MoM | Een geschiedenis van kennis

Er is veel goeds te vertellen over het nieuwe boek van Rens Bod, Een wereld vol patronen. Een geschiedenis van kennis. Dat ga ik nu doen.

Eerst drie dingen die Bod gewoon goed doet en die ik vermeld omdat ze niet langer vanzelf spreken. Eén: de humaniora zijn in de kern een pedagogisch programma, bedoeld om de mensen inzicht te geven in de wijze waarop ze denken. Helaas zijn de humaniora de afgelopen dertig, vijfendertig jaar verschraald tot geesteswetenschappen: de resultaten worden zelden gedeeld en zijn dus even overbodig als een onuitgevoerd muziekstuk. Het is goed dat Bod zijn inzichten wel deelt.

Twee: hij doet dat ook professioneel. Een academicus die een boek voor het grote publiek schrijft, heeft weliswaar goede bedoelingen maar doet dat vaak nogal gedachteloos. We zoeken onze informatie immers online. Een ander nadeel van het medium “boek” is dat het wetenschapscommunicatie zonder goede reden ondergeschikt maakt aan het verdienmodel van de boekenbranche, die geen werkelijk belang heeft bij goede informatie. Alleen als een academicus iets biedt dat niet al bestaat op het internet, legt hij met een boek nog eer in. Een wereld vol patronen is zo’n boek.

Drie: om de samenleving inzicht te geven in haar denkbeelden, kunnen de humaniora niet naar buiten treden met doorgaans hyperspecialistisch onderzoek, want dan verwar je wetenschap met haar voorstadium. Bod biedt gelukkig een fijn breed onderwerp: de geschiedenis van de menselijke kennis. Dat wil zeggen: de ontwikkeling van het Paleolithicum tot de Nieuwe Tijd en op alle continenten. De enige beperking is dat Bod niet álle wetenschappen behandelt maar zich zegt te concentreren op filologie, geneeskunde, geschiedvorsing, kunsttheorie, mechanica, musicologie, rechtswetenschap, sterrenkunde, taalkunde en wiskunde. Bods generalistenbloed kruipt overigens waar het niet gaan kan, want ook geografie en botanie komen aan bod.

Patronen

Bod meent dat de mensheid al heel lang geleden patronen begon te herkennen, waarvan het overtuigendste voorbeeld de schijngestalten van de maan zijn, die “zijn overgeleverd via inscripties op duizenden botfragmenten van rendieren en mammoets”. Voor mij was dit nieuw. Het is misschien un peu bête, zo’n mammoetslagtand met streepjes die de maanwaarnemingen aangeven, maar het is meer dan het louter registreren van wat je waarneemt. Je hebt in de gaten dat er een terugkerend element is.

Als mensen beginnen te schrijven en we verwoordingen krijgen van de patronen, blijken die vaak de vorm te hebben van “als … dan …”. Dat kan descriptief zijn en prescriptief. Een voorbeeld van het laatste komt uit de Wetten van Hammurabi: “Als een man een oog bij een ander uitsteekt, zal zijn oog worden uitgestoken.” Dit type patroon, zo oppert Bod voorzichtig, zou weleens het model hebben kunnen zijn van de (descriptieve) sterrenkundige patronen waarover ik een tijdje geleden blogde: “Als het sterrenbeeld Waterman hoog staat, dan stijgt het water van de Eufraat en de Tigris”.

Principes

Gaandeweg, zo vervolgt Bod, werd de mensen duidelijk dat zulke patronen voortvloeiden uit diepere principes. Een mooi voorbeeld is de geneeskunde. De antieke artsen hadden al talrijke behandelwijzen bedacht en zochten nu naar een theorie die verklaarde wat er nu feitelijk gebeurde. In Griekenland keek men bijvoorbeeld naar de vier lichaamssappen: slijm, bloed, zwarte gal en gele gal. Hieruit vloeiden vier menstypen voor en als de vochthuishouding niet op orde was, konden mensen lelijk uit balans raken. Op soortgelijke wijze zochten de astronomen naar principes en ze bedachten dat de beweging van de planeten grotendeels viel te verklaren vanuit het principe dat die hemellichamen in cirkels om de aarde draaiden.

