Bericht uit Curaçao

Willemstad, Pontjesbrug

Eerder deze week maakt het kabinet bekend dat het een financiële bijdrage wilde leveren om de enorme problemen op te lossen die door het corona-virus in Zuid-Europa zijn ontstaan. Ondertussen lijkt in Nederland niemand oog te hebben voor het feit dat er binnen het Koninkrijk nog meer problemen zijn: op de Caraïbische Eilanden. Daar dreigen toestanden zoals u zich herinnert van Haïti na de cycloon Sandy of na de piramidespelcrisis in Albanië. Honger, plundering, instorting van het openbaar gezag en uiteindelijk noodhulp door de internationale gemeenschap.

Ik heb familie op Curaçao en hoor nu al nare verhalen; u kunt het stuk in De Volkskrant van vanmorgen lezen of de onderstaande “open brief” lezen die mw Manon Hoefman schreef aan minister Hoekstra.

***

Beste Minister Hoekstra,

Op Curaçao is maandag een lockdown afgekondigd, waarbij mensen alleen naar buiten mogen om boodschappen te doen, vitale beroepen uit te oefenen of voor noodgevallen. Ons luchtruim is gesloten voor iedereen van buitenaf, bedrijven zijn dicht en we zijn verplicht om thuis te blijven.

De economische problematiek van een dergelijke Coronacrisis geldt natuurlijk wereldwijd, maar op zo’n klein, Caribisch eiland als Curaçao, is dat wel direct heel tastbaar. Op Curaçao kennen wij geen sociaal vangnet. Uitkeringen, premies, tegemoetkomingen… er is hier niets. Dat maakt het voor een groot deel van de bevolking schijnend simpel: no work – no pay, no pay – no food.

Ik begrijp dat alle lokale beslissingen, met de beste intenties voor het bewaken van de volksgezondheid en met inachtneming van de beperking van onze gezondheidszorg zijn genomen, maar ik vraag me inmiddels wel af of dit in verhouding staat tot de huidige gevolgen voor onze economie. Wat hebben we aan gezondheid, als niemand meer in zijn onderhoud kan voorzien?

40% van onze economie draait op toerisme en met spin-off is dat eerder 50 tot 60%. Echter komen er nu – en wie weet voor hoe lang – geen toeristen meer naar Curaçao en is de kraan met de noodzakelijk buitenlandse geldstroom al meer dan twee weken gesloten. Nu vervolgens ook nog het laatste stukje van onze lokale economie op slot is gegaan, is er voor bedrijven helemaal geen mogelijkheid meer om overeind te blijven.

Ik probeer het regelmatig objectief en in een macroperspectief te bekijken, maar in geen enkel scenario ontkom ik aan het beeld, dat dit nog jarenlang een impact zal hebben op ons bestaan en gevolgen zal hebben voor ons dagelijks leven. Een donker toekomstbeeld op een zo zonnig eiland.

Echter nog veel zorgwekkender vind ik de nabije toekomst. Ik ben op dit moment vooral bang voor de directe gevolgen van al die mensen die geen reserves of alternatieven hebben. Vanaf het moment dat deze mensen geen inkomen meer hebben, is er nood en honger. Hoe langer deze situatie aanhoudt, hoe groter deze groep wordt en hoe groter deze groep wordt, hoe hoger de kans op escalatie en criminaliteit… mensen in nood maken rare sprongen.

Natuurlijk zijn ook wij op Curaçao, trots op de humanitaire, medische steun die Nederland de Europese landen in nood wil en kan bieden, maar wilt u in uw overwegingen ook rekening houden met uw medebewoners in het Nederlands Koninkrijk? Wij hebben het momenteel misschien medisch gezien nog onder controle, mede vanwege het adequaat handelen van onze regering, maar financieel is de nood hier aan de man.

Wij begrijpen dat uw hulp, de hulp van Nederland aan Curaçao, de nodige consequenties met zich mee zal brengen, dat er strenge, strakke voorwaarden aan gesteld zullen worden en dat hier uitgebreid over onderhandeld moet worden. Maar wij, de inwoners van Curaçao, hebben die tijd niet. Wij hebben jullie hulp nu nodig.

Dus ik hoop dat wij spoedig ook een persbericht mogen lezen over “substantieel bijdragen aan de volksgezondheid in het Caribische deel van het Nederlands Koninkrijk”.

Met een zeer bezorgde groet,

Eén van de koninkrijkskinderen

Een sluimerende frustratie

De Vesuvius

In het Colosseum zijn christenen gedood: aan dit misverstand wil ik graag een verzuchting over de lerarenopleiding en het lager onderwijs in Vlaanderen ophangen. Ik begin met een anekdote.

Een studente in de bacheloropleiding leerkracht lager onderwijs krijgt een schrijfopdracht: creëer een informatieve tekst voor kinderen uit het vijfde leerjaar (groep 7). In haar tekst gebruikt zij de woorden Colosseum en vulkaan. Commentaar van de docent: deze woorden zijn te moeilijk voor kinderen van een vijfde leerjaar. Gebruik liever “vuurspuwende berg” en “gebouw waar mensen vechten”.

Dit verhaal bereikt onze leraarskamer en leidt tot consternatie. Een simpele steekproef in de klassen van 5 en 6 leert dat 80-90% van de klas helder kan uitleggen wat een vulkaan is, waar het Colosseum staat en dat daar gladiatoren optraden. Consternatie en lichte verontwaardiging bij de kinderen als ze horen dat deze kennis niet verondersteld wordt. Ik citeer één van de weinigen die van het Colosseum enkel wist dat het een of ander gebouw in Rome was: “Ik vind het juist leuk om zo’n moeilijke woorden te leren.”

Lees verder “Een sluimerende frustratie”

Gladiator of niet?

