
In het vorige stukje noemde ik de plaatsen waar aan het begin van de jaartelling Joden leefden. Dat was eigenlijk in de hele antieke wereld.
Variatie
Het gaat om groepen wier interne autonomie door het Romeinse Recht werd erkend, wat ook logisch was, want men kon alleen leven naar de eigen regels als de rest van de stedelijke gemeenschap daar een beetje rekening mee hield. Flavius Josephus biedt een opsomming van de rechten die Julius Caesar in een dozijn steden verleende aan de Joodse minderheden.
Ik gebruik tot nu toe de hoofdletter J, want tot nu toe ging het nauwelijks om religie. Maar de verspreiding van het volk betekende wel dat variatie ontstond in de joodse godsdienstige gebruiken en ideeën. Er waren allerlei afwijkingen van wat in het moederland gangbaar was. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat Diaspora-Joden tijdens de sabbat vastten, wat mogelijk een manier was om in een overwegend niet-Joodse omgeving de spijswetten en sabbatsrust enigszins in acht te nemen. Later zou men in Rome het paaslam slachten zoals men dat in Jeruzalem had gedaan toen de tempel er nog stond, hoewel deze gewoonte in Judea was afgeschaft.
De pluriformiteit van het Diaspora-Jodendom viel overigens alleen maar te verwachten, want de Joden buiten het land van Israël spraken nauwelijks Hebreeuws, de taal waarin het farizese en rabbijnse onderricht werd gegeven. Zo zijn uit Rome zo’n zeshonderd Joodse grafschriften bekend, waarvan de overgrote meerderheid is opgesteld in het Grieks en een klein deel in het Latijn, terwijl slechts een enkele tekst is geschreven in het Hebreeuws of Aramees.
Hoewel er dus verschillen waren, bleef de Joodse periferie verbonden met Jeruzalem, bijvoorbeeld doordat er altijd pelgrims heen en weer reisden en doordat er belastingen werden afgedragen aan de tempel. Hoe omvangrijk de pelgrimage was, blijkt wel uit het feit dat de capaciteit van de waterleiding te Jeruzalem ten tijde van prefect Pontius Pilatus (r.26-36) moest worden uitgebreid. Josephus meldt ook dat in 66 na Chr. tijdens Pesach niet minder dan 225.600 offerdieren werden geslacht.
Jeruzalem en de Diaspora
Een wat macabere vorm van contact tussen Jeruzalem en de Diaspora is de gewoonte van rijke Joden om na hun dood hun gebeente, als het lichaam was vergaan, te laten opgraven en te laten herbegraven op het Akeldama-grafveld ten zuiden van Jeruzalem. Het volk in de Diaspora keek dus naar het centrum en omgekeerd gaven de autoriteiten in Judea adviezen aan de periferie.
De Diaspora-joden trokken echter meestal hun eigen plan en het zou verkeerd zijn te denken dat ze grote gewetensproblemen hadden met een dubbele loyaliteit aan Jeruzalem en de stad waar ze woonden. Zoals iedereen in de Oudheid hadden ze verschillende identiteiten, die elkaar soms sneden – zoals wanneer een Jood een stedelijk ambt wilde bekleden en een offer moest brengen aan een zijns inziens valse god – maar veel vaker aanvulden. Iets dergelijks kan worden gezegd over de spanning tussen traditionalisme en assimilatie: het lijkt erop dat de Diaspora-joden hun eigen selectie maakten uit wat ze overnamen uit het joodse erfgoed en hun niet-joodse omgeving.
Syncretisme
In een tijd waarin steeds meer mensen neigden tot de aanname dat alle goden manifestaties waren van één god, voelden sommige heidenen zich aangetrokken tot het Jodendom, dat kon claimen vergelijkbare waarheden al eerder te hebben ontdekt. Voor een Griek was de joodse Zeus of Dionysos een aanvulling op de verzameling goden die hij al vereerde, zoals hij ook een Isis aan zijn pantheon kon toevoegen. Eventueel kon hij Jahweh vereren onder de naam Theos Hypsistos. Syncretisme, het aan elkaar gelijkstellen van goden, was doodnormaal.