Ik noem met opzet twee principes die niet klopten – want het vinden van correcte principes is natuurlijk waar het om draait. De astronomen voegden steeds meer cirkels toe, waardoor ze steeds beter in staat raakten de verschijnselen te beschrijven. Bod noemt dit “convergentie”. In de sterrenkunde ging die door tot men stuitte op zaken die echt niet langer op te lossen waren met wéér een cirkel erbij, waardoor de wetenschappers begonnen om te zien naar andere principes. In de medische wetenschappen ging het allemaal wat langzamer en een van Bods hoofdstukken heet dan ook “de remmende werking van de geleerde geneeskunde”.

Bod besteedt ook aandacht aan wat hij de opwekking van patronen noemt: gerichte waarnemingen, veelal experimenten. Dat bleek een nuttig middel om tot convergentie te komen. Verder wijst hij erop dat wetenschappers in de Middeleeuwen probeerden het aantal principes te beperken. Op dat punt in zijn verhaal aangekomen heeft Bod de hele wereld al aan zijn voeten liggen. Begon zijn betoog in het oude Nabije Oosten, China en India, aan het einde van de Middeleeuwen heeft Bod zijn vleugels uitgeslagen naar Oceanië en de Amerika’s.

De empirische cyclus

De crux is het onderkennen van de empirische cyclus: het inzicht dat de wijze waarop convergentie wordt bereikt, gestructureerd verloopt, namelijk door toetsing aan de empirie. Bod vertelt op dit punt een vertrouwd verhaal: de empirische cyclus wordt herkend in de filologie, in de kunsttheorie, in de muziekwetenschap en in de taalkunde. Er is een glansrol voor Scaliger, die vrij onbekommerd constateerde dat de feitelijke chronologie van het verre verleden niet consistent was met de bijbelse chronologie.

Later zien we de empirische cyclus ook in de astronomie. Het waren uiteindelijk waarnemingen die mensen als Copernicus, Kepler en Galilei brachten tot het inzicht dat al die cirkels die noodzakelijk waren om te beschrijven hoe de planeten om de aarde draaiden, niet konden kloppen. Uiteindelijk accepteerden ze dat elliptische banen om de zon beter in overeenstemming waren met de waarnemingen.

De winst

Een mooie observatie is Bods herdefiniëring van pseudowetenschap, een notoir lastige kwestie: hij attendeert erop dat we in de astrologie, magie, alchemie, kabbala en andere occulte wetenschappen geen verbetering zien in het bijeenbrengen van empirie en theorie. Nieuwe experimenten hebben niet geleid tot de fabricage van goud en evenmin zijn de horoscopen in de loop der eeuwen accurater geworden.

Maar er is meer winst. Ik denk dat Bod al eerder – in zijn boek De vergeten wetenschappen – duidelijk heeft gemaakt dat het zin heeft wetenschapsgeschiedenis in de volle breedte te analyseren en niet steeds de natuurwetenschappen centraal te stellen (zoals ik in dit stukje eigenlijk toch weer doe). De natuurwetenschappen hebben immers net zo vaak leentjebuur gespeeld als dat ze andere vakgebieden ten voorbeeld zijn geweest. Zoals Bod het ditmaal zegt: “geen enkele kennisactiviteit of discipline staat los van andere disciplines”.

Ik denk dat Bod er ook terecht op wijst dat we naar de wetenschap moeten kijken als een activiteit van de gehele mensheid. Dezelfde ontwikkeling van patronen, principes en convergentie en uiteindelijk de empirische cyclus is ook buiten de westerse traditie aan te wijzen en soms zijn de overeenkomsten frappant. Een gaaf voorbeeld is dat ook de Chinezen Aristoteles’ principes van de uitgesloten derde en de non-contradictie herkenden. “Van enig intellectueel contact tussen de Grieken en Chinezen was in de oudheid geen sprake,” noteert Bod, “al is het mogelijk dat een en ander via handelscontacten is uitgewisseld.” Daar zou ik bij een herdruk nog eens naar kijken, want hierover valt nog een boom op te zetten in deze DNA-revolutionaire tijd.

