Einstein is saai

Jaren, jaren geleden. Mijn beste vriend en ik zijn in het John Adams Institute, het Amerikaanse culturele centrum in Amsterdam. Degene die zal spreken is Bram Pais, de auteur van een veelgeprezen biografie van Albert Einstein, Subtle is the Lord. Het boek, zo hebben we begrepen, is vooral goed omdat het de puzzels uitlegt waarmee Einstein worstelde.

De avond wordt een ramp. Pais begint met wat anekdotes over de gebiografeerde, vervolgt met wat anekdotes over de gebiografeerde en rondt af met wat anekdotes over de gebiografeerde. Hij onderbreekt zijn betoog af en toe met wat anekdotes over de gebiografeerde. Over de relativiteitstheorie vernemen we precies niets. Interessanter dan Pais is deze avond het baltsgedrag van een bekende literatuurcriticus die meer oog heeft voor een boekverkoopster dan voor Pais.

Na al die jaren kan ik mijn verbijstering om die avond nog steeds voelen. Relativiteit is een fantastisch onderwerp dus hoe kun je het zo verprutsen? Wat ik namelijk óók nog steeds kan voelen is mijn jongensenthousiasme bij het lezen van de Kijk, waarin Carl Koppeschaar dit soort zaken uitlegde. Die wijdde dan een paar snelle zinnen aan Einstein en liet vrijwel meteen daarna ruimteschepen vliegen met bijna de snelheid van het licht, tweelingen verouderen en sterrenlicht om de zon buigen. Tot slot bood Koppeschaar een pagina over theorieën om alle natuurkrachten tot één kracht te herleiden. Verleden en toekomst van Einsteins project – bam! – in zes of acht pagina’s. Kijk ging dan misschien niet heel diep op de materie in maar maakte je enthousiast. Daarna bood de Grote Winkler Prins Encyclopedie je informatie die je doorgaans niet maar soms wel begreep.

Niets van dat enthousiasmerende bij Pais. Zoals gezegd: relativiteit is een fantastisch onderwerp en hij had dáár maar over hoeven beginnen om de zaal uit zijn hand te laten eten. Ik heb lang gedacht dat hij het publiek onderschatte, een neiging die academici wel vaker hebben, en dat was ook zo. Er was echter nog iets aan de hand: hij vertrouwde te lang op zijn aanknopingspunt.

Daarmee bedoel ik het punt waarmee een docent, een auteur of een spreker de over te dragen informatie koppelt aan de bij zijn publiek al aanwezige kennis. Ik weet bijvoorbeeld vrij zeker dat als ik u een stukje aankondig over subordinationisme of arianisme, u het niet gaat lezen. Als ik het daarentegen inleid – zoals ik onlangs deed – met een anekdote over Nikolaas van Myra die een apostolische oplawaai verkoopt aan een aartsketter, dan knoop ik die obscure stof ergens vast aan het corpus van kennis dat u al heeft. Anders gezegd: na zo’n melig grapje weet u ongeveer waar u het arianisme zult moeten plaatsen.

Nog anders gezegd: het helpt om een verhaal op een vertrouwd punt te beginnen. Een iconische geleerde als Einstein, die min of meer de belichaming is van wat we ons bij een wetenschapper voorstellen, is zo’n punt. Ik vermoed echter dat als in de krant of op TV iets wordt verteld over relativiteit of kwantumfysica, Einstein elke keer om de hoek komt kijken. En dat wringt. Je kunt een goed aanknopingspunt ook te vaak gebruiken.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar als ik “Einstein” zie staan, dan moet ik me ertoe zetten verder te lezen. Ik heb te vaak stukjes gelezen die weliswaar iets nieuws bevatten maar waarin eerst een alinea of drie werden besteed aan iets wat Einstein had gezegd en dat nu dan wel of niet juist bleek te zijn. De eigenlijke puzzel schoot er dan bij in en vaak bleef ik achter met het gevoel dat als er iets meer uitleg was geweest van het eigenlijke onderwerp, ik het beter zou hebben begrepen. Het woord “Einstein” is inmiddels een signaalwoord dat het stukje niet zo spannend is als het zou kunnen zijn.

