MoM | Grote stappen, snel thuis

“Claudius Civilis”, leider van de opstand der “Batavieren”: een gevelsteentje bij mij in Amsterdam om de hoek herinnert me dagelijks aan het Gelderse geschiedbeeld (alleen als ik in Amsterdam ben natuurlijk)

Afgelopen vrijdag sprak ik op een middelbare school over de Lage Landen in de Romeinse tijd en daar heb ik onder meer verteld dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zich ooit, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, een Bataafse voorgeschiedenis heeft aangemeten. Dat ik dit vertelde was niet zonder risico, want ook jonge mensen weten genoeg van de “Tijd van ontdekkers en hervormers” om te herkennen dat dit beeld van het verleden nooit kan zijn ontstaan tijdens de Opstand. Degenen die zich destijds verzetten tegen Filips II waren natuurlijk niet dom en zouden nooit een parallel hebben gekozen die impliceerde dat ze, net als de Bataven, de strijd gingen verliezen. Dit beeld van het verleden moet ergens anders zijn ontstaan, en inderdaad: het is veel ouder. De identificatie met de Bataven stamt vermoedelijk uit de Gelderse Oorlogen. U leest hier meer over het ontstaan van het vanaf de zestiende eeuw steeds populairder geworden Gelderse geschiedbeeld.

Waarom vertelde ik het dan, als het niet waar is? Het antwoord is simpel: omdat mijn les ging over de limes en omdat ik weinig zou winnen door me te verliezen in de minutiën der Gelderse historie. Los daarvan was ik in Oud-Beijerland, waar ik wél mocht veronderstellen dat de leerlingen wisten wat er in het naburige Den Briel was gebeurd maar niet mocht aannemen dat ze zouden weten wie Karel van Egmont was. Met grote stappen was ik snel thuis.

U merkt dat ik mijn keuze kan uitleggen. Wat ik de leerlingen over de limes heb verteld, was serieus en zo gedegen als ik het vertellen kon. Daaraan was dit leugentje om bestwil ondergeschikt. Maar toch, er is een reden dat ik erop terugkom, want ik ervaar wel degelijk een dilemma. Het voelt namelijk een beetje als verraad als je niet 100% de waarheid vertelt aan jonge mensen die hun vertrouwen in je stellen.

Was het niet beter geweest ze precies uit te leggen hoe de vork in de steel zit? Daar valt ook wat voor te zeggen. Toon maar hoe ingewikkeld het is, leg maar uit wat een oudheidkundige nou eigenlijk doet. Ik denk namelijk dat een aantal van diens vaardigheden nuttig zijn, ook voor wie niet bezig is met het verre verleden. De “Everest Fallacy” van de oudhistorici wordt brugklasstof, gegarandeerd, wanneer we mediavaardigheid tot schoolvak verheffen. Als vaardigheden het enige waren waar het bij geschiedenis om gaat, dan heb ik zwaar gezondigd.

Gelukkig is er meer. Soms wil je een reeks conclusies presenteren (“dit is de geschiedenis van Nederland in de Romeinse tijd”) om een ander lesdoel te bereiken (“de eenzijdige aandacht voor de limes is een breuk met hoe we zo lang hebben gekeken naar ons verre verleden”). Als dat mijn lesdoel was, heb ik geen doodzonde begaan maar een pekelzonde.

Maar hoe ver mag je gaan als pekelzondaar? Zie ik het goed, dan heeft het te maken met functie en doelgroep. In dit geval: een doelgroep die wel iets weet over de Tachtigjarige Oorlog maar niet over de Gelderse Oorlogen, terwijl de functie was duidelijkheid te scheppen over het ontstaan van ons aloude beeld van Nederland in de Oudheid.

Kortom, het is maar wat je wil bereiken met je les. Waar het echter steeds om gaat, is dat je het niet laat bij het presenteren van wat feitjes. Dat Nederland ooit vanuit Italië bestuurd is geweest, is op zichzelf leuk om te weten maar is niet waarom de gemeenschap honderdduizenden euro’s in de limes steekt. Het gaat om de gedachte erachter. Je kunt de limes benutten als kapstok voor ideeëngeschiedenis, bijvoorbeeld door de Romeinse opvattingen over invloedssferen te benutten om te tonen hoe betrekkelijk onze eigen opvattingen over territoriaal begrensde staten zijn. Zo kun je je eigen gedachtewereld beter begrijpen. Je kunt de limes natuurlijk ook, zoals ik vrijdag deed, benutten om te tonen dat Nederlandse geschiedenis de Germanen centraal stelt en Europese geschiedenis de Romeinen. Zo kun je mensen tonen dat andere perspectieven kunnen leiden tot tegengestelde beelden. Meer in het algemeen kun je het verleden benutten om vaardigheden aan te leren.

