Op rooftocht in de catacomben

Johann Christian von Mannlich, die de catacomben plunderde

Vanaf de achtste eeuw verdwijnen de meeste catacomben rondom de stadsmuren van Rome geleidelijk uit de collectieve herinnering. Uit angst voor plunderingen van de martelaarsgraven brengen achtereenvolgende pausen namelijk de stoffelijke resten van martelaren en hun grafinventaris over naar kerken binnen de stadsmuren van Rome. Daarmee komt er een einde aan de eeuwenlange traditie van pelgrimstochten van christenen uit heel Europa die in Rome kwamen bidden in de catacomben bij de graven van de martelaren die tijdens de christenvervolgingen voor hun geloof waren gestorven. De catacomben worden niet meer bezocht en de ingangen ervan raken overwoekerd en ontoegankelijk.

Groot was de sensatie toen aan het einde van de zestiende eeuw bij toeval een ondergronds gangenstelsel werd ontdekt. In de jaren daarna kwamen veel meer catacomben weer in beeld dankzij de pioniersarbeid van de eerste serieuze catacombenspeurder Antonio Bosio, die om die reden de eretitel Columbus van de catacomben heeft gekregen. Het prachtige boek dat zijn onderzoek opleverde, is via internet nu voor iedereen toegankelijk.

De ontdekking van al die catacomben had echter ook een keerzijde. Voor velen werd duidelijk dat de catacomben allerlei fraaie voorwerpen bevatten. Dit leidde ertoe dat er tussen de zeventiende en negentiende eeuw op grote schaal geplunderd is. En de plunderaars zijn niet alleen arme Romeinen geweest die zo in bezit konden komen van gratis bouwmateriaal of criminelen die zo flink geld konden verdienen met de handel in oudheden. In 1767 verbleef de jonge Duitse edelman Johann Christian von Mannlich, die later directeur zou worden van de Pinakothek in München, in Rome. Van zijn hand is het volgende verslag bewaard gebleven van schaamteloze rooftochten in de catacomben.

***

Wij gingen op weg, uitgerust met rollen bindtouw, hamers, tangen, aanstekers, fakkels en kaarsen. Ook hadden we sterke kabeltouwen meegenomen waarlangs we ons konden laten zakken in de openingen of kuilen die we hoopten te vinden. Na lang zoeken stuitten we tenslotte op een vrij brede met braamstruiken begroeide kuil. Angst voor slangen en schorpioenen deed ons in eerste instantie terugschrikken. Maar nadat we een fakkel hadden aangestoken en het dikke touw hadden vastgebonden, besloot ik om af te dalen. Ik stond op een afgegleden hoop aarde, vóór mij een gat van nauwelijks drie voet breed dat de bodem in ging. Ik hield mijn fakkel voor me uit om reptielen te kunnen zien, en kroop op handen en voeten naar binnen. Valdré, die achter mij naar beneden gekomen was, knoopte zijn bindtouw aan het sterke kabeltouw vast en volgde me. De anderen deden hetzelfde met uitzondering van Alizard. Die moest op wacht staan, het kabeltouw bewaken en naar ons in de ondergrondse vertrekken laten zoeken, mochten we niet meer terugkomen. Terwijl we in de smalle, nauwelijks zeven voet brede gang, op handen en voeten verder kropen, kon ik, verblind door de fakkel die ik voor me hield, niets zien. Maar toen ik omkeek en het licht achter mijn rug hield, zag ik dat ik in een gewelfde ruimte was die zonder metselwerk eenvoudigweg in de aarde was uitgehakt, ongeveer zeseneenhalve voet hoog en vijf voet breed. Aan mijn rechter- en linkerkant bevonden zich boven elkaar drie graven in de wand. Ieder graf herbergde een volledig bewaard skelet. De platen die vroeger de lijken afgedekt hadden, waren allemaal op de grond gevallen en bemoeilijkten het ons om vooruit te komen. Zo ver als het schijnsel van het fakkellicht reikte in de groeve, ontwaarde men niets anders dan blinkend witte geraamtes, waarvan de naar beneden gevallen ribben en losgeraakte voetbotten de grond bedekten.

