School van de Namen (5) Gongsung Long

Twee al dan niet witte paarden (Han-dynastie; Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de Chinese filosofische stromingen. Een inleiding was hier. Na een introductie, het Confucianisme en het Mohisme zijn we nu toe aan de zogeheten “School van de Namen”. Het eerste was hier.]

Wist je dat ieder mens drie oren heeft? Een rechteroor, een linkeroor, en … oren.

Slechte grap? Neem het me maar niet kwalijk, ik verzin hem niet zelf. Met dit soort redeneringen hield Gongsun Long zich bezig, de laatste filosoof die ik zal behandelen van de School van de Namen. Gongsun Long was dol op het verdedigen van onmogelijke stellingen: een sofistische oefening in debatkunst.

Zijn talent om de wereld op zijn kop te zetten zette hij ook in voor nuttige zaken. De koninkrijkjes Qin en Zhao hadden een verdrag gesloten waarin ze elkaar beloofden elkaar altijd te ondersteunen bij al hun ondernemingen. Maar toen Qin de staat Wei wilde binnenvallen, wilde Zhao het land juist sparen, en eventueel zelfs Wei te hulp schieten. De koning van Zhao kreeg een briefje met zoiets als:

Collega. Wij willen Wei binnenvallen, en jullie steunen ons niet. Dat was niet de afspraak. Groetjes, de koning van Qin.

De koning van Zhao vroeg Gongsun Long om advies. Die bedacht een tegenbriefje met deze strekking:

Amice. Wij willen Wei sparen, en jullie steunen ons niet. Dat was niet de afspraak. Kusje, de koning van Zhao.

Wie was Gongsun Long?

Gongsun Long (verouderde spelling Kung-sun Lung) leefde ca. 320-250 v.Chr, dus net een stukje later dan Hui Shi, Song Xing en Yin Wen. Hij had geen officiële functie, maar adviseerde aan het hof van de noordelijk gelegen staat Zhao. Zijn flauwe grappen over mensen met drie oren werden daarbij kennelijk door de vingers werden gezien.

Hoewel hij tegen oorlog was, is de connectie met de mohisten twijfelachtig. Niet iedereen die vrede wil moet ook gelijk mohist zijn. In de Periode der Strijdende Staten hadden vast meer mensen hun buik vol van oorlog.

Van al zijn teksten is maar één werk van zes hoofdstukken bewaard gebleven, de Gongsunglongzi . Het eerste hoofdstuk van is een latere toevoeging, en bevat een aantal anekdotes over zijn leven. Een paar andere hoofdstukken zijn hoogst waarschijnlijk middeleeuwse vervalsingen die met Gongsun Long weinig te maken hebben. Er blijven drie interessante stukjes tekst over:

Een wit paard is geen paard

Het bekendst is een dialoog waarin de stelling wordt verdedigt dat een wit paard geen paard is. Absurd? Totdat je het als wiskundige vergelijking schrijft:

Wit paard ≠ paard

Dit klopt, toch? Gongsun Long doet met woorden hetzelfde. In drie argumentaties laat hij zien dat het ene niet hetzelfde is als het andere.

Maar hier trap je als lezer in de val: je gaat mee in de aanname dat de vergelijking twee kanten op gaat, een non sequitur. Uit “een wit paard is een paard” volgt niet: “een paard is een wit paard”. De truc werkt beter in het Chinees, omdat het Chinees geen lidwoorden kent.

Hiermee daagt Gongsun Long ons uit na te denken: verwijzen woorden als “wit” en “paard” naar dezelfde werkelijkheid, of creëren ze verschillende categorieën, en kunnen ze dus niet naar hetzelfde verwijzen?

Wit en hard zijn gescheiden

Een andere dialoog in de tekst die niet rechtstreeks van Gongsun Long zelf lijkt te komen maar wel dichtbij zijn eigen gedachten moet staan gaat over “hard” en “wit”.

Ik zie een steen, en die steen is wit. Ik zie de steen door zijn witheid. Ik voel een steen en die steen is hard. Ik voel die steen door zijn hardheid. Ter illustratie: voor een blinde man is de steen alleen maar hard, en voor een man die niet kan voelen is de steen alleen wit.

Gongsun Long stelt vervolgens dat het onzin is om te zeggen dat je een harde witte steen als drie dingen waarneemt: hard, wit en een steen. Immers, als je de hardheid en de witheid van de steen wegneemt, kan je hem niet meer waarnemen. Je neemt dus niet drie maar twee dingen waar: hard en wit, en geen steen.