Het zijn slechts drie manieren om met de limes, met de eerste eeuwen van onze geschiedenis of met het verleden op zich om te gaan. Er zijn er natuurlijk meer. Waar het om gaat is dat de keuze waar je de nadruk legt en waar je kiest voor te snelle generalisering, afhankelijk is van de gedachte erachter, van wat je eigenlijk wil overdragen. Die keuze is, zoals wel blijkt uit het feit dat ik er een stukje aan wijd, geen vanzelfsprekende en het is in de discussie over deze dilemma’s dat een docent of een wetenschapsvoorlichter toont dat hij begrijpt waarmee hij bezig is.

Of ik zelf de juiste keuzes maak, dat weet ik niet. Of ik een groot docent ben, ik laat het in het midden in. Ik doe echter mijn best om, als ik het heb over de limes, méér te doen dan alleen maar “hij was er” en “het was een grens”. Dat is noodzakelijk, want als je – zoals nu veelal het geval is – steeds weer herhaalt “hij was er” en “het was een grens”, dan denken mensen dat er niet méér valt te zeggen dan “hij was er” en “het was een grens”. En dan jaag je, zoals we voortdurend zien gebeuren, juist degenen weg die na de eerste kennismaking geïnteresseerd zijn geraakt. De limes kan een prachtig project zijn, maar doordat de voorlichting zich beperkt tot “hij was er” en “het was een grens” (irriteert het u al?) halen we er niet uit wat erin zit.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

6 gedachtes over “MoM | Grote stappen, snel thuis

  1. FrankB

    “Of ik zelf de juiste keuzes maak”
    Tja, ik kan alleen maar herhalen en uitbreiden wat ik gisteren al schreef. Alleen al omdat Relativiteitstheorie en Quantummechanica uitbreidingen zijn van Newtoniaanse Mechanica heeft iedere natuurkundeleraar hier ook mee te maken. Erger nog – de Newtoniaanse Mechanica die we aan 14-15 jarigen presenteren is al een vereenvoudiging. We moeten immers differentiaalrekening achterwege laten zolang die bij wiskunde niet aan bod is gekomen.
    Maar het is uitstekend mogelijk om leerlingen te vertellen dat de werkelijkheid en dus wetenschap altijd ingewikkelder in elkaar zit en dat het normaal is zaken te vereenvoudigen om grip te krijgen op die werkelijkheid. Je kunt hier en daar een hint naar mogelijke problemen.
    Didactisch en pedagogisch is dat volkomen verantwoord. Mensen, dus ook tieners, hebben actieve (parate, reproduceerbare) en passieve kennis. Voor het onderwerp van jouw les is het voldoende als de oorsprong van de Batavierenparallel als passieve kennis wordt opgenomen. Als je het zo aanpakt hoef je ook geen pekelzonde te begaan.
    Een enkele keer stelt iemand daar een vraag over. Dan heb je een mooie aanleiding om je methode uit te leggen. En daar is het je om te doen.
    Dus je leugentje om bestwil was overbodig en misschien zelfs een gemiste kans.

  2. Dirk

    Ik moet dagelijks een uitleg beginnen met “het is iets ingewikkelder dan ik het nu voorstel maar…”. Heel leuk om met nieuwsgierige leerlingen te werken, soms frustrerend dat je niet de tijd hebt om veel nuance aan te brengen. Zoals je al aangaf: leerlingen aanspreken net boven hun niveau.

  3. Ik vrees dat je een achterhoedegevecht levert. De limes wordt werelderfgoed: er gaat teveel geld rond om het nog terug te draaien. De provincies die het beleid maken weten niet waaraan ze het geld besteden, degenen die beter weten kiezen er leep voor het geld aan te nemen en hun subsidiegever niet tegen spreken. Aan de ene kant gebrek aan hersens, aan de andere kant gebrek aan ruggengraat.

Reacties zijn gesloten.