XXX Ulpia Victrix

Ere-inschrift voor een bestuurder die ook diende in XXX Ulpia Victrix (Capitolijnse Musea, Rome)

Met het legioen dat bekendstaat als XXX Ulpia Victrix hebben we een regiment te pakken dat diende in onze eigen contreien. Het was eeuwenlang gestationeerd in Xanten. De bijnamen vertellen ons weinig: Victrix betekent “zegevierend” en het zou een raar legioen zijn geweest als het iets anders had geclaimd, Ulpia verwijst naar de oprichter van deze eenheid, keizer Marcus Ulpius Trajanus. Hij formeerde XXX Ulpia Victrix samen met II Traiana Fortis in 105, tijdens de oorlog die hij voerde tegen de Daciërs. Het rangnummer Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.

XXX Ulpia Victrix was aanvankelijk gestationeerd in Brigetio (Szöny) in Pannonië, dat tot dan toe had gediend als basis van XI Claudia. Enkele onderafdelingen van het nieuwe legioen namen deel aan de oorlog tegen de Daciërs en vermoedelijk nam het regiment enkele jaren later ook deel aan Trajanus’ campagne tegen het Parthische Rijk (115-117).

Lees verder “XXX Ulpia Victrix”

Museum Dorestad heropend (2)

Munt uit Dorestad (Teylersmuseum, Haarlem)

[Tweede deel van een blog over het belang van Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede. Het eerste was hier.]

En de Germanen dan?

Hier zijn echter vraagtekens te plaatsen. Al vanaf de vroege zestiende eeuw staan in het Nederlandse geschiedbeeld de Germanen centraal. Het hertogdom Gelre, al snel gevolgd door de Republiek, identificeerde zich met de Bataven; de bewoners van de noordelijke gewesten noemen zich nog altijd Friezen; een krant uit Twente noemt zich Tubantia; tal van gemeentes beschikken over Chamavenstraten, Frankenwegen of Saksenlanen; er is een ware industrie van Batavia’s, Batavi Droogstoppels, Batavus-fietsen en Batavier-bieren.

Vreemd is deze identificatie met het Germaanse verleden niet: het Nederlands stamt immers af van het Frankisch, het christendom kwam hier aan in de Frankische tijd, de oudste laag van onze literatuur stamt uit die tijd en de Rotterdamse havens gaan via Dordrecht terug op – daar zijn we! – het Frankische Dorestad. Nederland wortelt in een Germaans verleden, maar dat verleden heeft een dubbele handicap, namelijk dat het enerzijds moeilijk beleefbaar valt te maken (wie van u bezocht Erve Eme in Zutphen?) en anderzijds nogal unzeitgemäβ is in het zich verenigende Europa.

Lees verder “Museum Dorestad heropend (2)”

Museum Dorestad heropend (1)

Maquette van Dorestad (Museum Dorestad, Wijk bij Duurstede)

Het probleem met het verleden is het heden. Onze belangstelling verschuift. Momenteel staan klimaat en onvrije arbeid in de belangstelling, hiervóór was vrouwengeschiedenis populair en in de jaren zeventig stonden wereldgeschiedenis en globalisering centraal. Elke generatie heeft nieuwe zorgen, elke generatie stelt nieuwe vragen, elke generatie herschrijft geschiedenisboeken. De aangepaste canons zijn een voorbeeld. Dit is de dagdagelijkse geschiedvorsing.

Presentisme

Tegelijk – en dit is wezenlijker – verandert ons denken over de relaties tussen verleden, heden en toekomst. Hierover heeft de Franse historicus François Hartog behartenswaardige dingen geschreven. Ooit meenden we dat we in het heden lessen konden leren van het verleden, waardoor we beter voorbereid zouden zijn op de toekomst. Als het gaat om de tijd voor pakweg het jaar 1000, is dit echter kentheoretisch onmogelijk, aangezien we onvoldoende informatie hebben. Je kunt bezwaarlijk onrobuuste data gebruiken om een samenleving tjokvol robuuste data te adviseren.

Lees verder “Museum Dorestad heropend (1)”

Wat is archeologie? (3) De media

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

[Dit is het derde van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

Ik kan me voorstellen dat u na mijn vorige blogje dacht dat mijn schets van de archeologie nogal abstract was en niet overeenkomt met uw beeld van dat mooie vak. Een vak dat hands on is, heel concreet, heel positief, sterk gebaseerd op het tastbare. Zo komt het immers in het nieuws en zo presenteren archeologen het ook. Vraag een archeoloog maar eens wat archeologie is en in vier van de vijf gevallen vertelt hij over vondsten. Dit is al zo sinds de jaren zeventig, maar zoals gezegd is dataverwerving slechts een voorwaarde voor wetenschap en geen wetenschap.