We liepen rechtdoor, terwijl we het bindtouw afwikkelden. Aan beide zijden vertoonden zich, haaks op ons pad, nog andere gangen met graven, die we echter niet in durfden te slaan uit angst dat we de weg zouden kwijtraken in dit enorme labyrint. Omdat we tot nu toe nog geen enkel gesloten graf gevonden hadden, sloegen we één keer naar rechts af. We hadden onze zakken al volgepropt met de dodenlampjes die in de wandpijlers tussen de graven ingemetseld waren. Na ongeveer honderd passen ontdekte ik een grafplaat die nog op zijn plaats zat. Gedreven door onstuimige nieuwsgierigheid liet ik die door een klap van mijn hamer naar beneden vallen zonder het opschrift gelezen te hebben. Dit graf was dieper dan de andere en bevatte een paar skeletten en wel  van een liefdevol echtpaar dat tegelijk gestorven was, en van een kind,  achterin naast de moeder. Toen ik enkele kleine voorwerpen wilde pakken, raakte ik het skelet aan, dat, hoewel het intact leek, tot stof verviel en geen ander spoor overliet dan een hoop wit, meelachtig poeder. Naast het kind lag een stuk zilveren speelgoed dat behangen was met belletjes en kleine staafjes ivoor, die kneedbaar waren als was, terwijl het zilver er zwart uitzag. In het lichtschijnsel viel mijn oog op een armband van verguld koper. Die was door het gewicht dwars door de onderarm gesneden die in de loop van anderhalf duizend jaar door de vochtigheid zacht geworden was. Toen ons bindtouw helemaal afgewikkeld was, keerden we met behulp daarvan via dezelfde route weer terug in het daglicht.

Dit eerste uitstapje, dat ons zeer geboeid had, was aanleiding voor Chevalier Bellefontaine en nog een paar anderen om de volgende keer mee te gaan. Omdat we van de fakkels bij de eerste onderzoekingen hinder hadden ondervonden, besloten we onze dienstknechten mee te nemen die ons moesten bijlichten. Al vóór acht uur ’s ochtends waren we bij de kuil aangekomen die naar de catacombe leidde.  Dit keer sloegen we linksaf, een andere richting in, en marcheerden lang door zonder evenwel op een ongeopend graf te stuiten. In enkele vonden we tranenkruikjes van glas en gebakken klei, waarin de verwanten en vrienden van de overledene hun tranen hadden verzameld. Eindelijk een gesloten graf! Ik opende het. Naast het skelet lag iets dat er uitzag als een muziekinstrument. Wat ooit van hout geweest zal zijn, was er niet meer, maar het voorste deel van ivoor, dat leek op het brede uiteinde van een hobo, was nog ongeschonden, echter zo zacht dat je het voorzichtig op een stuk leisteen moest neerleggen om het heelhuids naar het daglicht te brengen waar het dan zijn hardheid weer helemaal terugkreeg. Lang dwaalden we in de dodenstad rond totdat de honger aan ons begon te knagen.

In een simpele herberg nuttigden we een nog simpelere maaltijd. We kropen zo snel mogelijk weer terug onder de grond, zonder echter nog een nieuw complex en andere voorwerpen aan te treffen. Omdat onze voortgang door het snoer dat we moesten afwikkelen, maar langzaam vorderde, haastte Valdré zich samen met een vriend, onstuimiger en vooral onvoorzichtiger dan wij, met snellere pas voorwaarts. Zij lieten van tijd tot tijd een van de propjes papier, die ze gemaakt hadden van een kapot gescheurde brochure, op de grond vallen, om het touw terug te kunnen vinden. Wij zelf waren zo in beslag genomen door ons speurwerk dat we hun afwezigheid niet opmerkten. Terwijl we verder doordrongen, kwamen we eindelijk bij een kleine opening uit bij een trap die nog verder naar beneden leidde.

