Beiroet: een explosie bij je huis

Beiroet, twee-en-een-halve kilometer vanaf de ontploffing

[Het zal niemand zijn ontgaan dat Beiroet het hard voor de kiezen heeft gekregen. De stad verdient beter; straks meer daarover. Ik kreeg vandaag een mailtje waarin een vriendin verslag deed van wat het voor haar betekent.]

***

Ons appartement ligt op zo’n twee-en-een-halve kilometer van de haven, lekker hoog op de veertiende etage, wijds uitzicht over Beiroet. Nadeel: in de volle vlaag van de explosie. De schrik zit ons nog in de benen! We hadden alle ramen en deuren dicht zodat de airco effectief kon werken. Als ze open hadden gestaan waren we er waarschijnlijk beter uitgekomen. Maar het was zesendertig graden!

Welnu, onze woning is veranderd in een ravage, maar wij hebben, wonder boven wonder, alleen enkele schrammetjes.

Lees verder “Beiroet: een explosie bij je huis”

Sneeuw en staal (7)

christmas
Amerikaanse soldaten met kerstboom

[Dit kerstverhaal is een vertaling van een passage uit Peter Caddick-Adams, Snow and Steel. Battle of the Bulge. 1944-45.]

Diep in het woud, in een afgelegen boerderij, woonde de familie Vincken, waar op kerstavond op de deur werd gebonsd. De twaalfjarige Fritz blies de kaarsen uit en opende de deur. Daar stonden twee verdwaalde GI’s, die een derde, gewonde kameraad met zich mee namen. Fritz’ moeder Elisabeth stond ze te woord. Er kon geen sprake van zijn dat ze hen de deur zou wijzen, welke straffen er ook waren – zelfs al stond het huis van de Vinckens ten oosten van de grens, in het door Duitsland geannexeerde deel van België. Fritz moest aardappelen halen en Hermann gaan zoeken, de door de familie vetgemeste haan.

Terwijl het diner werd bereid, werd er opnieuw op de deur gebonsd. “Nog meer verdwaalde Amerikanen,” dacht Fritz en deed de deur open. Dit keer stonden er vier soldaten, gekleed in slordig veldgrauw, die om onderdak vroegen. Elisabeth Vincken verwelkomde ze, wenste ze fröhliche Weihnachten en nodigde ze uit voor het diner dat ze al roken. Maar, zo zei ze, ze had nog andere gasten, “die jullie misschien niet zullen beschouwen als vrienden.”

Lees verder “Sneeuw en staal (7)”

Antieke samenlevingen (3)

[Ik ben een paar dagen naar Libanon en geef het woord aan mijn collega Josho Brouwers, die ingaat op de typering van antieke samenlevingen. Deel een is hier en deel twee is daar.]

Ikzelf vind het zoeken naar kenmerken van een bepaald concept futiel. Onder postmoderne archeologen, antropologen en oudhistorici is er sinds de jaren negentig veelvuldig kritiek gekomen op dit zoeken naar (pseudo-Weberiaanse) archetypen. Je kunt je namelijk afvragen of het inpassen in classificatiemodellen wel recht doet aan de historische situatie. Dit heeft ertoe geleid dat er vooral veel nadruk kwam op de unieke kenmerken van samenlevingen (binnen de archeologie was dit een reactie op de zogenaamde processuele archeologie waarbij het juist ging, heel kort gezegd, om de algemene kenmerken van samenlevingen uit het verleden).

In de meest extreme vorm wordt de kritiek gekenmerkt door een zeer groot cultuurrelativisme. Je hoeft echter niet het gebruik van modellen direct van de hand te doen. Belangrijk is dat je beseft waar de modellen vandaan komen en wat de theoretische basis is voor die modellen. In het geval de Griekse polis kun je teruggaan naar de bron: polis betekent in het Grieks simpelweg gemeenschap – een oude Griek zou niet snappen waarom wij het begrip specifiek ophangen aan het woord “stadstaat” (wat is immers een stad en wat verstaan we onder een staat?).

Lees verder “Antieke samenlevingen (3)”

Antieke samenlevingen (2)

[Ik ben een paar dagen naar Libanon en geef het woord aan mijn collega Josho Brouwers, die ingaat op de typering van antieke samenlevingen. Deel een is hier.]

Ik heb zelf, toen ik aan de Vrije Universiteit archeologie studeerde (in 1998-1999), het model van Service voorgeschoteld gekregen als een “handig hulpmiddel”. Het wordt ook behandeld in hét handboek over de archeologie, Archaeology: Theories, Methods and Practice van Colin Renfrew en Paul Bahn. In een handig schema zie je bijvoorbeeld dat een band doorgaans uit minder dan 100 mensen bestaat, egalitair is en gekenmerkt door informeel leiderschap. Een chiefdom bestaat doorgaans uit tussen de vijf- en twintigduizend mensen, heeft een koning (of iets wat daar op lijkt: een chief), en men bouwt grote monumenten zoals Stonehenge.

Zo’n systeem van classificatie is buitengewoon handig, denkt u misschien. In mijn optiek is het dat echter niet. Ik wil niet zeggen dat modellen geen plaats hebben in de moderne archeologie, maar aan dit denken in “typen” samenlevingen kleven behoorlijk wat problemen. In de eerste plaats is dit classificatiesysteem plompverloren van de antropologie naar de archeologie is overgeheveld, zonder dat de vraag is gesteld of dat wel zo maar kan.

Lees verder “Antieke samenlevingen (2)”

Antieke samenlevingen (1)

Archetypische barbaren: de Germanen

[Ik ben een paar dagen naar Libanon en geef het woord aan mijn collega Josho Brouwers, die ingaat op de typering van antieke samenlevingen.]

Een tijdje geleden plaatste Jona een blogbericht over het koninkrijk Israël, met een verwijzing naar de culturele antropologie van de negentiende eeuw waarin men een poging deed om samenlevingen te classificeren, en er werd kort ingegaan op de ontwikkeling van bijvoorbeeld chiefdoms naar koninkrijken. Daarbij suggereerde Jona dat hiermee een empirische basis werd gelegd voor het vooruitgangsdenken of, anders verwoord: “archeologie biedt de empirische basis van de liberale vooruitgangsgedachte”.

De situatie is echter – het zal de lezers van dit blog niet verbazen – ingewikkelder dan dikwijls wordt geschetst. In de negentiende eeuw verzonnen culturele antropologen een systeem met drie typen samenlevingen: “savage” (wild, ongetemd, primitief), “barbarism” (barbaars), en “civilization” (beschaving). Het idee was dat dit elk drie stadia waren van de menselijke ontwikkeling waarbij het ideaal natuurlijk de beschaving was.

Lees verder “Antieke samenlevingen (1)”

Kwakgeschiedenis: chronologisch gegoochel

Protogeometrisch aardewerk uit Euboia

Recentelijk verscheen dit online artikel, getiteld ‘Towards an absolute chronology for the Aegean Iron Age: new radiocarbon dates from Lefkandi, Kalapodi and Corinth’, geschreven door maar liefst acht personen, namelijk: Michael B. Toffolo, Alexander Fantalkin, Irene S. Lemos, Rainer C.S. Felsch, Wolf-Dietrich Niemeier, Guy D.R. Sanders, Israel Finkelstein en Elisabetta Boaretto.

De titel van het artikel suggereert dat we hier met iets nieuws te maken hebben: er zijn C14-dateringen gegeven aan monsters uit drie sites in Griekenland, die ons in staat zullen stellen om een absolute chronologie te bepalen voor de Egeïsche IJzertijd. Het is echter niet nieuw: er wordt al jaren gesold met de absolute chronologie van het Egeïsche gebied in de periode vóór ca. 700 v. Chr. De titel suggereert dat we nu waarden hebben die niet te betwisten zijn, maar ook dat is onzin. Er verschijnen namelijk zeer regelmatig artikelen over C14-dateringen voor het Egeïsche gebied, die doorgaans nogal uiteenlopende resultaten geven.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: chronologisch gegoochel”

Nowruz

Haft Sin

[Een gastbijdrage van mijn goede vriendin Shirin Ramezani, die, zoals u al vermoedde, afkomstig is uit Iran. Ze woont sinds zeven maanden in Nederland.]

Gisteren ben ik bij een Iraanse supermarkt in Amsterdam geweest om de spullen te kopen voor Haft Sin. Ik heb het daar nog nooit zo druk meegemaakt. Nowruz, nieuwjaar, is voor Iraniërs een belangrijke traditie. Ik zal er iets over vertellen.

Nowruz (“nieuwe dag”) is de naam van de eerste dag van de lente en de eerste dag van de Iraanse kalender. Het is de tijd waarin alle mensen nieuwe kleding aantrekken en bij elkaar op bezoek gaan. Bij elke bezoek krijg je cadeautjes, lekkere hapjes, snoepjes en nootjes.

Lees verder “Nowruz”

De geschiedenis van Lalulu


[Voor deze bespreking van Mieke Bleekers De geschiedenis van Lalulu geef ik dankbaar het woord aan een deskundige recensente (tien jaar).]

De geschiedenis van Lalulu gaat over een jonge kat. Die woonde eerst bij hele rijke mensen. Die vonden dat de kleuren van Lalulu goed pasten bij de meubels. Daarna ging Lalulu naar Eldierado en maakte ze allemaal vrienden. Dat vond ik het leukste stuk van het boek. Ik moest vaak lachen om de beer.

Daarna ging Lalulu weer op weg, want het was niet veilig. Ik vond het verhaal toen soms een beetje griezelig. Ik vond het niet leuk dat ze weg moest uit het paradijs.

Later kwam Lalulu bij een snelweg die ze moest oversteken en ook nog in het asiel. Daar was een verstrooide meneer die zijn bril zocht die hij aan de kapstok had gehangen. Ze is afgehaald door een meisje en was daarna thuis.

Ik vond het een heel leuk boek. Ik denk dat Lalulu echt bestaat maar ik denk niet dat dieren echt met elkaar kunnen praten.

De catechismus van Sint-Nicolaas

 

Vraag: Bestaan er meerdere Sinterklazen?
Antwoord: Er bestaat slechts één Sinterklaas, doch in meerdere personen.

Vraag: Wat moeten wij denken van de mening dat er geen Sinterklaas zou bestaan?
Antwoord: De mening dat er geen Sinterklaas zou bestaan, is een afschuwelijke ketterij, die wij met kracht moeten bestrijden.

Vraag: Kunnen zij, die niet in Sinterklaas geloven, toch nog tot de gelovigen gerekend worden?
Antwoord: Zij die niet in Sinterklaas geloven, kunnen voorzeker nog tot de gelovigen gerekend worden. Maar Sinterklaas houdt niet meer van hen. Zij behoren derhalve niet meer tot de beminde, maar tot de volwassen gelovigen.

Lees verder “De catechismus van Sint-Nicolaas”