Ironisch genoeg lijkt dit argument zijn eerdere drie-oren-redenering te weerleggen. Want wie “oren” ziet, ziet niet tegelijkertijd twee gescheiden oren, toch? Het is als met die bekende optische illusie: je ziet in het plaatje óf een dame, óf een heks, maar nooit beide tegelijkertijd.

Optische illusie: heks en dame

Hoe dan ook, de conclusie van de dialoog over hard en wit kan zijn dat de wereld is doortrokken van fundamenteel gescheiden eigenschappen. Er zijn wellicht niet eens objecten, alleen maar eigenschappen, en het is maar toeval of die samenvallen of niet. Of deze conclusie van Gonsung Long zelf is, is omstreden.

Over aanwijzen, en dingen die aangewezen worden

Een derde stukje tekst wordt wel weer direct aan Gongsun Long toegeschreven. Het is geen dialoog, maar een aantal stellingen over “aanwijzen”. Geen enkele oude Chinese tekst levert zoveel discussie op over de betekenis dan deze tekst.

De tekst stelt: om iets te benoemen, is er een aanwijzer nodig. Maar wat is een “aanwijzer”? Het concept is problematisch. Er bestaan geen typische “aanwijzers” in de wereld.

Volgens sommigen doelt de tekst met “aanwijzers” op ideeën of concepten. In de werkelijke wereld zouden concepten volgens deze tekst dus niet werkelijk-bestaand zijn. Toch gebruiken we ze om de wereld om ons heen te begrijpen. Dat is paradoxaal.

In een andere interpretatie is de kern van het argument dat dingen in de wereld om ons heen zich definiëren door hun verschillen met andere dingen. De wereld als geheel echter omvat alles, en kan dus niet in contrast staan met iets anders – er is immers niets buiten de wereld. Daarmee is ze dus niet aanwijsbaar. Maar als het allesomvattende onaanwijsbaar is, hoe kunnen we dan de dingen waaruit het bestaat aanwijzen? De tekst zet ook dat op losse schroeven, en daarmee het hele ‘kennen’. Deze interpretatie doet denken aan de eerste stelling van de tien van Hui Shi, die we de vorige aflevering ontmoetten.

Een grap duurt maar zo lang als hij leuk blijft

Gongsun had een aantal bekende aanvaringen met Kong Chuan, een late nazaat en volgeling van Confucius. Kong Chuan wilde Gongsuns leerling wel worden, als hij die onzin met dat witte paard maar liet varen. Gongsun wees hem daarop af, want dat witte-paardargument was juist de kern van zijn leer!

Bovendien, zei Gongsun, snapte je voorvader Confucius het argument wél: hij maakte immers bezwaar toen de koning van Chu, die een boog had verloren, zei dat een man uit Chu hem wel zou vinden, en verbeterde hem: “zeg dan: een mens zal mijn boog vinden”. Als jouw voorvader al een onderscheid maakte tussen een mens en een man uit Chu, waarom mag ik dan geen onderscheid maken tussen een paard en een wit paard?

Een verwarrend argument, en al helemaal omdat we de oorspronkelijke tekst van Confucius die hier wordt aangehaald niet kennen. Maar Gongsun Long lijkt nu weer de zaken slim om te draaien in zijn voordeel, want zegt Confucius hier eigenlijk niet juist dat een man uit Chu gewoon een mens is, zoals een wit paard ook een paard is?

Terugkomend op die grap met die oren: met dit argument had Gongsun Long dezelfde Kong  Chuan flink in verlegenheid gebracht. Deze deed er een nacht over om te kunnen reageren, maar sloeg de volgende dag terug door over de verwarrende redeneringen heen te springen: Gongsun Longs retoriek klinkt overtuigend, maar daarmee is het nog niet waar. Ja, hij, Kong, had moeite zijn twee-orenstandpunt te verdedigen, toegegeven … maar mensen hebben nog steeds geen drie oren!

Koning Pingyuan van Zhao grijpt daarop in: hij raadt meester Gongsun Long aan om verder niet met Kong Chuan te redeneren. Sofisterijen zijn leuk, maar alle gekheid op een stokje, tegen waarneming en gezond verstand kunnen ze toch niet op!

