De Slavische volken (1) Inleiding

Een ram uit Jordanów in zuidelijk Polen, de regio waar rond 2000 v.Chr. het allervroegste Proto-Slavisch werd gesproken (Archeologisch museum, Wroclaw)

Waar komen de sprekers van de Slavische talen, zoals Russisch en Pools en Bulgaars, vandaan? Als u dacht dat de vraag naar de herkomst van de Germaanssprekenden lastig te beantwoorden was, met bronnen vol tegenstrijdige aanwijzingen, dan zijn de Slavischsprekenden een nachtmerrie, want bij deze vraag zijn er zelfs geen geschreven bronnen. Het enige dat we weten, is dat ze een Indo-Europese taal spraken, dat ze in de Oudheid ergens verbleven in oostelijk Europa, dat Byzantijnse auteurs in de zesde eeuw volksverhuizingen vermeldden en dat er in de Middeleeuwen koninkrijken ontstonden waarin Slavische talen werden gesproken en geschreven. Dat laat veel aan duidelijkheid te wensen over, maar laat onverlet dat er hypothesen mogelijk zijn en dat we kunnen aangeven welke waarschijnlijker zijn en welke minder waarschijnlijk.

Soorten samenleving

Maar eerst even dit: voordat er Slavische koninkrijken waren, leefden de Slavischsprekenden – wie dat ook waren – in stamverbanden, superfederaties en vroege staten. Dit zijn problematische categorieën, maar aangezien dit een blog is en niet de Jagiellonische Universiteit in Krakau, beperk ik me tot losse definities.

Een stam is een economisch eenvoudige, cultureel homogene en redelijk duurzame samenleving, gebaseerd op al dan niet gefingeerde familiebanden. Een superfederatie is een tijdelijke federatie van stammen onder een leider die charismatisch genoeg is om de talige en culturele verschillen tussen de deelnemende stammen te overbruggen. (Ik beschreef het hier al eens.) Voorbeelden zijn Attila’s Hunnen, de Avaren van Baian, en natuurlijk de Mongolen van Djengis Khan. Doorgaans valt zo’n superfederatie na de dood van de leider weer uit elkaar, waarna weer een herclustering plaatsvindt: op Djengis Khan volgde Timoer Lenk, en op hem volgde Özbeg Khan. Een vroege staat is een stamsamenleving waarin een charismatische leider andere leiders overtreft, de middelen heeft om ze “uit te kopen”, en een staatsapparaat begint op te bouwen. U herkent wellicht de leiderschapstypologie van Max Weber: traditioneel, charismatisch en (beginnend) legaal.

De verspreiding van de Slavische talen heeft veel te maken met stammen die clusteren tot superfederatie en weer uiteenvallen. En uiteindelijk zijn er dus vroege staten die zich ontwikkelen tot echte staten. Althans, zo wil ik het gaan beschrijven.

Thuisland

De eerste Slavischsprekenden woonden dus ergens in oostelijk Europa, wat natuurlijk een knap vage aanduiding is. Laten we het maar gelijkstellen aan het Europese deel van het voormalige Oostblok. Daar waren destijds grofweg twee zones aan te wijzen: in het noorden overheerste het bos, in het zuiden de steppe. De geschiedenis van dat laatste gebied kunnen we uit Griekse en Romeinse bronnen enigszins reconstrueren: het was er een komen en gaan van volken van nomadische veetelers die van het oosten naar het westen migreerden, zoals de Kimmeriërs, de Skythen, de Sarmaten, de Alanen en de superfederaties rond de Hunnen (vijfde eeuw) en de Avaren (tweede helft zesde eeuw). Eenmaal aangekomen op de steppe in wat nu Oekraïne heet, werden de migranten sedentair en bouwden ze eenvoudige boerderijen.

Dat was de zuidelijke zone, die dus een contactzone was waar allerlei culturen, volken en talen samenkwamen. Voor de aller-, allervroegste geschiedenis van de Slavische volken lijkt een iets noordelijker zone relevanter. Dat die geschiedenis daar begint, blijkt uit de gedeelde woordenschat van de Slavische talen, waarin geen woorden zijn voor de zee, voor de flora van de kustgebieden en voor zoutwatervissen. De Slavische talen kennen bovendien alleen leenwoorden voor de beuk, de conifeer en de lariks, wat suggereert dat deze bomen in het thuisland niet groeiden. Daarom neemt men wel aan dat het thuisland moet worden gezocht rond de Pripjatmoerassen op de grens van het huidige Oekraïne en Wit-Rusland, precies op de grens van de steppe- en de woudzone. Tussen de bron van de Weichsel en de Dnjepr zijn bovendien tal van Proto-Slavische riviernamen aan te wijzen, wat eveneens geldt als bewijs voor de vroegste taalgeschiedenis.

Taalkundigen kunnen uitspraken doen over de snelheid waarmee talen zich ontwikkelen. Dat heet glottochronologie. De methode kent een serieuze foutenmarge, maar is beter dan niets. Omdat de Slavische talen vanaf de Vroege Middeleeuwen zijn opgeschreven en omdat we het Proto-Indo-Europees in het vierde millennium v.Chr. kunnen plaatsen, valt te concluderen dat het Proto-Slavisch tegen het einde van het tweede millennium v.Chr. los kwam van het Proto-Balto-Slavisch en dat daarna diverse dialecten begonnen te ontstaan. Dit is zo ongeveer het best onderbouwde deel van onze kennis van de voorgeschiedenis van de Slavische talen, maar er is dus een enorme foutenmarge.

Hadden we maar geschreven bronnen, zoals we die hebben over de Germanen! Maar zulke bronnen zijn er voor de voorouders van de Slaven niet. Toen de Grieken over oostelijk Europa begonnen te schrijven, wisten ze wel het een en ander over de zuidelijke steppe, maar vrijwel niets over de overgangszone naar het noordelijke woudgebied. Het was de Grieken gelukkig wel toevertrouwd daarover te fantaseren. In de vijfde eeuw v.Chr. plaatste Herodotos van Halikarnassos er het weerwolvenvolk der Neurers, een volk van Menseneters en het dodenrijk der Hyperboreeërs. De Urheimat van de Slavischsprekenden was ook toen al fantasia.

[Dit was het eerste van zes blogjes over de Slavischsprekende volken. Het wordt vanmiddag vervolgd. Met veel dank aan Nicoline van der Sijs.]

Deel dit:

Een gedachte over “De Slavische volken (1) Inleiding

Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.