Tot slot dit. Zekerheid heeft de onaangename eigenschap de mensheid verdeeld te houden terwijl twijfel de mensen verbindt. Dat is in laatste instantie waarover Een wereld vol patronen gaat: over wetenschap, over het verlangen de waarheid te benaderen, over twijfel en dus in laatste instantie over wat het is mens te zijn.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

31 gedachtes over “MoM | Een geschiedenis van kennis

  1. Frans

    Klinkt allemaal zeer interessant. En nog een voorbeeld van overeenkomsten tussen Griekenland en China: dat idee van lichaamssappen die in evenwicht moeten zijn, doet weer denken aan yin en yang.

    1. Ik denk dat dat de strekking zal blijken te zijn van de DNA-revolutie. We moeten ervan uitgaan dat, gegeven de enorme mobiliteit die er is of in elk geval lijkt te zijn geweest, ideeën veel verder konden reizen dan we dachten. De vraag is daarom niet waar de overeenkomsten zijn; die behoren er te zijn. De feitelijke vraag is waarom we daar zo weinig over weten en dat brengt ons, zoals steeds, terug bij dé kernvraag van de oudheidkundige disciplines: die naar het gierende datagebrek,

  2. jacob krekel

    Wat een prestatie om zo veel in één boek te kunnen behandelen! En inderdaad een heel mooi criterium om de oeroude onzin die door velen als oeroude kennis wordt gekwalificeerd, zoals de lichaamssappen of de astrologie, op zijn plaats te zetten. Niet dat het helpt, maar toch.
    Een kanttekening: het herkennen van patronen is niet specifiek menselijk, mijn hond kan het ook (als mijn baas zijn schoenen aantrekt dan is er een goede kans dat ik uitgelaten wordt, en als hij dan ook nog zijn bril opzet dan weet ik het zeker), en naar ik aanneem kunnen alle primaten en nog veel meer dieren zoiets. Heet verschil tussen mens en dier is – zoals de trouwe lezers van Frans de Waal weten – veel kleiner dan velen lief is.

  3. “Uiteindelijk accepteerden ze dat elliptische banen om de zon beter in overeenstemming waren met de waarnemingen.”
    Dat is niet zo: waarnemingen zijn waarnemingen. En elliptische banen zijn geen verklaring. Het is een gemakkelijkere beschrijving van de waarnemingen; pas een dikke eeuw later komt er een achterliggende theorie voor juist die banen: de onzichtbare alomtegenwoordige zwaartekracht een briljante gedachte van de alchemist Newton

    1. Niet helemaal, geloof ik. RB heeft het over principes die in overeenstemming worden gebracht met patronen. Dat riekt naar een verklaring maar is, geloof ik, toch net even iets anders.

      1. FrankB

        We moeten hier in de gaten houden dat Newton’s model volledig causaal was. In die zin heeft Brink gelijk. De oorzaak van de planetaire banen is de zwaartekracht. Alleen teken ik hierbij aan dat sinds een jaar of 80 de moderne natuurkunde niet meer in termen van oorzaak en gevolg spreekt. Daarmee is het onderscheid tussen verklaring en beschrijving weggevallen.

        Bijna vergeten: het werkelijk briljante idee van onze alchemist met zijn onaangename karakter gaat nog veel en veel verder. Diezelfde zwaartekracht is verantwoordelijk voor de parabolische baan van een horizontale worp. Daarmee geldt hetzelfde principe zowel op onze dagelijkse schaal als op universele schaal. En de beroemde Tweede Wet (F = m*a) gaat niet alleen op voor de zwaartekracht, maar voor alle krachten.
        Aristoteles had Copernicus dus nog wel kunnen volgen. Newton echter ging het voorstellingsvermogen van de ook al geniale Stagiriet ver en ver te boven. In die 150 jaar heeft de natuurkunde zich dan ook sneller ontwikkeld dan de pakweg 2000 jaar ervoor.