Er was echter een verschil. De vele goden waren voor een Isisaanhanger manifestaties van de ene godin, en dus was er geen probleem om een eed af te leggen bij Jupiter of deel te nemen aan de stedelijke cultus voor Athena. Een voorkeur voor Isis sloot erkenning van andere goden niet uit. Voor de joden lag dat anders. Zij mochten niet aan andere goden offeren. Hoewel we de creativiteit van de gewone gelovigen bij het harmoniseren van conflicterende religieuze ideeën niet moeten onderschatten, kon een Griek of Romein die jood werd, niet langer deelnemen aan de stedelijke culten, waarin de mensen zich als offergemeenschap presenteerden aan de goden en hun steun afsmeekten. Jood worden was een ingrijpende keuze: je brak tot een bepaalde hoogte met je land- en stadsgenoten.
Soms waren er dus anti-joodse gevoelens, maar die waren niet sterker dan de weerzin die Isisaanhangers, Bacchusvereerders of astrologen opriepen. Het kon echter zo nu en dan komen tot vervolging. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 19 na Chr., toen keizer Tiberius de joden uit Rome wegstuurde, of in 38, toen het in Egypte kwam tot een pogrom. Gé de Vries schreef er een mooi boek over, Pogrom in Alexandrië.
De Joden waren een makkelijk doelwit: hun tegenstanders wisten hun gebedsplaatsen meestal snel te vinden. Alleen al uit Rome zijn er elf bekend en als die eruitzagen zoals de synagoge die is opgegraven in Ostia, waren het opvallende gebouwen. In zulke situaties, of in oorlogstijd, werd geloof gehecht aan allerlei grove en lasterlijke verhalen. Een overzicht daarvan is te vinden in het geschiedwerk van Tacitus die, als hij begint met het verslag van de Romeinse aanval op Jeruzalem in 70 na Chr. – dus in een oorlogscontext – een intens gemene beschrijving geeft van de Joden.
Zo waren de Joden, of ze nu leefden in het land van Israël of in de Diaspora, een gefragmenteerd volk. Ze konden rijk of arm zijn; ze konden Aramees of Grieks of Latijn spreken; ze konden de gewijde teksten lezen in het Hebreeuws of Grieks of Aramees; ze konden voor of tegen de tempelcultus zijn; ze konden zich veel of weinig aantrekken van de halachische discussies. Kortom, “het” jodendom bestond niet.

Armeense volkscultuur
Byblos in de Perzische tijd
Damasus
Ik vroeg mij af of er nog een deeltje 3 en 4 komen met respectievelijk de diaspora op het Arabisch schiereiland, vooral in Jemen en de Hejaz, die van enig belang is bij het ontstaan van de Islam, en de verspreiding van Joden oostelijk van het Romeinse rijk, die in deel 1 wel even wordt genoemd maar verder niet behandeld. Ik heb inmiddels gelezen dat de Ethiopische joden, ook wel Falasja genoemd, waarschijnlijk bekeerlingen zijn en geen diaspora-joden, al weet je het bij 1 DNA-test natuurlijk nog lang niet zeker.
Hopelijk wel.
Tussen mijn nog niet weggedane boeken vond ik The Penguin Atlas of Diasporas (1995). Een fraai boekwerkje met vele plaatjes, vooral kaarten met pijlen en daarbij verklarende teksten.
Van de 180 bladzijden zijn ruim 70 gewijd aan The Jewish Diaspora. Vanaf de Exodus tot aan China, een indrukwekkend overzicht van de omzwervingen van joodse mensen door de eeuwen heen. De Oudheid is met 14 bladzijden snel na te kijken en is, evenals het vervolg, zeer informatief. Arrabie en oostelijke verspreiding komen ook aan de orde. De twee tekstjes van Jona zijn een mooie aanvulling.
Het boek gaat verder met kleinere diaspora’s, bv. The Armenians, The Gypsies, The Irish en aan het eind enkele bladzijden over The Libanese en Palestinian Diasporas.
Dit mooi uitgevoerde en verhelderende boekje gaat niet naar de kringloop.
ad Pluriformiteit:
…”de Joden buiten het land Israël spraken nauwelijks hebreeuws”..
Maar hoe zit het dan met het ‘bar mitswa’?
Men kon toch wel hebreeuws lezen?
Het lijkt mij dat dit teken van geletterdheid, in dezen het enige criterium is dat van belang is.