Gladiatoren op een zilveren broche, gevonden in het paleis van de gouverneur te Aquincum

Jona Lendering heeft een blogstukje geschreven dat over een tekst van Pseudo-Quintilianus gaat. Jona denkt dat deze tekst het moment voor een gladiatorengevecht beschrijft. Ik denk dat deze tekst niet over een gladiator gaat, maar over een terdoodveroordeelde.

In de tekst staat namelijk dat “het volk was samengekomen voor het schouwspel van onze bestraffing”. Er bestond zeker een bestraffing ad ludos (naar de gladiatorenschool), waar de veroordeelde een kans behield te overleven. De meeste gladiatoren waren echter slaven en soms ook enkele vrijwilligers. Vechten als gladiator was voor hen niet altijd een bestraffing; de slaven zullen het misschien als hun lot hebben gezien aan een gladiatorenschool te zijn verkocht. Daarnaast bestond er de bestraffing ad bestias (voor de wilde dieren) en dit was wél een doodstraf.

Lees verder “Gladiator of niet?”

Computer reconstrueert het Latijn

Zomaar een Latijnse inscriptie met mooie letters (Timgad)

Het idee dat de taalkunde een exacte wetenschap kan zijn, is een negentiende-eeuwse gedachte. Taalkundigen ontdekten toen dat de verschillen tussen talen systematisch kunnen zijn: waar Romaanse talen een p hebben, hebben Germaanse een of een vpater correspondeert met vader, pied met voet, pellis met vel. Zulke regelmatigheden noemen we een wet. In dit geval is de voorouder van de Germaanse talen waarschijnlijk ooit gaan afwijken: de p werd een f (en later in het Nederlands een v).

Dat gold voor iedere p: de wet is even hard als willekeurig welke wet uit de natuurkunde, zo meende men. Het blijkt ook, zeker op de langere termijn, voor iedere taalverandering gelden. In ieder geval als je rekening houdt met het feit dat allerlei gebeurtenissen het beeld op het eerste gezicht kunnen verstoren. Behalve vel heeft het Nederlands ook pels, maar dat blijkt een woord te zijn dat we ná die verandering alsnog hebben geleend van het Latijn.

Lees verder “Computer reconstrueert het Latijn”

Bij de dood van Uderzo

Uderzo (foto Wikimedia commons | Georges Biard)

En dan krijgen we naast alle andere narigheid van de laatste tijd ook nog eens het bericht dat Albert Uderzo is overleden.

Asterix, wie is er niet groot mee geworden? Ik in ieder geval wel, ik kan me niet meer herinneren wanneer ik het voor het eerst las, maar voor mij is Asterix iets wat er gewoon altijd al geweest is. Een van de redenen dat ik deze blog volg, is dat ik op zoek was naar een onderwerp voor een historische strip. Een tijd lang heb ik niks met de oudheid willen doen, want tegen Asterix kun je niet op. (Maar als je zo gaat denken, doe je helemaal niets meer.)

Lees verder “Bij de dood van Uderzo”

Sprookjes, gecatalogiseerd

Na lang intensief speuren ben ik dankzij een antiquariaat in Niesky (Saksen) voor een schappelijk bedrag in het bezit gekomen van een exemplaar van de catalogus uit 1943 van J.R.W. Sinninghe (1904-1988): Katalog der niederländische Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten. Deze rubriceringscatalogus inclusief literatuurverwijzingen is na de index van Aarne-Thompson-Uther (ATU) zo’n beetje de belangrijkste indexering op dit gebied. Hij wordt bij gebrek aan een alternatief nog steeds gebruikt.

Richt de ATU zich in principe op sprookjes, Sinninghe richt zich meer op sagen en legenden. Beginnen de rubriceringen uit de Aarne-Thompson-Uther-index met de letters ATU, gevolgd door een doorlopend volgnummer, de rubriceringen uit Sinninghe worden gecodificeerd met de letters SIN gevolgd door

  • AT voor sprookjes (deze zijn namelijk een toevoeging aan de toenmalige Aarne-Thompson-index – Uther kwam er pas later aan te pas),
  • SAG voor sagen,
  • UR voor oorsprongssagen (Ursprungssagen) en
  • LEG voor legenden.

SINAT, SINSAG, SINUR en SINLEG worden telkens gevolgd door een volgnummer. Zo verwijst SINSAG 0689 op p.98 naar het motief van de rattenvanger (b.v. van Hamelen).

Lees verder “Sprookjes, gecatalogiseerd”

MoM | Koolstofdateringen: Kritiek

De mummie van een krokodil (Egyptisch Museum, Barcelona)

De koolstofmethode wordt vaak gepresenteerd als keiharde, betrouwbare en succesvolle methode. En terecht. Zo raakt echter wat uit het zicht dat ook zo’n keiharde en betrouwbare methode onoordeelkundig en dus onsuccesvol valt toe te passen. Hoe keihard en hoe betrouwbaar ook: dateren blijft een kunst.

Je moet heel goed weten wat je dateert en welke vraag je eigenlijk wilt beantwoorden. De meest voor de hand liggende vraag is natuurlijk: hoe oud is het? Maar daar is de koolstofmethode niet in alle gevallen geschikt voor. De vraag “stamt dit voorwerp uit het begin van de zevende eeuw?” vergt een nauwkeurigheid van een jaar of vijftig. Maar rond het begin van de zevende eeuw loopt de kalibratiecurve behoorlijk vlak. Een koolstofdatering kan dan heel goed uitvallen als 585 – 710 cal AD en daar heb je niks aan. Maar aan diezelfde datering heb je wél wat als je wilt weten of je voorwerp een moderne vervalsing is.

Lees verder “MoM | Koolstofdateringen: Kritiek”