Simon Stevin in Delft

De toren van de Nieuwe Kerk in Delft

Onlangs was ik in Delft. Dat kun je zo weleens hebben. En ik maakte van de gelegenheid gebruik om de Oude Kerk en de Nieuwe Kerk eens te bezoeken, prachtige gebouwen die ik eigenlijk niet kende. Ik geloof dat ik er als kind ben geweest, maar het bezoek aan het Prinsenhof, waar Willem de Zwijger is vermoord, is me beter bij gebleven.

Zware en lichte voorwerpen

In de Nieuwe Kerk is geschiedenis geschreven. Op een dag in 1586 deden Simon Stevin en zijn vriend Jan Cornets de Groot, de burgemeester van Delft, daar een van de belangrijkste wetenschappelijke experimenten die we kennen. Het ging om een belangrijke vraag. Iedereen wist – was het niet uit ervaring dan toch wel op gezag van Aristoteles zelf – dat zware voorwerpen sneller vallen dan lichte. De grote geleerden van de middeleeuwse scholastiek hadden herkend hoe problematisch dat was. Immers, als je een licht voorwerp vastbond aan een zwaar voorwerp, ontstond een heel zwaar voorwerp dat dus nóg sneller zou vallen, terwijl je tegelijk zou verwachten dat het lichte voorwerp het zware voorwerp zou afremmen en het geheel dus langzamer zou vallen.

Lees verder “Simon Stevin in Delft”

De “Herkulanerinnen”

De Herkulanerinnen (Zwinger, Dresden)

De Duitser die rond het midden van de achttiende eeuw meer wilde weten over klassieke kunst, maar de middelen niet had om naar Rome te reizen, kon naar Dresden gaan, waar de keurvorst van Saksen een prachtige collectie had staan. Antiquarisme, dus het verzamelen van oudheden, behoorde destijds nu eenmaal tot de taken van een heerser. Friedrich August I de Sterke breidde in 1728 de Dresdense verzameling uit door de privécollecties van twee Italiaanse kardinalen te kopen – samen 164 stukken. Het materiaal stond opgesteld in de Groβe Garten ten oosten van de stad, waar de koning van Pruisen er danig van onder de indruk was. En dat was natuurlijk altijd de bedoeling geweest.

Winckelmann

Johann Joachim Winckelmann, de grondlegger van de kunstgeschiedenis die van 1748 tot 1755 in Dresden verbleef, oordeelde echter dat de collectie, mooi als ze was, niet goed stond opgesteld. Ze stonden “als haringen in een ton”. Dat weerhield hem er niet van zo’n beetje in katzwijm te vallen bij de bovenstaande drie beelden: de Herkulanerinnen. Ik overdrijf een beetje, maar met deze beelden begint de kunstgeschiedenis.

Lees verder “De “Herkulanerinnen””

Leonard Woolley, Digging Up The Past

Wat resteert van de “deep sounding” van Leonard Woolley in Ur

Archeologie is kostbaar. Op een opgraving werken tientallen mensen en daarna zijn er de vondstverwerking, de conservering, de publicatie en de presentatie op de plek waar is gegraven. De financiering is altijd een probleem geweest en dat leidt nogal eens tot overdreven claims. De subsidiënt weet dan namelijk dat zijn geld is gegaan naar iets bijzonders, terwijl de buren van de opgraving ook tevreden kunnen zijn. Een van de beruchtste overdreven claims is de bewering van Leonard Woolley (1880-1960) dat hij in Ur in 1929 de kleiafzettingen van de Zondvloed had ontdekt.

Woolleys “deep sounding” in Ur

Dat leverde een van de beroemdste foto’s op uit de geschiedenis van de oudheidkunde. Zie hiernaast. En de truc werkte. De opgraving kreeg er nog vier seizoenen bij. De kuil in kwestie was echter niet meer (en ook niets minder) dan de deep sounding waarmee Woolley in Ur de hoofdlijn van de stratigrafie had opgesteld.

Je zou haast over het hoofd zien dat dit ook zonder de hysterische claim belangrijk was. Voor het eerst hadden archeologen nu werkelijk overzicht van de volgorde van de laat-neolithische, chalcolithische en Bronstijdlagen in Mesopotamië. Ik blogde er hier over. De tegenwoordig met prikkeldraad beschermde “Woolley’s Pit” in Ur is voor de archeologie van het Nabije Oosten wat het CERN is voor de deeltjesfysica en de Leeuwenhoekmicroscoop voor de biologie.

