De zeven vrije kunsten

Middeleeuwse weergave van de zeven vrije kunsten rond Vrouwe Filosofie

Ik heb de afgelopen tijd regelmatig geblogd over de opkomst van het christendom. Het is een misverstand dat de gelovigen afwijzend stonden tegenover de antieke cultuur. Zeker, de heidense goden waren alomtegenwoordig, maar de heidenen namen die ook niet al te serieus. Ik heb al weleens verteld over euhemerisme, over allegorese en over de herinterpretatie van Palaifatos: manieren om de verhalen over de oude goden een nieuwe betekenis te geven. Het christendom kon succes hebben door dit zelfde mechanisme: oude gebruiken, zoals het meenemen van gewijd water uit een heilige bron, kregen een nieuwe, christelijke betekenis.

Jeruzalem en Athene

Het aloude onderwijssysteem bleef bestaan. Een mooi voorbeeld is Augustinus, die welsprekendheid had gedoceerd en als bisschop nog altijd een populair spreker was. Toen ik onlangs in Bulla Regia was, realiseerde ik me ineens hoe populair: hij sprak daar niet in een kerk, maar in het theater. Wat ik maar zeggen wil: het christelijke publiek had niet zo heel andere verwachtingen dan het heidense publiek, en een traditionele opleiding was nog altijd relevant.

Zeker, er waren Tertullianussen die retorisch uitriepen dat het hemelse Jeruzalem niets van doen had met de wereldse wijsheid van Athene, maar hé, dat is retorica, dat is zélf een uiting van de klassieke cultuur. Terzijde: Gregorius van Nazianze
schrijft ergens in keurige klassieke versmaten dat klassieke versmaten in de christelijke wereld niet passen. (Ik vat nogal vrij samen.) Jeruzalem verwoordde zich via Athene.

Een nieuwe invulling

Kortom, het was zaak het antieke onderwijs een nieuwe invulling te geven. Met euhemerisme konden christenen de oude mythen als eerbiedwaardige misverstanden handhaven, met allegorese konden ze de verhalen voorzien van een nieuwe boodschap. En hiermee kreeg de kerk de verantwoordelijkheid voor het bewaren van de oude kennis. Die was nu immers ook het eigen erfgoed geworden.

Een centraal begrip in de christelijke cultuurpolitiek, als ik dat zo noemen mag, was dat van de artes liberales, de “vrije kunsten”. Die naam slaat op de bevrijding die plaatsvond wanneer iemand de alledaagse beslommeringen achter zich liet en op zoek ging naar het hogere, maar ook op het feit dat men, om überhaupt aan deze vorm van bevrijding te kunnen denken, eerst vrij moest zijn van financiële zorgen. Het curriculum was al heel oud en het valt niet meer te achterhalen hoe het is ontstaan. De Romeinse auteur Marcus Terentius Varro – u bent hem tegengekomen in mijn reeks over de Tweede Burgeroorlog – is een van de eersten die het vakkenpakket vermeldt (in een tekst uit 34 v.Chr.). Waarschijnlijk grijpt hij terug op Griekse modellen die we niet kennen.

Zeven vrije kunsten

Varro had nog negen disciplines onderscheiden, Augustinus bepaalde het aantal op zeven. Nog eeuwenlang zou elke student zijn opleiding beginnen met

  • grammatica of schrijfvaardigheid,
  • rhetorica of welsprekendheid,
  • dialectica of argumentatieleer.

Deze vakken stonden later bekend als het trivium (“de drie wegen”) en golden als propedeuse. Na de triviale disciplines volgde het quadrivium (“de vier wegen”):

  • arithmetica of rekenkunde,
  • geometria of meetkunde,
  • musica of muziekleer,
  • astronomia, d.w.z. het berekenen van de paasdatum.

Al met al geen heel opzienbarend programma. Dat het programma voor de hand lag, verklaart echter niet waarom het populair werd. Er was immers een alternatief dat voor christenen méér voor de hand lag: het joodse onderricht, dat was gericht op de bestudering van de Heilige Schrift. Ook dit had een model voor het christelijk onderwijs kunnen zijn. We zien hier opnieuw hoezeer het nieuwe geloof deel uitmaakte van de oude cultuur.

Leerboeken

Augustinus was van plan voor elk van de vrije kunsten een handboekje te vervaardigen, maar was niet in staat dit project te voltooien. Dat bleef voorbehouden aan Martianus Capella, die omstreeks 420 een overzicht heeft geschreven, meestal aangeduid als Het huwelijk van Filologie en Mercurius. Deze encyclopedie bleef, net als de leerboekjes die in het eerste kwart van de zesde eeuw werden vervaardigd door de filosoof-politicus Boëthius, de hele Middeleeuwen door in gebruik.

