Verdwaald in de catacomben

De catacomben van Priscilla, foto van Charles Smeaton (Collectie John Henry Parker, Victoria and Albert Museum, Londen)

De oudste collectie foto’s die in de catacomben van Rome gemaakt zijn, dateert uit de jaren zestig van de negentiende eeuw en staat op naam van John Henry Parker, een Engelsman die de British and American Archaeological Society of Rome oprichtte. Het fotograferen liet Parker over aan zijn medewerkers. Een van hen was een jonge Canadees, Charles Smeaton. Door een nieuwe methode toe te passen met magnesiumdraad, was hij in staat om ook in de donkere catacomben voldoende licht te brengen om foto’s te maken. In een lange brief die hij in 1867 vanuit Rome naar zijn familie in Canada stuurt, vertelt hij van een hachelijk avontuur dat hij beleefde in de catacomben.

Hij vertelt dat hij de catacomben bij de Via Salaria was binnengegaan om er te gaan fotograferen. Enkele vrienden gingen uit nieuwsgierigheid met hem mee naar beneden. Smeaton geeft een beschrijving van de tocht:

***

We volgden onze gids en slingerden door een heus labyrint van gangen met aan beide kanten graven van vroegchristelijke martelaren. Vele skeletten lagen op hun oorspronkelijke plek, sommige schijnbaar perfect bewaard, andere gereduceerd tot een ondefinieerbare hoop, omdat ze op de een of andere manier waren verstoord. Ik bekeek in het bijzonder één skelet dat zo goed bewaard was dat de knieschijven nog op hun plaats lagen; maar zo broos was deze schijnbare stevigheid, zo zei de gids, dat als een windvlaagje de restanten zou raken, ze tot stof zouden verpulveren.

Toen we meer dan een half uur door de bochtige gangen hadden gelopen, kwamen we tenslotte aan bij de kapel van de heilige Priscilla.

***

De catacomben van Priscilla, foto van Charles Smeaton (Collectie John Henry Parker, Victoria and Albert Museum, Londen)

Hier gaat Smeaton aan het werk. Na enige tijd beginnen de vrienden van Smeaton zich te vervelen. Smeaton vraagt de opzichter zijn vrienden terug te brengen naar de uitgang. Zelf is hij nog niet klaar met zijn werk en blijft alleen achter.

***

Allen lieten ze me achter. Even stond ik stil onder invloed van een vreemd, onbeschrijfelijk gevoel – mijn ogen hield ik op hen gericht zo lang als de vage flikkering van de kaars van de opzichter te zien was – mijn oren absorbeerden de echo’s van de zich verwijderende voetstappen, totdat die tenslotte ook verzonken in een donkere, onbehaaglijke duisternis. Toen was ik alleen met de doden.

Ik wierp het spook dat over me heen leek te hangen, van me af. Met herwonnen energie ging ik weer aan het werk. Geestelijk en lichamelijk daardoor volledig in beslag genomen wijdde ik geen enkele gedachte meer aan de afwezigheid van levend gezelschap. Dat ging een tijd goed, maar toen ik alle opnamen gemaakt had die ik me had voorgenomen, begon ik mijn spullen in te pakken om klaar te staan voor vertrek, zodra de opzichter zou terugkeren. Terwijl ik daarmee bezig was, realiseerde ik me dat de opzichter toch eigenlijk al lang terug had moeten zijn. Toen ik op mijn horloge keek, zag ik dat hij al meer dan twee uur weg was. Tijdens mijn werk had ik niet op de tijd gelet, maar nu ik klaar was en niets meer te doen had, begon ik me af te vragen hoe het kwam dat hij zo lang wegbleef. Om de tijd te doden liep ik wat rond, keek nu eens in het ene graf, daarna in het andere. Ik maakte me een voorstelling van de lang vervlogen tijden, toen het stof dat voor me lag, leefde en bewoog, bestond, genoegens beleefde en pijn, liefde en haat voelde, trots en eerzucht of vroomheid en nederigheid en alle andere gevoelens die de menselijke geest beheersen in de omgang met zijn medemensen op zijn ingewikkelde kronkelpaden van zijn bestaan als sterveling.

Moe van deze overpeinzingen gingen mijn gedachten een andere richting uit. Het vermoeden kwam bij me op dat de gids iets was overkomen en dat hij nooit meer terug zou komen. Een lange reeks verhalen drong zich toen aan mij op over mensen die, gehuld in de duisternis van deze gangen, waren verhongerd en nooit meer tevoorschijn waren gekomen. Mijn verbeelding werd geprikkeld door iedere gebeurtenis in deze angstaanjagende verhalen en klampte zich hardnekkig vast aan de afschuwelijkste en hartverscheurendste details met het resultaat dat ik ging denken dat ook ik op die vreselijke lijst zou komen staan van levend begravenen. Ik zou, net als zij ongetwijfeld hadden gedaan, gaan ronddolen in het vreeswekkende knekelhuis, de kwellingen ondergaan van dorst en honger, visioenen van beroemdheid, ambitie, geluk en huiselijkheid zien verbleken, een prooi worden van krankzinnigheid en wanhoop en tenslotte de Dood zien naderen die met zijn koude, klamme handen, te midden van al deze verschrikkingen, het donkere en stille lijkkleed van de aardse ondergang om me heen slaat. Onder invloed van zulke gedachten leken mijn oren gevuld te worden met vreemde geluiden, geluiden die niet te beschrijven zijn, geluiden zoals ik nog nooit gehoord had, maar die leken te komen uit het graf of de catacombe, totdat ik, omdat ik ze niet kon verdragen – allemaal ingebeeld, voelde ik – naar de kapel terugstormde en al zittend mijn gedachten poogde te richten op zaken en situaties die helemaal anders waren dan de omgeving van dat moment.