De gewelfde gangen van deze onderste verdieping van de catacombe waren hoger en breder en verscheidene graven waren nog ongeopend; in sommige daarvan waren, behalve de naam van de gestorvene, palmtakken gegraveerd die een verstrengelde X en P omringden.

Ik opende een van de graven en vond naast het skelet een oppervlakkig in een hoek vastgezette fles van terra sigillata, die als deksel een vormeloos stuk leisteen droeg. Deze fraaie, rijk versierde en mooi gevormde fles omsloot een vette, zwarte massa, die als stijfsel aan de bodem zat vastgeplakt. Vermoedelijk ging het om een graf van een martelaar en dat stuk vaatwerk had oorspronkelijk waarschijnlijk een deel van zijn bloed bevat dat hij voor zijn heilig geloof had vergoten. Verscheidene lampen waren nog rijker versierd en mooier dan die van de hogere verdiepingen. Bij de voortzetting van onze wandeling stuitten we op een kleine zaal met marmeren zuilen en vervolgens op nog twee andere die eveneens zonder graven leken te zijn. Muren en plafond waren met een stuclaag bedekt; de eerste zaal was versierd met frescoschilderingen die wijnranken en druiven, vogels en enkele fabels van Aesopus voorstelden. In de laatste zaal verhief zich, geleund tegen de wand, een altaar, daarboven een fresco met Christus aan het kruis, de heilige jonkvrouw en de heilige Johannes. De eerste christenen konden nauwelijks beter beschermd zijn tijdens de vervolgingen dan hier onder de grond, waar zij zich verzamelden en hun feesten en diensten vierden.

Een gevoel van ontzag beheerste en ontroerde ons allen zonder uitzondering in deze toevluchtsoorden der rechtvaardigen. Maar al spoedig kregen de nieuwsgierigheid en de wens om een tastbare herinnering aan dit heilige oord te bezitten, de overhand. Zo sneed ieder van ons voor zichzelf enkele stukken uit het beschilderde muurwerk van de voorzaal. De kruisigingsgroep werd echter uit respect ontzien. Ik koos voor me zelf de fabel van de wolf en het lam uit, een fraai geschilderde vogel en een druiventros met wijnrank. Niets was gemakkelijker dan het losmaken van dit stuk uit de muur. Het stuk was zacht als kaas en kon eenvoudig van de ondergrond weggesneden worden; er was grotere voorzichtigheid vereist om het heelhuids naar het daglicht te brengen.

In het jaar daarop keerden we bij herhaling daarheen terug, weliswaar met grotere voorzichtigheid, maar vonden nooit meer even opmerkelijke voorwerpen als die in de beide kapellen waren. De fabel van de wolf en het lam, de vogel en de druiventrossen had ik laten inlijsten achter glas en ik heb ze samen met de martelaarsfles, het kinderspeelgoed, het muziekinstrument en de armband tot mijn terugkeer naar Zweibrücken zorgvuldig bewaard.

Literatuur

De originele tekst van het verslag van Von Mannlich is opgenomen in het boek van Hans Achelis, Römische Katakombenbilder in Catania 1932 pp. 2-6.

[Een gastbijdrage van Peter van der Pasch. Dank je wel Peter!]


Het Ottomaanse Rijk

april 26, 2015

Gevelstenen

maart 20, 2016
Deel dit:

3 gedachtes over “Op rooftocht in de catacomben

  1. FrankB

    “de eretitel Columbus van de catacomben”
    Veranderende normen en waarden ….. dit is tegenwoordig het tegengestelde van een eretitel.

  2. Dirk Zwysen

    Weten we of de buit van deze ontdekkingsreis/rooftocht bewaard is?

    Natuurlijk hoort het zo niet te gaan, maar soms ben ik toch jaloers op deze vermogende heren uit de 18de eeuw die dit alles konden aanschouwen voor het massatoerisme.

Reacties zijn gesloten.