Driemaal de Iraanse Revolutie: F. Springer

Ze waren er allemaal weer. Pulpschrijver Toby Harrison. Zijn verblijf in Teheran. De ironische gesprekken. De overdonderende entree van Bill Turfjager, Nederlands consul aan het hof van zijne keizerlijke majesteit sjah Mohammed Reza. De schitterende typeringen (‘hete lucht gevangen in een aanmatigend letterbeeld’). Arie van der Meer. Harrisons onmogelijke liefde voor zijn Iraanse secretaresse Pat Jahanbari. De kortste mooie zin uit de Nederlandse letteren (‘Oh my God’). Hadji Baba. En tot slot, als de lezer denkt dat het boek is afgelopen, de genadeslag.

De zevende druk van Teheran. Een zwanezang, wel eens beschouwd als de beste roman van F. Springer (1932), was reden voor een feestje en Uitgeverij Querido liet de lezers in de vreugde delen door de prijs te verlagen tot ze bijna redelijk werd. Reden genoeg om het in 1991 voor het eerst verschenen boek te herlezen en de vraag te stellen of het nog steeds evenveel plezier en pijn doet. Is het, met andere woorden, inderdaad een klassieker?

Ja.

Het menselijk leed van de Iraanse revolutie is letterlijk niet voor te stellen. Terecht noemde de socioloog Charles Kurzman in 2004 zijn boek The Unthinkable Revolution in Iran. Deze onvoorstelbaarheid maakt beschrijven lastig en vermoedelijk heeft Springer er daarom voor gekozen verslag te doen in wat op het eerste gezicht een komische vertelling lijkt. Het verhaal kabbelt aangenaam voort met een overzichtelijk aantal zeer welbespraakte hoofdfiguren, die voortdurend, zoals een hunner het aanduidt, rookgordijnen van vormelijke clichés leggen. Dat leest lekker.

De lezer wordt meegesleept en identificeert zich al snel met ik-figuur Harrison, die zichzelf beschouwt als een schelm en, net als de Nederlandse gemeenschap in Teheran, redeneert dat bedriegers het in Iran ver schoppen. Dat lijkt aardig te kloppen: hij ontmoet zelfs de sjah, die leeft in een droomwereld en denkt profijt te hebben van de lof die de pulpschrijver zijn dynastie toewuift. De Iraanse Nederlanders begrijpen weinig van hun gastheren; als Khomeiny op het punt staat de macht over te nemen, is de analyse van de Nederlandse consul nog altijd niet genuanceerder dan dat de Middeleeuwen op Teheran neerdalen.

Vreemd is het dus niet dat ook Harrisons liefde voor zijn secretaresse een onmogelijke blijft. “Gedoemde liefde bloeit het best om vijf voor twaalf”, bromt iemand hem toe, en inderdaad: de twee gelieven krijgen de tijd niet om elkaar te leren kennen. Tot op de laatste pagina kan Harrison Jahanbari’s dilemma – meegaan met de man van wie ze houdt of trouw blijven aan haar volk – niet begrijpen.

Dat leidt tot een schrijnende ontknoping, en dan volgen de terecht beroemd geworden laatste drie pagina’s, de ‘aantekeningen’ waarin Harrison de lezer eraan herinnert dat het liefdesrelaas maar een gering drama is en dat tijdens de revolutie het kattenkwaad der schelmen plaats maakte voor iets dat niet meer met humor kan worden beschreven. Doordat de lezer zich tientallen pagina’s heeft laten meevoeren door het kabbelende verhaal, komt het serieuze einde aan als een mokerslag.

Dat is groots. Toch denk ik dat als Springer dit manuscript nu zou inleveren, zijn uitgever vragen zou stellen. De actualiteit van de Iran revolutie is met het verstrijken van de jaren geringer geworden. Een generatie na dato wordt genuanceerder over die gebeurtenis gedacht dan het simpele “de Middeleeuwen dalen op Teheran neer”, al was het maar omdat sinds die elfde september iedereen weet dat de gewelddadige export van het moslimfundamentalisme eerder een soennitisch dan een sjiitisch probleem is. Een boek dat anno nu niet verder komt dan de stelling dat Iran terugkeerde naar de Middeleeuwen, mist actualiteit. Op het eerste gezicht is Teheran. Een zwanezang verouderd, zoals onvermijdelijk met elk boek gebeurt.

Op het tweede gezicht ligt het genuanceerder. In de jaren tachtig, toen Springer dit boek schreef, gold de Iraanse revolutie als iets gruwelijks, waaruit niets goeds kon voortkomen. Men negeerde dat Khomeiny’s revolutie het patriarchaat brak en dat vrouwen, ondanks een verlies aan basisrechten, er niet alleen op achteruit zijn gegaan. Ook Harrison ziet niet dat Jahanbari een positieve reden kan hebben om de revolutie te steunen. Wellicht zag Springer het evenmin, maar hij lijkt er halfbewust rekening mee te hebben gehouden door geen uitspraak te doen over haar motief.

Die opzettelijke lacune maakt dat dit boek de hedendaagse lezer, die méér weet dan Harrison, op een andere manier blijft boeien dan de auteur vermoedelijk bedoelde. Het is alsof Springer heeft aangevoeld op welk punt zijn eigen visie door de tijd zou worden ingehaald en andere beoordelingen zouden ontstaan. Misschien vormt die sensitiviteit het verschil tussen een capabele schrijver en de auteur van een tijdloze klassieker.

Meer boeken over de Iraanse revolutie:

[Deze bespreking verscheen eerder op Recensieweb.]

About these ads

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 223 andere volgers

%d bloggers like this: