Geschiedenisliefde

Waar het idee van een "Romeinse" groet vandaan kwam
Waar het idee van een “Romeinse” groet vandaan kwam

Ik herinner me niet hoe mijn contact met de Dordtse mediëvist Henk ’t Jong tot stand is gekomen. Misschien was het een reactie op een van de wederzijdse blogs – dit is de zijne – of misschien was het via Facebook of misschien was het gewoon een keer een belangstellend mailtje. Hoe dan ook, de man staat al een tijdje op mijn radar als iemand met een hartstochtelijke liefde voor de Middeleeuwen. Ooit bezig met levende geschiedenis, is hij nog altijd actief als heraldicus en historisch adviseur.

Eén van de dingen die ons verbindt is dat we ons storen aan vermijdbare historische onjuistheden. Voor het goede begrip: onjuistheden zijn altijd onvermijdelijk want over het verleden weten we nu eenmaal meer niet dan wel. Zelfs over de twintigste eeuw: hoewel bekend is wie “Deep Throat” was en we beschikken over getuigenverslagen, memoires en geluidsopnamen, is over Watergate nog altijd veel onduidelijk. Dat geldt a fortiori voor de Middeleeuwen, de Oudheid en de Prehistorie. Het meeste weten we niet. Soms weten we dingen echter wel en dan is het ergerlijk als het zonder goede reden verkeerd word getoond of uitgelegd.

Om een simpel voorbeeld te geven: in veel films over het Romeinse Rijk salueren mensen zoals de Nazi’s dat deden. Dat gaat terug op een beroemd schilderij van David; er is voor dit idee geen enkele basis in de Latijnse, Griekse, Hebreeuwse en Syrische bronnen over het Romeinse Rijk en er is ook geen enkele antieke afbeelding die het zo toont. Het is niet supererg maar ondertussen kleeft er wel een nare associatie aan het Romeinse Rijk, die ook blijft hangen. (Geloof me, ik ben wel eens geïnterviewd over deze gelijkstelling.) Mij stoort het, want de film wordt niet slechter, ontoegankelijker of minder spannend door het wél goed te doen.

Niet dat Henk of ik niet zou begrijpen dat een filmmaker, romanschrijver of striptekenaar soms geen redenen zou hebben om de waarheid wat naar zijn hand te zetten, maar als het niet nodig is, moet je het niet doen. Waarbij je dan een boom kunt opzetten over de vraag wanneer iets wel of niet nodig is. Ik vind bijvoorbeeld de huisstijl van mijn schooltje een toegestaan lokkertje dat duidelijk maakt dat er geschiedenisonderwijs wordt gegeven, Henk zou liever iets zien volgens de regels der heraldiek.

Tot vandaag hadden we elkaar niet ontmoet, maar donderdag werd onze Facebookvriendschap dan toch omgezet in een contact in real life. Een paar koffie bij Engels in Rotterdam, met uitzicht over de stad, en een gesprek over – onder meer – de vraag waarom informatie over het verleden vaak zo belabberd is. Het is makkelijk bronnen van desinformatie te benoemen, maar zo’n bron kan uitsluitend doorgaan met het laten opwellen van modder als mensen het niet erg vinden. Of als ze modder niet herkennen als modder.

Ons gesprek cirkelde naar het middelbaar onderwijs. Geen kwaad woord over de docenten, dat moet vooropstaan, maar Henk denkt dat de schoolboeken beter kunnen. Ik kon vertellen wat elke oudhistoricus zal vertellen, namelijk dat leraren klassieke talen vaak achterhaalde ideeën reproduceren omdat ze op de universiteit onvoldoende oude geschiedenis hebben gehad.

Betere lesmethoden zouden een oplossing kunnen zijn, en er zijn voldoende leerkrachten die ook wel willen, maar een nieuwe methode is nog niet zo 1-2-3 gemaakt. Daarbij spelen twee problemen: dat een uitgever een alleszins reëel belang heeft de kosten te drukken en dat niet iedereen dezelfde grens trekt tussen vereenvoudiging en oververeenvoudiging. We zullen dus nog wel even in de situatie verkeren dat een leraar een schoolboek gebruikt en van tijd tot tijd de kinderen vraag voorlegt “wat hier staat, wat denken jullie, zou dat waar zijn?”

Maar toch, je mag nadenken over de vraag hoe het eigenlijk zou moeten. Dan kom je er al snel op uit dat voor kinderen de eerste kennismaking met het verleden een kennismaking is met het regionale verleden. Willen we jonge mensen echt bereiken, dan zou er eigenlijk voor elke provincie een geschiedenisboek moeten zijn.