Archeologie in het nieuws

Archeologie gaat over het toetsen van hypothesen om de mensheid beter te begrijpen (“zeigen wie Menschen ticken”) en onvermoede aannames op te sporen (“unbekannte Werte messen”). Daar horen we echter weinig over. Het gaat vaker over bijvoorbeeld een ontdekt Romeins kamp, waarbij als bijzonderheid geldt dat het benoorden de limes lag – alsof dat belangwekkend zou zijn.noot De limes was geen ijzeren gordijn en kampen als Ermelo waren al bekend. Of het gaat over een monumentaal gebouw in Nijmegen, waarbij als bijzonderheid geldt dat zo dicht bij de Waal resten van de antieke stad bewaard zijn gebleven. Leuk als zulke nieuwtjes zijn, tonen ze niet hoe wezenlijk de feitelijke bijdrage is van de archeologie. Ze trekken wel de aandacht maar niet tot iets.

Lees verder “Wat is archeologie? (3) De media”

Nieuwe boeken over de Oudheid

Een belangrijk project heeft zijn afronding gevonden in de publicatie van een nieuw Grieks-Nederlands woordenboek, samengesteld door Ineke Sluiter, Lucien van Beek, Ton Kessels en Albert Rijksbaron. Daan Stoffelsen interviewde de samenstellers over deze monsterklus. Van het boek is een paperback en een hardback beschikbaar, en ook is de paperback als set verkrijgbaar met het boekje Vormleer van het Klassiek Grieks.

Patrick Lateur waagde zich ook weer aan een nieuwe vertaling, en dit keer waren de tragedies van Aischylos aan de beurt. Op de zijn kenmerkende wijze zet Lateur de toneelstukken van de grote Griekse schrijver in een nieuw jasje.

Lees verder “Nieuwe boeken over de Oudheid”

De Romeinse keizers van Gallië (2)

Tetricus, de laatste heerser van het Gallisch Keizerrijk (Bodemusem, Berlijn)

Omdat het Gallisch Keizerrijk zo goed was georganiseerd, kon het zijn stichter overleven. Postumus’ einde kwam in 269. Zijn munten waren altijd van hoger gehalte geweest dan die van Gallienus en diens opvolger Claudius II Gothicus, maar in 268 verlaagde de Gallische keizer onverwacht de hoeveelheid zilver in zijn munten. Het lijkt onrustig te zijn geweest en een zekere Laelianus riep zichzelf uit tot keizer, bezette de munt in Keulen en maakte Mainz tot hoofdstad. Postumus onderdrukte de opstand, stond zijn soldaten niet toe Mainz te plunderen en werd daarop door zijn eigen mannen gedood.

Zijn opvolger heette Marius en is een wat schimmige figuur. Hij werd vrijwel meteen vervangen door de commandant van de praetoriaanse garde van het Gallisch Keizerrijk, Victorinus. Ook die is een beetje kleurloos, al schijnt zijn huis in Trier te zijn geïdentificeerd. We weten alleen dat hij in 266 of 267 het consulaat deelde met Postumus en we mogen daarom aannemen dat hij de rechterhand van Postumus was. Hij lijkt de stad Autun te hebben moeten belegeren, maar in 270 was hij de situatie voldoende meester en het zegt veel over de stabiliteit van het Gallisch Keizerrijk dat de Germaanse stammen zich in deze crisis rustig hielden.

Lees verder “De Romeinse keizers van Gallië (2)”

De Romeinse keizers van Gallië (1)

Postumus, stichter van het Gallisch Keizerrijk (Bodemuseum, Berlijn)

Ik heb het, in het kader van mijn reeks over Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, al vaker gehad over de fase van de Romeinse geschiedenis die bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. De crisis als geheel, de Sassaniden en de afname van de economische mogelijkheden kwamen al aan de orde. De gevolgen waren immens. Rond 270 was het Romeinse Rijk in drieën uiteengevallen. Het centrale rijk (bestuurd door achtereenvolgens Gallienus, Claudius II Gothicus en Aurelianus) bestond uit Italië, de Afrikaanse provincies en een onrustige Balkan. In het oosten was het Rijk van Palmyra, in het westen het Gallisch Keizerrijk.