Om niet de indruk te wekken dat ik anderen de maat neem en de balk in mijn eigen oog niet zie: ik herken het natuurlijk ook in mijn eigen vak. Ik snap zó goed dat mensen afhaken als het wéér gaat over Romeinse keizers (waar ik ook wel over schrijf), over de vloek van de farao, over perverse executies, over gladiatoren, over Griekse seks, over barbaarse stammen. Of over Asterix. Of als er wéér wordt geprobeerd het onderwerp geforceerd te actualiseren. Natuurlijk, ook in de Oudheid waren er processen die aan globalisering doen denken en ook toen bestond er vreemdelingenangst, maar als je de actualiteit benut als aanknopingspunt, is er een reële kans dat mensen aan de eigenlijke puzzel niet meer toekomen en niet begrijpen waar in mijn vak nou het interessante zit. In feite blijft het dan bij aandachttrekkerij zonder boodschap en jaag je mensen weg.

PS

Ik schreef al eerder over het mooie boek van Sigrid van Roode, Desert Silver. Meer informatie op Sargasso. Vanmiddag (donderdag 29 juni om 15:00) is de officiële presentatie in het Rijksmuseum van Oudheden aan het Rapenburg in Leiden.

24 gedachtes over “Einstein is saai

  1. Hans van der Valk

    Beste Jona,
    Begrijp het een keer. Natuurkunde is saai. Toegegeven er zitten boeiende aspecten aan, waarom ik het heb gestuurd maar het is saai. Als ik als student werd gevraagd, wat ik studeerde, zei ik maar Sahili met bijvak Bantoeïstiek. Het voorkwam allerlei lullige opmerkingen over wat je wel interessant vond.
    Enige tijd geleden ben ik vanwege gezondheidsproblemen bestraald. Men heeft me in het ziekenhuis uitgelegd hoe de bestraling wordt opgewekt en hoe de betreffende apparatuur in elkaar zit. Ik was wel sinds jaren de eerste patiënt, die daar belangstelling voor had.
    Overig kijk ik, als er weer een boek over Einstein uitkomt (en dat gebeurt regelmatig), die niet meer in. De man moet oneindig veel interessanter geweest zijn, dan wat er over hem geschreven is.

    1. Grappig, ik heb dat precies andersom: alles waar de menselijke geest puzzels herkent en probeert op te lossen, vind ik interessant, terwijl de onderzoekers… Nou ja, er zitten weleens interessante mensen bij, maar het is eerder regel dan uitzondering. Vind ik dan.

    2. Robbert

      Een dun boekje dat niemand die het leest saai zal vinden en waarin de grote natuurkundige puzzels beeldend uitgelegd worden (en meer) is:
      Carlo Rovelli, zeven korte beschouwingen over natuurkunde. Ik hoop dat deze late reactie nog lezers oplevert.

  2. mnb0

    Einstein is overschat. Begrijp me goed, de man is nog steeds één der grootste geesten ooit, maar men vergeet heel vaak dat hij na het ontvangen van zijn Nobelprijs (en hij had er nog minstens twee moeten krijgen) eigenlijk niet zoveel meer heeft bijgedragen.
    Neem deze bijvoorbeeld. Velen zullen het eerste citaat kennen.

    Einstein: “God dobbelt niet.”

    Niet zoveel, vermoed ik, kennen het antwoord:

    Bohr: “Einstein, probeer God niet te vertellen wat Hij wel of niet moet doen.”

    En dat is een uitstekend aanknopingspunt om het merkwaardige karakter van de quantummechanica uit te leggen; Einstein en Bohr hebben er een jarenlange briefwisseling over gehad.

    Nog een fraaie, maar dan voor een filosofische discussie (ivm natuurkunde uiteraard).