Onmogelijk is dat niet. Het moet mogelijk zijn lespakketten samen te stellen met de informatie die al per regio is te vinden, aangevuld met wat regionale erfgoed-instellingen kunnen leveren. Dat zal aanvankelijk wat tijd en moeite kosten, maar daarna heb je er ook voor jaren gemak van en het is, wanneer er wat nieuws verschijnt, vrij makkelijk aan te passen. Dat is immers een van de voordelen van de nieuwe media. Daar moet dan natuurlijk wel iemand op zitten, maar dat zou bijvoorbeeld in een archief of museum kunnen gebeuren.

We spraken er ook over dat de universiteiten een actievere rol zouden kunnen spelen. Voorlichting is gewoon een wettelijke taak, de universiteiten krijgen er geld voor en voorlichting staat in de taakomschrijving van elke medewerker, maar er gebeurt erg weinig. Het voornaamste resultaat is dat menigeen denkt dat je zonder scholing kunt bijklussen als historicus, zodat de vraag opkomt wat de meerwaarde eigenlijk is van een vakopleiding.

En dat terwijl er zoveel liefde is voor de geschiedenis. Het is betrekkelijk makkelijk kinderen een liefde voor het verleden bij te brengen. Dat kan door “middeleeuwse” muzikanten in de klas, het kan door het aanraken van echt oude voorwerpen, het kan door verhalen van een grootvader over de Tweede Wereldoorlog en het kan doordat oma de kleinkinderen een oud recept laat maken. Kinderen vinden plaatselijke historische musea vaak geweldig, al helpt goede uitleg. In elk geval: de historische ervaring is de sleutel.

Iedereen heeft goede herinneringen aan de sensatie die je als kind onderging, dat het vroeger anders was. Geen vak dat zo geliefd zou kunnen zijn, en toch verdampt tijdens het middelbaar onderwijs de belangstelling, zodat geschiedenis een van de vakken is die kinderen “laten vallen”. Aan de inzet van de betrokkenen ligt het zeker niet, maar het is jammer dat twintigers en dertigers nauwelijks belangstelling hebben voor het verleden, hoewel kinderen die wel hebben. Ze keert pas terug als mensen zelf een beetje verleden krijgen.

Toen ik naar Den Haag terugspoorde, bedacht ik dat het wel eens kon liggen aan de voorgeschreven richting van het onderwijs: het moet gaan over hekserijprocessen, over de wortels van de democratie of over slavernij. Momenteel allemaal belangrijke thema’s, maar misschien is dat wel het probleem: het zijn momenteel belangrijke thema’s. Ze beroven je van de ervaring van vreemdheid die je als kind zo boeide.

4 gedachtes over “Geschiedenisliefde

  1. MB

    Als docent klassieke talen maak ik ongetwijfeld ook fouten, maar ik hoop dat ik het niet zo bont maak als dat geschiedenisboek voor vwo-havo 1 dat ik ooit zag, waarin, naast talloze andere fouten over de oudheid, Julius Caesar de eerste keizer van Rome werd genoemd. Niet alleen classici krijgen te weinig oude geschiedenis aan de universiteit ….

    1. Het is inderdaad nogal droevig gesteld met het hoger onderwijs. De noodzakelijke tijd om een classicus, archeoloog of oudhistoricus adequaat op te leiden is zeven à acht jaar. Sinds 1982 moet het in vier. Ik zal niet beweren dat de huidige generatie half zo goed is, maar ze kan zeker minder: archeologen leren geen Latijn meer, classici krijgen geen geschiedtheorie.

  2. Dirk

    De methode wereldoriëntatie die wij gebruiken in het lager onderwijs voorziet voor de lessen geschiedenis (o.a. het scheppen van een chronologisch kader) in principe minder dan een maand. De onderwijsinspectie zal het bovendien maar matig appreciëren dat ik het woord geschiedenis gebruik.

  3. mnb0

    “Voorlichting is gewoon een wettelijke taak”
    Ja. Ik denk dat dit het belangrijkste is en dan, we komen er niet onderuit, vooral via internet. Er zijn Amerikaanse professoren die hun studenten verplichten een tijdlang een blog te onderhouden, waarin ze verslag doen over de voortgang van hun onderzoek.
    Een website waar iedere prof in Nl. verplicht is twee keer per jaar een stukkie te schrijven met mogelijkheid tot commentaar zou geweldig zijn.

Reacties zijn gesloten.