    2. FrankB

      De elliptische banen (van Johannes Kepler) beschrijven de waarnemingen beter dan de cirkels a la Ptolemaeus en zijn dus beter in overeenstemming. Er is niets mis met JL’s formulering. Ironisch genoeg voorspelt de theorie van de betreffende alchemist nou net cirkels. De zwaartekracht levert een constante middelpuntzoekende kracht en staat dus altijd loodrecht op de baan van de rondjes draaiende puntmassa. Het theoretische resultaat – nog steeds volgens de inderdaad briljante gedachte van die alchemist – is een eenparige cirkelbeweing.
      U mist dan ook iets dat net zo briljant is: de suggestie dat de planeten ook zwaartekracht op elkaar uitoefenen en dus elkaars baan verstoren.

  4. Rob Duijf

    ‘Zekerheid heeft de onaangename eigenschap de mensheid verdeeld te houden terwijl twijfel de mensen verbindt.’

    Waarbij je nog zou kunnen aantekenen dat zekerheid, bestendigheid, leidt tot stilstand, want het is de ontkenning van de dynamiek van ontwikkeling, van verandering.

  5. Heeft de verschraling van dat inderdaad belangrijke pedagogische programma tot geesteswetenschappen niet te maken met een te strenge scheiding tussen natuur- en geesteswetenschappen waar Rens al in zijn eerdere boek afscheid van nam? Daardoor ademt zijn boek de geest van Spinoza die de studie van de mens niet losmaakte van die van de natuur. Dat zo’n oud inzicht weer nieuw leven ingeblazen krijgt met ook weer dit degelijke boek is inderdaad fantastisch.

    1. FrankB

      Nou, nieuw leven …. mijn complimenten dat RensB er een heel boek over schrijft, want dat was hard nodig. Maar het idee is nooit dood geweest.

        1. FrankB

          Toen ik bv. in de jaren 1980 een cursus geschiedenis van de natuurkunde volgde, gegeven door
          een langdurige co-auteur van de roemruchte BINAS. Er zijn ook wel citaten van Einstein mbt de alfawetenschappen te vinden; die zijn allemaal zeer positief. In WO-2 werkten taalkundigen en wiskundigen uitstekend samen om codes te kraken.
          Nou had ik van Windelband en Dilthey nog nooit gehoord en ik betwijfel of veel exacte wetenschappers hun namen kennen. Dilthey kon ik gemakkelijk vinden, maar de ander niet.

          https://plato.stanford.edu/entries/dilthey/

          Het eerste probleem ontstaat hier al: “Dilthey’s aim was to expand Kant’s …..” Kant’s wetenschapsfilosofie speelt nl. nauwelijks een rol van betekenis in de natuurwetenschappen. Descartes, Hume, Popper en hun critici zijn van veel groter belang.
          Ook van Snow’s The Two Cultures had ik nog nooit gehoord, maar als ik mag afgaan op de Engelse Wikipedia is de inhoud van dat boek gemeengoed. Ik ontken beslist niet de verregaande specialisatie, waardoor vele natuurwetenschappers nauwelijks benul hebben van wat buiten hun vakgebied gebeurt. Het zou een hoop onzin schelen als de uitstekende evolutiebiologen RIchard Dawkins en Jerry Coyne hun mond hielden over ongeveer alles waar ze niet voor doorgeleerd hebben. Maar daaruit volgt nog niet dat iig natuurwetenschappers een dergelijke strikte scheiding toejuichen, laat staan bevorderen. Diezelfde Jerry Coyne is op zijn blog ook alleen maar positief over de humaniora, voor zover ik mij herinner.
          Dat bedoelde ik toen ik schreef dat het idee nooit dood is geweest.

          1. Ah, nu weet ik wat meer. Ik hoor mijn natuurkundevrienden spreken. Maar…wat je van natuurkunde zegt betwist ik niet en ik ken de alfabewondering die sommige beta’s hebben, en wat ook waar is: het ligt niet aan de natuurkundigen. Die juichen de scheiding niet toe maar of ze de gamma’s/alfa’s echt toelaten… mischien ben jij een uitzondering?