    Heisenberg: “De eerste slok uit het glas der natuurwetenschappen zal je veranderen in een atheist, maar op de bodem wacht God.”
    Ik heb werkelijk geen flauw idee wat hij hiermee bedoeld heeft.

    Ik wil maar zeggen, als het over quantummechanica gaat is Einstein niet het enige en zelfs niet het beste aanknopingspunt.
    Als het over relativiteit gaat worden Hendrik Lorentz en Henri Poincare altijd vergeten.

      1. Jona, een leuk boek is de biografie van Georges Lemaître, de ‘vader’ van de Big Bang. Los van zijn ongelooflijk curriculum heeft deze ongelooflijk briljante man, van wie ik ooit een lezing in Leuven heb bijgewoond. Omdat hij ook priester was, was spot en

        1. Sorry, per ongeluk onvolledig verstuurd, ik ga verder.

          … hoon zijn deel. Omdat hij beweerde dat ruimte en tijd vanuit een singulariteit ontstaan was, uit een ontploffing van wat hij noemde ‘l’atome primitif’. Zijn leven is allesbehalve saai geweest. Wat hem levenslang parten heeft gespeeld is dat hij ook priester was. Door mensen als Fred Hoyle, maar ook door Einstein zelf (beiden aanhangers van het steady-state model i.t.t. Lemaître die de uitdijing van het heelal als theoretisch uitgangspunt nam) werd hij aanvankelijk genegeerd (zijn publicatie over wat later de Big Bang is gaan heten werd aanvankelijk in een obscuur tijdschrift gepubliceerd door zijn priesterschap werd hij meteen in het kamp van de creationisten ingedeeld. Dat heeft hij altijd categoriek ontkend ook nadat Pius XII hem voor zijn karretje . Naast veel artikelen over hem die op internet bvb. op Wikipedia te vinden zijn, is er een goede biografie uitgegeven bij Natuur en Techniek (rode serie).
          Ik vind Einstein ook een beetje overschat, zoals mnbO ook al schrijft. Er is ook gesuggereerd dat zijn vrouw, van wie de naam mij nu niet te binnen schiet, bij veel van zijn werk zou geholpen hebben, zonder er enige credit voor te krijgen. Wat mij een beetje irriteert is dat hij als het ware het referentiepunt geworden is voor de natuurkunde, terwijl er veel van wat wij nu weten aan anderen te danken is.

          1. mnb0

            “hoon zijn deel”
            Zeer, zeer onvolledige informatie en het resultaat van bepaalde christelijke propaganda met een sterke voorkeur voor martelaarschap.
            Eigenlijk de enige die hoonde was Fred Hoyle. Bv. George Gamow, een ex-student van de Vader van de Oerknal Alexander Friedmann, hoonde bv. beslist niet. Zie ook de Friedmann-Lemaitre-Robertson-Walker-Metriek (oa Wikipedia en zoals altijd met natuurkunde is de Engelse superieur). Dan hebben we het over 1935, nog geen tien jaar na de publicatie van Lemaitre en ruim tien jaar na de eerste publicatie van Friedmann.
            Ook Arthur Eddington – onder natuurkundigen beslist niet onbekend – nam het werk van Lemaitre volkomen serieus; hij zorgde behoorlijk snel voor een Engelse vertaling.
            Einstein hoonde evenmin. Zijn cosmologische constante – die opmerkelijk genoeg weer in gewijzigde vorm opduikt – is een serieuze reactie, geen hoon.

            1. Beste mnbO,
              Dank voor je reactie. Ten eerste was het niet mijn bedoeling dat ik in mijn reactie een uiteenzetting zou geven van de oerknaltheorie. Daar ben ik veel en ook veel te dom voor! Ik heb er wel veel over gelezen, maar blijf natuurlijk een totale leek. U lijkt er veel meer over te weten en dat lijkt mij fijn, want het is zeer interessante materie. Toch wil ik u er beleefd op wijzen dat ik het niet met u eens ben. Uw eerste paragraaf begrijp ik niet goed. Slaat dit op Lemaître of op mij? Als u dat tegen mij persoonlijk bedoelt, zit u er naast. Ik ben namelijk agnost en voel me dus zeker niet aangesproken. Misschien heb ik met hoon een wat te sterk woord gebruikt, waarvoor mijn excuses. Voor Fred Hoyle vind ik het woord wel op zijn plaats, maar ook Einstein heeft toen Lemaître hem de eerste keer zijn theorie presenteerde na afloop gezegd: Uw wiskunde is goed, maar uw natuurkunde is abominabel. Later heeft hij zijn mening bijgesteld, daar heeft u gelijk in. Andere namen heb ik niet genoemd en zeker niet sir Arthur Eddington. Er is een anecdote over Hoyle die toen hij in de kantine Lemaître zag voorbijlopen, gezegd zou hebben: daar loopt Mister Big Bang, niet wetend dat het een geuzennaam voor de oerknaltheorie zou worden.
              Wat ik bedoelde is dat er bij velen een soort ongemak aanwezig was omdat men bang was dat deze theorie voor de Katholieke Kerk een aangrijpingspunt zou gaan vormen voor het creationisme. Zelfs Eddington voelde zich er niet helemaal comfortabel bij, hoewel hij verder veel waardering voor Lemaître had.
              Lemaître’s proposal met with skepticism from his fellow scientists. Eddington found Lemaître’s notion unpleasant. Einstein found it suspect because he deemed it unjustifiable from a physical point of view. On the other hand, Einstein encouraged Lemaître to look into the possibility of models of non-isotropic expansion, so it is clear he was not altogether dismissive of the concept. He also appreciated Lemaître’s argument that a static-Einstein model of the universe could not be sustained infinitely into the past. (Bron: Engelse Wikipedia)
              Ik erger mij ook aan het feit dat als er sprake is van Lemaître, hij vaak alleen een Belgisch priester genoemd wordt en dat zijn andere vakgebieden er niet bijgenoemd worden. Lemaître heeft zich nooit door de RKK en de paus laten verleiden om zijn theorie als bewijs van de schepping te noemen.
              U noemt Friedmann de vader van de Big Bang. De wiskundige onderbouwing van het uitdijend heelal werd inderdaad in 1922 door Friedmann als eerste gegeven, maar algemeen wordt aangenomen dat Lemaître in zijn artikel dat in een superlokaal tijdschrift in het Frans door hem werd gepubliceerd in 1927 niet bekend was met het werk van Friedmann. Dat hoef ik u natuurlijk niet allemaal uit te leggen.
              Was de aandacht van Eddington niet op Lemaître gevestigd geworden, zou hij misschien meer in de vergetelheid geraakt zijn. Eddington is zo goed geweest om zijn artikel in het Engels te laten vertalen, waarbij om een nooit opgehelderde reden Lemaître’s schatting van de Hubbleconstante er niet meer in stond.
              Of Friedmann of Lemaître nu de ‘vader’ van de oerknaltheorie genoemd mag worden, vind ik persoonlijk minder relevant. Feit is dat de mensen die Lemaître goed gekend hebben, hem zagen als een zeer bescheiden man. Over Hubble heb ik andere dingen gelezen.
              De ‘wiskunde’ wordt aan vier mensen toegeschreven, afhankelijk van hoe je er historisch of geografisch tegenaan kijkt:
              Depending on geographical or historical preferences, the set of the four scientists — Alexander Friedmann, Georges Lemaître, Howard P. Robertson and Arthur Geoffrey Walker are customarily grouped as Friedmann–Robertson–Walker (FRW) or Robertson–Walker (RW) or Friedmann–Lemaître (FL)).epending on geographical or historical preferences, the set of the four scientists — Alexander Friedmann, Georges Lemaître, Howard P. Robertsonand Arthur Geoffrey Walker are customarily grouped as Friedmann–Robertson–Walker (FRW) or Robertson–Walker (RW) or Friedmann–Lemaître (FL)). (Bron: Engelse Wikipedia)
              Echter, de laatste jaren wordt het ‘vaderschap’ eerder toegeschreven aan Lemaître, hoewel daar altijd discussie over mogelijk is.
              Verder is het artikel Big Bang in de Engelse Wikiwand inderdaad een zeer uitvoerig artikel, voor een leek als ik nog redelijk te volgen ook.
              Met vriendelijke groeten

