de lengte berekent, is de 6850 kilometer lange stroom de langste rivier op deze planeet of de langste na de Amazone. Als je kijkt naar het afwateringsgebied, heel noordoostelijk Afrika dus, hoeft de Nijl alleen de Amazone en de Congo voor zich te laten.
Noordelijk Afrika bestaat grotendeels uit de onherbergzame Sahara. Als de Nijl geen vruchtbare corridor zou bieden door deze dorre zone, zou het vrijwel onmogelijk zijn om te reizen vanuit Sub-Saharisch Afrika naar het Middellandse Zeegebied of het Nabije Oosten. De Nijl is daarom een cruciale verbindingsweg en dat maakt het verleden van Nubië en Egypte tot het collectieve verleden van de gehele mensheid.
Voor piramiden hoef je niet per se naar Egypte want ook in Nubië, zoals Soedan ooit heette, bouwde men zulke grafmonumenten. Ze worden echter bedreigd door erosie en daarom is een groot reddings- en onderzoekproject gaande. Het geld daarvoor komt nu eens niet voor het grootste deel uit the Global North, maar uit Qatar.
Culturele noodhulp
De Qatari kregen het idee voor de noodhulp in 2009, toen ze bij UNESCO in Parijs op bezoek gingen om de archeologische vindplaats Zubarah als hun eerste kandidaat voor de Werelderfgoedlijst te presenteren. Op dat moment werd herdacht dat vijftig jaar eerder dankzij internationale hulp de door de bouw van de Aswandam bedreigde Egyptische oudheden (zoals de tempel van Abu Simbel) waren gered. Hierdoor geïnspireerd besloot het rijke Qatar ook ergens culturele noodhulp te gaan geven.
Amasis is de bekendste farao uit de Zesentwintigste Dynastie (Neues Museum, Berlijn)
Wat grappig: ik heb nog nooit geblogd over de Zesentwintigste Dynastie, die van 664 tot 525 v.Chr. heerste over Egypte. En dat terwijl ik wel heb geschreven over de daaraan voorafgaande dynastie, de Nubische of Vijfentwintigste. Ook heb ik al geblogd over enkele min of meer belangrijke Egyptenaren uit deze tijd, zoals Wahibre-em-achet, Taparet, Peneptah en Wedjahor-Resne. Het grote plaatje heb ik echter nooit geschetst. Tijd dus om iets te corrigeren.
Eerst even wat er voorafging: de Nubiërs hadden Egypte onderworpen en waren vervolgens beland in een conflict met de Assyriërs. Hun koning Esarhaddon had in 671 v.Chr. Egypte veroverd en de Nubische farao Taharqo zuidwaarts verdreven. Vervolgens had de Assyriër gouverneurs aangesteld, die hij rekruteerde uit de Egyptische elite. Toen was Esarhaddon overleden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.