  6. … De natuurwetenschappen hebben immers net zo vaak leentjebuur gespeeld als dat ze andere vakgebieden ten voorbeeld zijn geweest. Zoals Bod het ditmaal zegt: “geen enkele kennisactiviteit of discipline staat los van andere disciplines”…

    Dat spoort met de opvattingen van Ernest Peter Fischer in zijn boek dat uit het Duits in het Nederlands vertaald is als ‘Eureka – De Natuurwetenschappen onthuld’. (2002). De Duitse titel (“Die andere Bildung’) dekt echter beter de lading van het boek, waarin hij ervoor pleit dat wetenschappers op een manier moeten communiceren, waarbij ze i.p.v. een vereenvoudigde weergave van hun wetenschappelijke publicaties of datgene waar ze mee bezig zijn zó moeten communiceren dat het voor de ontvanger van de informatie ‘een actief beleven’ mogelijk maakt.

    In een van de colleges die Robbert Dijkstra bij DWDD gaf, werd dat principe toegepast op het begrip getal. Misschien hebben velen onder u het gezien.
    Welke voorstelling hebben we bij grote getallen en bvb. bij het begrip oneindig? Hij illustreerde dit aan de hand van hoeveelheden hagelslagjes die meestal op een boterham liggen, die in een normale verpakking zitten, enz. Toen dronk hij een slok water en zei dat daarin ca. een quadriljoen 1.000.000.000.000.000.000.000.000 (10 tot de macht 24) watermolecules zaten. Hij ging vervolgens weer over op zijn hagelslagjes met de vraag hoe groot de verpakking zou zijn nodig om een quadriljoen hagelslagjes te bevatten. Volgens zijn berekening zou een enorm hoog gebouw nodig zijn (de precieze afmetingen herinner ik me niet meer precies), maar het zou van uit de ruimte gemakkelijk zichtbaar zijn en ook een gevaarlijk obstakel voor satellieten vormen. Zo’n getal zegt (mij althans) weinig, want ik kan er mij niets bij voorstellen, maar door de opbouw van RD’s verhaal kon ik mij min of meer een voorstelling maken. Dat is goede wetenschapscommunicatie.

    Verder dank voor de uitvoerige en interessante recensie. Nodigt uit tot het kopen van het boek!

      1. Natuurlijk, Rob! Kanjer van een fout van mij. Ik heb zijn naam al zo vaak gebruikt. Begin oud te worden. Maar het was wel de naam van die meneer, niet van die menneer! 1-1!
        Hoewel dat van mij een strafschop verdient en dat van jou hoogstens een hoekschop. 😌

    1. FrankB

      We kunnen het natuurkundigen nageven dat zij, ongetwijfeld mede uit eigenbelang (poen!) zich al decennia met wetenschapscommunicatie bezighouden. Op YouTube zijn allerlei leuke oude filmpjes van RIchard Feynman te vinden.

      “Zo’n getal zegt (mij althans) weinig.”
      Daarvoor kunnen we te rade gaan bij de psychologie. Ik durf wel te beweren dat het onderscheid tussen biljoen en triljoen geen mens iets zegt, ook Dijkgraaf niet. Toch dekken geen van beide ook maar enigszins dat aantal watermoleculen. Het is allemaal gewoon veel.
      Dit is de diepere betekenis van de eeuwige grap van Dagobert Duck’s vermogen.

  7. FrankB

    “Het waren uiteindelijk waarnemingen die mensen als Copernicus ….”
    De rest klopt, maar Copernicus nou net niet. Die gebruikte al bekende waarnemingen – niet door hemzelf gedaan – om een concurrerend model op te stellen (a la Aristarchos van Samos, misschien geleend van). Het was Tycho Brahe die als eerste systematisch waarnemingen deed om te kijken wie (hij meende hijzelf) gelijk had. Aldus zette hij in de astronomie de empirische cyclus in gang; binnen enkele decennia was niet alleen Ptolemaeus’ oude model aan de kant gezet, maar ook dat van Copernicus.
    Dit boek staat nog een stuk hoger op mijn lijst van prioriteiten dan dat boek over de Avaren.

  8. Manfred

    Noot: dit boek verscheen eerder in het Engels in 2013 bij Oxford University Press onder de titel ‘A New History of the Humanities – The Search for Principles and Patterns from Antiquity to the Present’.

Reacties zijn gesloten.