Je kunt die afsplitsingen zien als dieptepunt van een crisis, maar dat is te eenzijdig. Dat de Galliërs in alle opzichten het “echte” Romeinse Rijk imiteerden, bewijst vooral hoe grondig de romanisering was geweest, hoe groot het zelfvertrouwen van de provincies was en hoe vitaal de Romeinse wereld bleef.

Lees verder “De Romeinse keizers van Gallië (1)”

Romeinse forten in Syrië

Niet in Syrië maar in Jordanië: Qasr Bshir

Zoals een van de vaste gasten in de reageerpanelen al opmerkte, vertelt The Guardian over Romeinse forten die zijn ontdekt in Syrië. Dát daar forten waren, was allang bekend. Die dateren uit de derde en vierde eeuw na Chr. De reeks loopt door richting Jordanië, waar het bovenstaande fort is te zien: Qasr Bshir, het best-bewaarde Romeinse fort ter wereld. Qasr el-Azraq is een ander voorbeeld.

De limes in Syrië

Dat we op oude lucht- en satellietfoto’s meer forten kunnen ontdekken, is ook bekend. Een recente studie uit Groot-Brittannië toont dat de Romeinen het generaalsadvies dat de voornaamste poort naar de vijand gericht moest zijn, zelden opvolgden. Zulk onderzoek doen ze dus ook in Syrië. De luchtfoto’s daar zijn gemaakt tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog en voor de satellietfoto’s moet u denken aan het Corona-programma uit jaren zestig en zeventig waarover ik twee jaar geleden schreef. Toen de Landsat-foto’s kwamen, was veel wat voordien zichtbaar was, door intensiever landgebruik verdwenen.

Lees verder “Romeinse forten in Syrië”

Bataven in Straubing

Masker uit de Straubinger Römerschatz (Gäubodenmuseum, Straubing)

De bruine borden “Straubing Römer” voerden even weg van de Duitse A3, naar Straubing, een stadje in Beieren met ruim 45.000 inwoners. Eind veertiende, begin vijftiende eeuw vormde het zowaar een personele unie met de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Verder is het de geboorteplaats van schlagerzanger Rex Gildo. Maar mij ging het om het Gäubodenmuseum en zijn Romeinse schat met onder meer zeven Romeinse gezichtsmaskers.

Castellum

Al in de zestiende eeuw bestond het idee dat op deze plek aan de Donau een Romeins castellum had gestaan. Pas eind negentiende eeuw vonden de eerste opgravingen plaats, uitgevoerd door lokale amateurhistorici- en archeologen. Vanaf 1978 is het onderzoek in handen van de archeologische dienst van Straubing.

Lees verder “Bataven in Straubing”

Wee de overwonnenen (1)

Het vorige week verschenen boek van Alexander van de Bunt over de vestiging van het Romeinse gezag in de Lage Landen, Wee de overwonnenen, begint met Tacitus. Alexander legt uit dat zijn Romeinse voorganger veel heeft geschreven over onze contreien – Tacitus zal regelmatig terugkeren in het boek – en dat die teksten de beeldvorming over Romeins Nederland sterk hebben bepaald. Terecht wijst Alexander er vervolgens op dat we Tacitus niet al te serieus moeten nemen. Hij was een man van zijn tijd. Hij had een agenda. En vooral: hij schreef niet om onze vragen te beantwoorden.

Omdat Tacitus geen wetenschapper is en ook geen historicus in de normale betekenis van dat woord, moeten we zijn informatie – vertekend, verdraaid – vergelijken met andere gegevens en Van de Bunt wijst terecht op de archeologie. Dat geldt vanzelfsprekend voor alle antieke auteurs. We moeten ze toetsen. Als het gaat om Strabons beschrijving van de rauwe rituelen van de Germaanse Kimbren wijst Van de Bunt bijvoorbeeld op de Man van Grauballe, een Deens veenlijk waarvan de keel is doorgesneden. Van Plinius’ beroemde beschrijving van de terpenbewoners uit het Waddenzeegebied vertelt Van de Bunt dat ze hun woonplaatsen niet hadden gebouwd uit armoede, maar als reactie op de getijden. Soms klopt antieke informatie, soms niet, en je moet kritisch blijven.

Lees verder “Wee de overwonnenen (1)”