Lees verder “Leonard Woolley, Digging Up The Past”

De Europese canon (16-20)

Vroege kaart van Amerika

In de alweer vijfde aflevering in de reeks over de Europese canon gaan we kijken naar de overgang van Middeleeuwen naar Nieuwe Tijd.

De Grote Ontdekkingen

Periode: Vanaf 1419

Vanaf 1419 organiseerden de Portugezen systematische verkenningstochten langs de westelijke kust van Afrika. Die werden steeds ambitieuzer. Bartolomeu Dias passeerde in 1488 Kaap de Goede Hoop, Vasco da Gama bereikte in 1497 India. In de tussentijd was Columbus namens de reyes católicos de Atlantische Oceaan overgestoken. Rond 1500 begonnen de Europeane nte begrijpen dat Columbus niet in India was aangekomen, zoals hij dacht, maar een nieuwe wereld had ontdekt.

Lees verder “De Europese canon (16-20)”

Carlo Rovelli over Anaximandros (1)

Anaximandros (Capitolijnse Musea, Rome)

Hoe is het mogelijk een heel boek te schrijven over een filosoof waarvan maar vier zinnen overgeleverd zijn? Anaximander van de Italiaanse fysicus Carlo Rovelli doet precies dat, en daarom weet je als lezer van tevoren eigenlijk al dat het boek nooit alléén over Anaximandros kan gaan.

En dat gaat het ook niet. Het werkelijke onderwerp van het boek wordt verraden in de ondertitel: De geboorte van het wetenschappelijke denken. Rovelli gebruikt in zijn boek de filosoof Anaximandros als aanleiding tot een betoog over wetenschapsfilosofie. Dat maakt het boek gelukkig wel interessant, want Rovelli geeft een mooie beschrijving van waar de wetenschap voor staat, en hoe deze functioneert en zich ontwikkelt. Geen geschiedenis dus, maar eerder een korte geschiedenis van de wetenschapsfilosofie. Het boek is daarbij bijzonder vlot en toegankelijk geschreven.

Lees verder “Carlo Rovelli over Anaximandros (1)”

Willem van Moerbeke

De Vierde Kruistocht mislukte spectaculair. De deelnemers kwamen nooit verder dan Constantinopel, dat ze in 1204 innamen. Het graf van een van de commandanten, de Venetiaan Dandolo, is nog steeds te zien in de Hagia Sofia. Eenmaal meester van de grote stad, plaatsten de kruisridders de Vlaamse graaf Boudewijn IX op de keizertroon. Meteen kwamen er twee concurrerende keizers. Het Byzantijnse Rijk is deze verdeling, die duurde tot 1261, nooit meer te boven gekomen.

Voor West-Europa was de gebeurtenis echter profijtelijk: wetenschappers kregen toegang tot allerlei Griekse handschriften. Een van de sleutelfiguren in de overdracht van klassieke teksten was de Vlaming Willem van Moerbeke. Tussen 1260 en 1270 vertaalde hij vrijwel alle werken van de filosoof Aristoteles, en ook enkele laatantieke commentaren daarop, alsmede het leeuwendeel van het ons bekende oeuvre van de natuurkundige Archimedes en ook iets van de arts Claudius Galenus.

Lees verder “Willem van Moerbeke”

De Grieks-Romeinse natuurwetenschappen

Bij wijze van samenvatting van de antieke natuurwetenschappen: de sfaira van Archimedes, een reconstructie van de kosmos (Liebieghaus, Frankfurt)

Het optreden van Karneades, waarover we het twee maanden geleden hadden, toont dat er in Rome weerstand kon zijn tegen de Griekse filosofie. Tegelijk adopteerden de Romeinen uit de Griekse filosofie wat hun van pas kwam. Als het bijvoorbeeld ging om de natuurwetenschappen stonden de Romeinen open voor Griekse ideeën. In de tweede eeuw v.Chr. ontstond een breed gedragen consensus over de wijze waarop de natuur in elkaar stak.

Empedokles

De eerste Griekse filosofen hadden verklaringen gezocht voor tal van natuurverschijnselen. In de hellenistische tijd meenden de meeste wetenschappers dat ze er wel zo ongeveer uit waren. Zoals zoveel filosofen in de voorgaande eeuwen aanvaardden ze de atoomtheorie en de vier elementen van Empedokles: aarde, lucht, water en vuur.