Toen de denker Zou Yan van de School van Yin en Yang de staat Zhao aandeed, bekritiseerde hij Gongsun Longs redeneringen als loze woordspielerei. Hij kreeg van het publiek een open doekje, en Gongsun Long raakte uit de gratie.

Wat wilde Gongsun Long nou eigenlijk helemaal bereiken?

Deze vraag klinkt wanhopig, en dat is precies hoe veel commentatoren (en misschien ook jij en ik) op Gongsun Longs redeneringen reageren. Waar gaat dit heen?

De moderne Chinese filosoof Fung Yu-Lan, een niet te negeren autoriteit op het gebied van Chinese filosofie, weet het zeker: Gongsun Long was op het spoor van de Platoonse universalia. Ging het bij Hui Shi om relativiteit en veranderlijkheid,  Gongsun Long is het om het absolute en onveranderlijke karakter van namen te doen. Gongsun Long komt daarmee dichtbij het metafysische idee dat zaken als “hard” en “wit” op zichzelf staande volmaakte waarheden zijn, waarmee we de chaotische onvolmaakte wereld kunnen begrijpen.

Dit past bij oude interpretaties die stellen dat Gongsun Long de relaties tussen namen en dingen wilde herstellen. Een typisch confucianistisch streven.
Onzin, zegt Angus Graham, de andere autoriteit op dit gebied. Gongsun Long was geen platonist. Hij verkende alleen de relaties tussen namen en dingen, meer niet.

Interessant: het witte-paard-debat lijkt sterk op een stelling van Stilpon van Megara, die ongeveer in dezelfde tijd leefde. Stilpon vraagt: hoe kun je zeggen dat “een paard rent” als “paard” en “rennen” twee verschillende dingen zijn? Als je “paard” en “rennen” als afzonderlijke platonische vormen ziet, is het lastig uit te leggen hoe ze samenkomen in één paard. Daarmee toont hij een probleem met platonisme: hoe verbind je onveranderlijke vormen met veranderlijke dingen?

Hier wordt bijna exact hetzelfde voorbeeld dus gebruikt om juist een probleem met platoonse universalia aan te tonen. Puntje voor Graham?

Latere commentatoren hebben ook wel geopperd dat Gongsun Long vooral het traditionele taalmodel bekritiseerde, waarin ervan uitgegaan wordt dat een woord altijd correspondeert met een object, ongeveer zoals de late Ludwig Wittgenstein meer dan tweeduizend jaar later in zijn “Filosofische Onderzoekingen” zo’n zelfde taalopvatting van Augustinus zou aanvallen. Woorden corresponderen niet één op één met objecten: ze hebben heel andere functies. De late mohisten erkenden dit probleem, en stelden er zoals we zagen een ander taalmodel tegenover.

Weer anderen menen dat Gongsun Long vooral verwarring wilde zaaien. Of sterker nog: hij was gewoon bezig met een oefeningen in retorica, meer niet. Het verdedigen van absurde stellingen als dat een mens drie oren heeft en dat een wit paard geen paard is, dat was wellicht zelfs een vorm van entertainment, een geintje.

Als dat zo is, dan zijn het wel een heel geslaagde geintjes geweest, want het heeft mensen aardig bezig gehouden, en in veel teksten van filosofische scholen na Gongsun Long vinden we dan ook ijverig uitgewerkte bewijzen terug dat een wit paard toch echt een paard is.

Ere wie ere toekomt

De  filosofen van de zogeheten School van Namen riepen met hun absurde stellingen, paradoxen en neiging om alles op losse schroeven te zetten een hoop ergernis en verontwaardiging op. Net als de sofisten in Griekenland belandden ze in de geschiedschrijving van de Chinese filosofie meestal in het verdomhoekje. Toch brachten ze scherpte in het filosofische debat, en stimuleerden ze discussies over kennistheorie. De argumenten van Gonsun Long tonen aan dat taal en logica niet zo eenvoudig zijn als ze lijken. Met extreme voorbeelden dwong hij zijn publiek om kritisch na te denken over schijnbaar vanzelfsprekende aannames.

Zoals de vorige keer al opgemerkt: ook het relativisme dat de School van Namen inbracht is niet zonder invloed gebleken. Dat zien we in de komende serie. Daarin gaan we het gaan hebben over het taoïsme.

[Dank je wel Kees! Deze reeks zal worden vervolgd met andere wijsgerige stelsels van het oude China.]

Deel dit:
Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.