Reinerus Neuhusius (3)

[Op 12 december 2014 publiceerden S. Sybrandy en P. van Tuinen het boek Geldzucht en godsvrucht. Bloemlezing uit de brieven van rector Reinerus Neuhusius (1608-1679). Historicus Wiebe Bergsma sprak bij die gelegenheid. Het eerste deel las u hier.]

Als historicus weet ik dat wij vrijwel permanent in een geschonden wereld in de schaduwen van morgen leven: als de maatschappij, levensbeschouwelijke organisaties, het onderwijs in het algemeen en de universiteit in het bijzonder al niet permanent in crises verkeren dan construeren geleerden of (bijvoegsel)filosofen die crises beroepshalve. Scholieren lezen niet, studenten kunnen zich niet goed uitdrukken in het Latijn of het Engels en worden steeds dommer, universiteiten zijn poelen van verderf, hoogleraren zijn slechts uit op geldelijk gewin en streven met name via bijbanen naar een meer dan batig-slot-politiek, ideologie prevaleert boven zuivere wetenschap, zie daar een litanie die niet aan tijd en plaats gebonden is.

Studenten gaan alleen naar een universiteit om rechten te studeren omwille van den brode, niet om de Muzen te dienen schreef een raadsheer in het Hof van Friesland omstreeks 1600, en velen schreven en schrijven het hem tot op de dag van vandaag na. Ook in het verleden stonden professoraten onder druk, was academische vrijheid maar beperkt aanwezig, werden universiteiten opgeheven en waren studenten veel meer dan nu afhankelijk van de grillen van een hoogleraar.

Zelf betreur ik sommige ontwikkelingen in het academisch leven ten zeerste. In de jaren zeventig heb ik in Groningen geschiedenis en culturele antropologie gestudeerd. Antropologie is al lang opgeheven, terwijl mijn beide bijvakken Noorse en Neolatijnse taal- en letterkunde ook al zijn verdwenen. Indien de bestuurders van de RUG, zoals in Rotterdam, ook nog de geschiedenis voor 1800 opheffen, dan is mijn academisch verleden “uitgewist”.

Een bezinning vraagt om een stichtelijk slot. Dat kunnen we vinden in het in het Latijn geschreven dagboek van een Groninger stadssecretaris, ook een leerling van een Latijnse school, aan het einde van de zestiende eeuw. Ik zou universitaire bestuurders, wetenschapsbeoefenaren, cultuurcritici, ja mensen in het algemeen toch te kort doen wanneer ik in de context van de beperkte houdbaarheid van de schriftelijke neerslag van wetenschapsbeoefenaren niet eindig met een mooie zin uit dat dagboek, namelijk een regel van de Griekse dichter Pindarus:

Wat is een mens, wat is hij niet? De mens is een fantoom van een schaduw.

Een gedachte over “Reinerus Neuhusius (3)

Reacties zijn gesloten.