De catacomben van Priscilla, foto van Charles Smeaton (Collectie John Henry Parker, Victoria and Albert Museum, Londen)

Het was allemaal vergeefs: de harde realiteit en angstaanjagende beelden keerden weer terug. Ingespannen sperde ik ogen en oren open om ieder signaal op te vangen van de terugkeer van de opzichter, maar deze troost bleef uit. Voor de eerste keer dacht ik aan mijn kaarsen. Alle drie had ik ze laten branden zonder er acht op te slaan! Tot mijn grote schrik bleek er een al opgebrand te zijn, de andere twee zouden, ook als ik er een uit zou doen om als reserve te dienen, nauwelijks nog een half uur aan blijven en dan … totale duisternis.

De kaars die ik had uitgemaakt, stopte ik zorgvuldig weg, de andere liet ik branden. Ik stak mijn magnesiumlamp aan en begon weer te dolen langs de gangen en strooide in het wilde weg heldere lichtbundels door de duisternis rondom. Dit tijdverdrijf leverde me niks op. Het licht dat ik verspreidde, wierp hier en daar verspringende schaduwen, het beefde door het nerveuze schudden van mijn hand, toverde voor mijn ontregelde ogen bleke, spookachtige gestaltes tevoorschijn die rondwaarden in hun witte lijkwaden. Het leek wel of ze zich verbaasden over dat vreemde licht dat hun graven bescheen na zo vele eeuwen duisternis. Zo echt leek deze illusie dat mijn hartslag lager werd en pijnlijk en moeizaam, een gevoel van naderende bewusteloosheid besloop me langzaam. Ik leunde tegen de wand. Je kunt je voorstellen wat ik dacht toen ik de wand langzaam onder mijn gewicht voelde wegzakken. Die extra paniek bracht me weer bij bewustzijn. Terwijl ik overeind krabbelde, kwam ik erachter dat ik had staan leunen tegen een marmeren grafplaat die losgeraakt was door mijn gewicht en voor mijn voeten op de vloer van de gang was gevallen tegelijk met een deel van de botten van de ‘bewoner’.

Ik strompelde terug naar de kapel, ging zitten en probeerde mijn zenuwen tot bedaren te brengen en mijn geest aan te zetten tot logisch nadenken. Even lukte me dat. Plotseling realiseerde ik me dat ik mijn magnesiumlicht op een heel dwaze wijze had verspild, temeer vooral omdat de kaars die ik had laten branden in de houder lag te smeulen. Ik stak de laatste kaars aan, deed mijn lamp uit en besloot rustig en geduldig te wachten op de komst van de opzichter.

Het was een goed voornemen, maar uitgevoerd werd het niet, net zo min als soortgelijke andere voornemens. Rustig en geduldig kon ik niet zijn. Dus sprong ik opnieuw overeind en ging een kapel in naast de kapel waarin ik gewerkt had. Ik had nauwelijks een pas of zes gezet, toen mijn voet botste tegen iets wat op de vloer lag. Ik bukte en stak mijn hand uit om te voelen wat het was en huiverde tot in het diepst van mijn hart van onbeschrijfelijke angst, toen ik zag dat mijn vingers staken in de oogkassen van een mensenschedel, misschien wel, dacht ik, de schedel van iemand die daar was achtergelaten en zo aan zijn einde was gekomen, zoals mij zou overkomen.

Op dat moment trof een vreemd geluid mijn oren. Ik rende terug naar de kapel, gek van ontzetting en angst, moet ik toegeven. Daar trof ik de opzichter aan die zich uitputte in verontschuldigingen, omdat hij me zo lang alleen had gelaten.

Hoe ik me toen voelde, laat zich raden, maar die drie uren alleen in de catacomben zullen nooit uit mijn geheugen gewist kunnen worden, totdat ik ben weggezonken in die vredige slaap waarin die mensen gedompeld waren die me toen omringden.

***

Helaas voor Smeaton kwam dit moment al snel: in maart 1868, een jaar na zijn bezoek aan de catacomben, kwam hij te overlijden in Rome, waar hij op het Protestants kerkhof begraven ligt. Hij werd slechts negenentwintig jaar oud en overleed aan een hersenaandoening.

Literatuur

John Osborne, “An incident in the Catacombs: Charles Smeaton” in: Rivista di archeologia cristiana 92 (2016) pp. 349-364 (de brief staat op pp. 358-362).

Een ruwweg even oud maar minder huiveringwekkend verslag van een bezoek aan de catacomben is hier. Met dank aan Peter van der Pasch.

Deel dit:

3 gedachtes over “Verdwaald in de catacomben

  1. Huibert Schijf

    Intrigerend als eerste foto’s van de catacomben uit 1867. Les: zoek overal naar bronnen en gij zult vinden.

    1. Huibert Schijf

      En een nieuwe techniek maakt een nieuw soort fotografie mogelijk, want haarscherpe fotografie met glasplaten was al bekend.

  2. Dirk Zwysen

    Smeaton is niet te benijden omwille van zijn avontuur, maar hij had in ieder geval het geluk om deze plekken zonder massatoerisme te bezoeken. Geleide groepsbezoeken zijn een noodzakelijk kwaad. Interessant omdat je er uitleg bij krijgt, jammer dat je de plek niet op je eigen tempo en in alle rust in je kan opnemen. Dat merkte ik recent nog in het gangencomplex onder Dover Castle.

    Voor wie het nog niet gelezen heeft na een erder stukje onder de catacomben: een link naar Arthur Conan Doyle’s The New Catacomb uit 1898, een beklijvend verhaal met een onaangenaam einde.

    https://www.arthur-conan-doyle.com/index.php/The_New_Catacomb#The_New_Catacomb

Reacties zijn gesloten.