Boëthius’ jongere tijdgenoot Cassiodorus publiceerde vergelijkbare geschriften, al richtte hij zich niet tot wereldse studenten, maar tot monniken. Na een carrière aan het hof van koning Theodorik, die na de val van het Romeinse Rijk in Italië aan de macht was gekomen, trok Cassiodorus zich omstreeks 540 terug op zijn landgoed Vivarium in de teen van Italië, waar hij zich met zijn volgelingen toelegde op het kopiëren en vertalen van handschriften. Terwijl Italië werd geteisterd door oorlog, zochten de monnik-filologen naar oude boeken, legden ze bloemlezingen aan en vervaardigden ze compendia. Dit alles gebeurde vanuit het bewustzijn dat de tijden veranderden en de toekomst weinig goeds beloofde. Zoals ik al schreef markeert de zesde eeuw het einde van de antieke cultuur.

Isidorus van Sevilla

Een ander invloedrijk christelijk leerboek ontstond aan het begin van de zevende eeuw: de Etymologieën van Isidorus, de bisschop van Sevilla. Hij maakte uittreksels uit het werk van alle belangrijke Griekse en Romeinse auteurs, zoals de Natuurlijke historie van Plinius de Oudere, de laatantieke grammatici en uiteraard de kerkvaders. Voor deze taak was hij geschikt als weinig anderen: hij was van Griekse afkomst en kon dus ook andere dan Latijnse werken ontsluiten.

De Etymologieën bieden daardoor een vrij compleet overzicht van alle kennis van de oude wereld. Achtereenvolgens komen de zeven vrije kunsten, de geneeskunde, het recht, de tijdrekening, theorieën over God, de neoplatoonse filosofie, de staatsleer, de etymologie, de antropologie, de dierkunde, de natuurkunde, de aardrijkskunde, de bouwkunde, de mineralenleer, de agronomie, de krijgskunde, het toneel, de ambachten, kleding en huisraad aan bod. Ook dit werk zou gedurende de Middeleeuwen immens populair blijven, en we zijn het nog steeds niet helemaal ontgroeid: het nog altijd bestaande misverstand dat men in de Middeleeuwen zou hebben geloofd dat de aarde een platte schijf was, gaat terug op een wat ambigue formulering uit de Etymologieën.

Wat de auteurs van deze boeken met elkaar gemeen hebben, is dat ze de vakinhoud van de heidenen overnamen en in een ander perspectief plaatsten. Ook brachten ze selecties aan: de monniken zagen bijvoorbeeld weinig amusants in Suetonius’ Levens van beroemde prostituees. Ze zijn verloren gegaan. Er was – ik herhaal mezelf – geen opzet in het spel. Selectie was normaal en de grootste kaalslag had al plaatsgevonden toen de Romeinen in de derde eeuw overschakelden van papyrus naar perkament. Antieke teksten gingen, als niemand de belangstelling en het kapitaal bezat om ze te laten kopiëren, altijd verloren.

Deel dit:

5 gedachtes over “De zeven vrije kunsten

  1. Han Borg

    Dat de RK Kerk Isidorus van Sevilla in 2002 tot ‘heilige van het internet’ verklaarde laat wel zien hoe gemakkelijk zich die gemeenschap aanpast aan het moderne leven…

    1. Er zijn zoveel katholieke kerken als er gelovigen zijn, zoals er ook zoveel islams zijn als er moslims zijn, zoveel mannelijkheden als er mannen zijn en zoveel oriënten als er oosterlingen zijn.

      Dat lijkt een grapje, maar het punt is serieus, namelijk dat termen als “christelijk” of “oosters” te algemeen zijn om betekenisvol te corresponderen met een werkelijkheid. Anders gezegd, het is zinloos aan zulke abstracties vormende werking (“agency”) toe te schrijven. Wat we echter voortdurend doen.

      1. Ben Spaans

        Dat is betwistbaar. Geïnstutionsliseerd wordt wel degelijk conformisme opgelegd.

  2. Misschien wel het boeiendste stukje dat ik al van je las. Bijna elke zin kreeg ik zin iets op te zoeken, uit te pluizen of erop te reageren. Een vuistgreep:

    ik heb tot mijn verbijstering nu pas de etymologie van triviaal geleerd
    euhemerisme en allegorese: hier met die encyclopedie
    dat een technologische ontwikkeling onbedoelde kwalijke effecten heeft, wisten we al; dat zo’n effect informatieverlies kan zijn, voelen we nu aan, doordat digitale opslag zomaar kan verdwijnen, doordat het Internet niet per se zorgt voor anti-these en synthese, maar vaker voor divergente convergentie (de tegengestelde echokamers) en doordat AI voorlopig neigt naar kundig herkauwen eerder dan origineel herbevinden. Dat ze In De Oudheid Ook Informatieverlies Hadden, door van papyrus naar perkament over te schakelen, is echter een leuk weetje (oei, nee, een interessant inzicht)

Reacties zijn gesloten.