Aarde had volgens de denkers in de Oudheid de neiging zich richting het middelpunt van het universum te bewegen, om daar de wereld te vormen. Het water was minder zwaar, en dreef daarom op de aarde. Zo werden de zeeën gevormd. Lucht en vuur waren lichter en stegen dus op. Zo ontstond de dampkring.

Lees verder “De Grieks-Romeinse natuurwetenschappen”

Geliefd boek: De aarde is niet rond

Als je op reis gaat ontdek je vaak niet alleen de natuur en cultuur van een land, maar ook de geschiedenis. Zo kwam schrijver Arthur van den Elzen in Ecuador het verhaal op het spoor van de Franse expeditie die daar in de achttiende eeuw de aarde wilde opmeten. Van den Elzen heeft in Latijns Amerika gereisd en gewoond en schreef ook al Koningsdrama in Mexico, maar over dat onderwerp heb ik het al een keer gehad. In De aarde is niet rond gaat het over hoe wetenschappers er al metend achter kwamen dat de aarde wel rond is, maar niet helemaal.

De wetten van de zwaartekracht van Newton

veronderstelden dat de aarde door het rondspinnen -om een onzichtbare as die van pool tot pool loopt- en de daarbij vrijkomende centrifugale of middelpuntvliedende krachten niet helemaal rond zou zijn, maar uit zou zetten aan de evenaar en afgeplat zou zijn aan de polen.

Maar Franse landmeters begonnen ze zich bij het meten af te vragen of het niet andersom was. Newton was tenslotte een schrijfkamergeleerde, zij deden onderzoek in het veld. En zo ontstond aan de Franse Académie des Sciences het idee om het vraagstuk op te lossen door de aarde op te meten aan de evenaar en aan de Noordpool. De Spaanse en de Franse koning werden het eens en in 1735 kon de wetenschappelijke expeditie naar Zuid-Amerika vertrekken. (Afrika en Azië werden niet geheel ten onrechte als te onherbergzaam beschouwd.)

Lees verder “Geliefd boek: De aarde is niet rond”

Hypatia van Alexandrië

Een hydrometer, zoals Hypatia die heeft laten vervaardigen, dobbert in het water. Als het een suikerhoudende vloeistof was geweest, zou het instrument wat hoger hebben gestaan.

Het is altijd wel een “dag van…” of “week van…”. Zo ook vandaag. 11 februari is door de Verenigde Naties aangewezen als de Internationale Dag van Vrouwen en Meisjes in de Wetenschap. Het leek me aardig daarom eens te schrijven over Hypatia van Alexandrië.

We weten vrijwel niets over haar. Zodat ze de zin van deze “dag van…” mooi illustreert. Vrouwen zijn immers nogal eens vergeten.

Van Hypatia’s wiskundige oeuvre is bijvoorbeeld weinig meer bekend dan dat het vooral heeft bestaan uit commentaren op eerdere auteurs. Er zijn onderzoekers die denken haar hand te kunnen herkennen in overgeleverde teksten, maar aangezien antieke commentaren doorgaans anoniem waren, weten we dat eigenlijk niet voldoende zeker. Hypatia is dan ook veel bekender om haar dood in 414 na Chr. Het gaat de auteurs van de bronnen daarbij echter niet om háár, maar om de schande dat de christelijke leider zijn kudde niet in de hand had gehad. Dus dat ging ook weer over een man.

Lees verder “Hypatia van Alexandrië”

Griekse wiskunde

Griekse mathematische papyrus (Neues Museum, Berlijn)

Ik blogde afgelopen donderdag over het hellenisme en FrankB stelde de vraag waarom de hellenistische geleerden nauwelijks of geen vooruitgang boekten in de wis- en natuurkunde. Die vraag is weleens eerder gesteld geweest. Om precies te zijn een kleine eeuw geleden. Eerst was er de ontdekking geweest van de Archimedespalimpsest. Daarna waren kleitabletten gepubliceerd die toonden dat de Grieken schatplichtig waren aan de Babyloniërs. Allemaal nieuwe informatie, die leidde tot de constatering dat de creatieve periode van de Griekse wiskunde rond 300 v.Chr. voorbij was.

Dijksterhuis versus Spengler

Een van degenen die dit constateerde, was Oswald Spengler in zijn in 1918 verschenen Der Untergang des Abendlandes. Hij meende dat elke beschaving een ontwikkeling kende van groei, bloei en verval. Aangezien de Griekse wiskunde zijns inziens niet van buitenaf was beïnvloed, viel alleen maar te verwachten dat ze ooit aan creativiteit zou inboeten.

Lees verder “Griekse wiskunde”