Reinerus Neuhusius (2)

[Op 12 december 2014 publiceerden S. Sybrandy en P. van Tuinen het boek Geldzucht en godsvrucht. Bloemlezing uit de brieven van rector Reinerus Neuhusius (1608-1679). Historicus Wiebe Bergsma sprak bij die gelegenheid. Het eerste deel las u hier.]

Reinerus Neuhusius was de zoon van een rector van de Latijnse school in Leeuwarden. De familie kwam oorspronkelijk uit het Duitse Steinfort. Reinier studeerde in Franeker, was gouverneur van drie geprivilegieerde Friezen tijdens hun studiereis door Engeland en Frankrijk, werd rector van de Latijnse school in Harlingen en vervolgens werd hij in 1638 in eenzelfde functie benoemd in Alkmaar. Hij publiceerde tal van boeken en had als nevenfunctie het bestieren van een kostschool die van heinde en ver meestal gereformeerde jongens – vrouwen speelden amper een rol in het onderwijs – uit gegoede adellijke Friese families aantrok.

Deze rector had een uitgebreid netwerk zoals blijkt uit zijn omvangrijke correspondentie. Ruim negenhonderd brieven heeft hij in het Latijn in brievenboeken, soms voorzien van gelegenheidsgedichten en rouwverzen, laten drukken. “Mijn leven”, zo schreef hij in een korte, nog tijdens zijn leven gedrukte autobiografie, “is vanaf de wieg tot mijn laatste oude dag altijd gekenmerkt geweest door zeer vrome neigingen en handelingen”. Die eigen levensbeschrijving, opgenomen in een van zijn brievenboeken, is, zoals te verwachten, een niet geheel conform de waarheid getekende zelfrepresentatie, waarin de godsvrucht en de humanistische idealen wat meer de nadruk kregen dan eigenbelang en geldzucht.

Reinerus’ brieven bieden een mooi inkijkje in het geleerdenleven van een man van het tweede plan in de Republiek der Letteren, want deze rector correspondeerde met tal van toenmalige grootheden. De parallellen met het heden zijn in overvloed aanwezig. Enkele voorbeelden mogen volstaan.

In 1637 schreef hij aan een uit Duitsland afkomstige hoogleraar Grieks in Franeker:

Wat zou Friesland zelf, dit ons vaderland, zeg ik, zijn, met welke lof en eer bekleed, als het niet van alle kanten, uit verschillende delen van de wereld, een schare van de geleerdste mannen had uitgenodigd, voor de kerk, voor de Academie en voor de scholen?

Met de “zoek-en vervang-toets” kan een PR-medewerker van een onderzoeksinstelling zo aan de slag. Neuhusius leefde slechts voor de humaniora, maar hij besteedde een groot deel van zijn tijd ook aan zijn kostschool en deed veel moeite om leerlingen met gefortuneerde ouders binnen te halen. In een andere context lijkt dit een beetje op tandheelkundig onderzoek op mijn geliefde alma mater de RUG, waarbij een hoogleraar met een aandeel in dit onderzoek tot de conclusie kwam dat het mondwater van het bedrijf waar hij toevallig aandelen in had, als beste uit de bus kwam (het ergste is trouwens dat ik mij niet over die nevenfunctie verbaas, maar die conclusie gewoon verwacht).

Van Seneca tot Neuhusius en van Erasmus tot hedendaagse beoefenaren van de humaniora wordt een Bildungsideaal beleden. Volgens de grote negentiende-eeuwse historicus Burckhardt zou geschiedenis ons “Weise für immer” maken. Wie zelf een academische opleiding heeft genoten en dat nog gelooft, heeft nog nooit op een onderzoeksinstelling of een universitaire faculteit rondgelopen óf kent zichzelf niet.

Iedere onderzoeker van het vroegmoderne humanisme kan vele overeenkomsten met onze eigen tijd aanwijzen. Voor mij als historicus gaat er bemoediging uit van een paar zinnen die Neuhusius schreef aan een Franeker hoogleraar in de theologie:

Wat de Muzen betreft, die zijn hier volstrekt niet in tel. Niemand wenst die Beschermgodinnen van de vrije kunsten te eren en te dienen. En dat is niet alleen hier zo. Ik vrees dat overal in ons vaderland de eerbied voor de ‘bonae artes’ verdwijnt. Zozeer, dat de goede leraren terecht kunnen klagen over hun ambt en hun onderricht, omdat ze in dit heilloos tijdsgewricht zo weinig succes boeken bij de slome jeugd. Toch is het niet juist om de gouden discipline van de voorbije tijd de hemel in te prijzen en de huidige van geen enkele waarde te achten.

Veel nieuws is er niet onder de zon.

Neuhusius heeft het onderwijs gediend, als latinist heeft hij vele redes gehouden, gedichten geschreven en teksten op zijn vakgebied vervaardigd. Als rector met veel ambities was hij een bijzonder man, maar in de internationale Republiek der Letteren speelde hij geen prominente rol. Hij was geen toponderzoeker met excellente publicaties.

Ook daarin kunnen wij ons als liefhebbers van de humaniora herkennen. De Groningse historicus E.H. Kossmann merkte een kwart eeuw geleden eens volkomen terecht op dat wetenschappelijke instellingen bestaan bij gratie van de middelmaat, omdat alleen zo de continuïteit van een instelling kan worden gegarandeerd. Zonder een elite zou de universiteit dor en doods zijn. “Het moet gruwelijk zijn”, zo constateert Kossmann,

om te werken in een instelling die uitsluitend door genieën of half-genieën wordt bevolkt en de wereld zou er trouwens slecht voor staan wanneer de universiteiten inderdaad – zoals de bestuurders, wanneer men hun retoriek over kwaliteit en uitmuntendheid mag geloven, schijnen te eisen – dit soort geesten in grote aantallen weet voort te brengen.

Daar is geen woord Frans bij. Wanneer ik ’s morgens naar mijn werk loop denk ik natuurlijk niet: “Heerlijk om in het laagland of desnoods het middengebergte te lopen en te mogen opkijken naar de toppen”. Wanneer je vaak met overgave en gedrevenheid probeert je werk vanuit intellectuele nieuwsgierigheid te verrichten dan denk je eenvoudig niet aan dalen en toppen. Het werk van Neuhusius had in zijn tijd culturele betekenis, maar is nu vrijwel vergeten. Een lot dat ook mijn werk ten deel zal vallen – en dat is niet erg.

[Wordt vervolgd]

Een gedachte over “Reinerus Neuhusius (2)

  1. Hoe zit dat nu? het is ‘leraar Latijn’ en geen ‘Latijnse leraar’, maar wel ‘Latijnse school’ en geen ‘school Latijn’. En waarom ‘latinist’ en geen ‘Latinist’? En daar is dan weer geen woord Frans bij.

Reacties zijn gesloten.