        2. mnb0

          Dat bevestigt mooi de algemene onwetendheid tav zelfs de recente geschiedenis van de natuurwetenschap.
          De vader van de Big Bang was niet Lemaitre, maar sovjet-commie Alexander Friedmann. Lemaitre was een nakomer – om precies te zijn drie jaar later.


          1. Beste mnbO
            Gezien uw belangstelling verwijs ik naar dit You Tube filmpje.
            Ik heb ook moeite met het priesterschap van Lemaître, maar probeer er overheen te stappen.
            Met vriendelijke groet!
            Roger

      2. Hans van der Valk

        Daaraan kan toegevoegd worden, dat de koning onlangs een zogenoemd Lorentz Laboratorium bij het Teylers Museum in Haarlem heeft geopend.
        Heisenberg bedoelde, dat een eerste kennismaking met natuurwetenschappen de indruk geven, dat alles met natuurwetten te verklaren kan worden. Wanneer men dieper hierop ingaat, blijkt het allemaal ontzettend veel gecompliceerder te zijn. Het is voor ons mensen met een beperkt verstand moeilijk te vatten.
        Het is inmiddels 100 jaar geleden, dat de relativiteitstheorie en de quantummechanica tot stand zijn gekomen. De consequenties daarvan zijn nog bij lange nog niet uitgewerkt.

        1. mnb0

          “Heisenberg bedoelde …”
          Bron?
          Heisenberg was nl. waarschijnlijk te slim om zomaar een God van de Gaten aan te nemen – dwz. “ontzettend veel gecompliceerder” gelijk te stellen aan God.
          De consequenties van de Relativiteitstheorie zijn wel zo’n beetje bekend.

    1. Manfred

      @mnb0
      “De eerste slok uit het glas der natuurwetenschappen zal je veranderen in een atheist, maar op de bodem wacht God.”
      > Lijkt me duidelijk: als je te diep in het glaasje kijkt krijg je religieuze verschijnselen.

      @Jona
      “dat mensen afhaken als het wéér gaat over Romeinse keizers (x), over de vloek van de farao, over perverse executies, over gladiatoren, over Griekse seks, over barbaarse stammen. Of over Asterix.”
      > Interessant, vertel daar eens iets meer over, over die Grieks seks.

        1. Manfred

          De vraag was eigenlijk bedoeld om je te plagen, niet om mij terug te plagen.

          Maar het is toch eigenaardig dat in het oude Griekenland alleen de homo’s seks hadden. Geen wonder dat er geen oude Grieken meer over zijn.

  3. Jona, ik koop ook vaak losse nummers van de Kijk, maar ik ben al jaren geabonneerd op de Eos (tegenwoordig in samenwerking met de Scientific American, hoewel ik op deze laatste ook apart abonnement heb. Aanbevolen! Maar lees de bio van Lemaître. Overigens is die hele rode serie van Natuur en Techniek interessant.

  4. Leukst voor mij is Richard Feynman
    De belangrijkste fysicus van de 2e helft 20e eeuw. Zat bijv. in de commissie die het ongeluk met de Space Shuttle evalueerde en er op stond dat vermeld zou worden dat het risico veel te laag was ingeschat. Verdienstelijk Bongo-Speler naast vader van de Kwantum Electrodynamica. Schreef een 3-delige handboek voor studenten fysica dat nog steeds populair is.
    Verder bekend van controversiele uitsprakne over het nut van philosophy of science (=natuurwetenschappen)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s