Koekenbakker, bis

Nieuws van het koekenbakkerfront! De trouwe lezers van deze blog zullen zich herinneren dat ik een klein anderhalf jaar geleden de vraag stelde waar de uitdrukking “Zoiets, Koekenbakker, zoiets” vandaan kwam. Met verschillende reacties kwamen we eruit dat het een citaat was uit Reves Nader tot u (1966) en dat de volksschrijver met de hoofdletter vermoedelijk verwees naar Nescio.

Maar!

Ik heb zaterdag het eerste deel van De generaal gaat integraal gekocht (en gelezen, duh). Het is het begin van een prachtige uitgave van de beste in Nederland getekende strip aller tijden (en de op één na beste uit Europa, na Guust). En wat zien wij in het verhaal “Het Trojaanse paard”, dat in het voorjaar van 1972 verscheen in het elfde nummer van Pep? Exact. Zie boven.

Ik concludeer dat “koekenbakker” tevens een speels vloekje is geweest. Reve zal eraan hebben gedacht, misschien Nescio ook. Misschien is de uitdrukking, zoals we anderhalf jaar geleden overwogen, zelfs specifiek Amsterdams, want Nescio, Reve én Peter de Smet kwamen uit de hoofdstad, net als de meeste zegslieden die we destijds de revue lieten passeren.

Ik houd u op de hoogte van nieuwe verwikkelingen.

21 gedachtes over “Koekenbakker, bis

  1. Dirk

    Onbekend in Vlaanderen. Koeken bakken lijkt mij een nuttige en niet bijzonder vervelende bezigheid, maar toch is koekenbakker geen koosnaam. De uitdrukking “het is weer koekenbak” gebruiken we hier vooral als het er tegen zit: ruzie, vechten… Miljonair Marc Coucke lanceerde “het is weer couckenbak” als zijn sportteam een overwinning behaalde, maar de originele betekenis was negatief.
    Misschien heeft het te maken met de klanken: de vele k’s laten het lekker hard klinken. Ik denk ook aan “koek op a bakkes”.

    1. Klopt, die hadden we. We vroegen ons af waar de specifieke uitdrukking “Zoiets Koekenbakker, zoiets” vandaan kwam. Het begint met De Smet erbij steeds duidelijker te worden dat koekenbakker nogal Amsterdams is.

  2. ras400517317

    Blijkbaar heb ik de discussie anderhalf jaar geleden gemist. Maar dan nu dit. Koekebakker (zonder n) was in mijn jeugd (jaren veertig) een vrij gebruikelijke uitdrukking. Dat was in Amsterdam dus. Mijn vader kwam uit de Jordaan en daar zal hij het opgestoken hebben iemand die een beetje dom deed op een goedmoedige manier daarop te wijzen met “Nee, koekebakker, dat doe je verkeerd.”

  3. ‘De Generaal gaat integraal’ kost bijna 200 euro, zag ik op de website van de uitgever. Da’s knap duur voor een verzameling gerecyclede strips…

  4. Frans

    Zeker als je ze al hebt, maar het is een trend in stripland om de klassiekers opnieuw uit te geven en in het geval van De Generaal is dat uitstekend, want die waren al jaren alleen maar tweedehands te vinden. Nu krijgen leven en werken van een non-valeur eindelijk de aandacht die ze verdienen. Vrot!

  5. Alexander Smarius

    In Tilburg was deze pejoratieve vocativus in de jaren zeventig ook in zwang. Ik bewaar een licht trauma aan een badmeester die mij, een knaapje nog en dezelfde achternaam hebbende als een bekende lokale broodfabriek, corrigerend toesprak als ‘Koekebakker!’ Misschien had de badmeester roots in Amsterdam, maar dat lijkt me een vergezochte conclusie.

  6. Ton Spamer

    Ook in Rotterdam was in de jaren ’50 ‘koekebakker’ een normale aanduiding voor een sukkelig persoon. Dat was voordat het rondstrooien van opwindende lichaamsdelen een gewoonte werd. Het is dus niet typisch Amsterdams of Jordaans, al annexeren ze daar graag van alles en nog wat,.

  7. Ton Spamer

    Het woord koekebakker blijkt al veel eerder als negatieve uitdrukking te zijn gebruikt: “Fatsoenlyk zyn, da’s goed voor koekebakkers en prulschryvers maar niet voor my”. (W.A. Paap, Vincent Haman. Tweede druk, 1908).
    Gevonden in M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek, op Etymologiebank,nl

  8. Na een klein literatuuronderzoek meen ik te kunnen vaststellen dat het scheldwoord ‘koekenbakker’ van Duitse oorsprong is. Minstens twee bronnen verbinden het met Friedrich Ludwig Jahn (1778-1852), oervader van de turnbeweging in Duitsland. Volgens een necrologie in het geïllustreerde familieblad Die Gartenlaube uit 1858 was het zijn hoogste doel om ertoe bij te dragen dat de Duitsers de krachtigst ontwikkelde lichamen hadden.

    Dat ging volgens Jahn niet samen met de consumptie van koek. ‘Aus diesem Gründe wüthete er in Berlin namentlich auch gegen den Genuss von Kuchen, weshalb auch alle Kuchenfrauen erbarmungslos von den Turnplätzen verjagt wurden, und das Wort “Kuchenbäcker” als ein arges, in Schimpf und Glimpf zu rügendes Schimpfwort galt.’

Reacties zijn gesloten.