Hysterie

Delen van het Antikythera-mechanisme (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

Oké, zoals de oudheidkunde in het nieuws komt, het kan dus altijd nóg slechter. Ik meende het ergste wel te hebben gezien. Maar dat de Washington Post ooit nog zou koppen dat “een verloren stad” is teruggevonden, “gebouwd door krijgsgevangenen uit de Trojaanse Oorlog”, dat had ik niet meer zien aankomen. U vindt dat brok hysterie hier. Het erge is dat dit soort kulleklap helemaal niet nodig is omdat er over Tenea, want daarover hebben we het, ook een gewoon interessant stuk te schrijven zou zijn geweest.

Nu bent u, waarde lezer, slim genoeg om voorbij de kop te kijken. De meeste lezers doen dat echter niet en voor hen is de eerste indruk meteen de laatste: oudheidkundigen zijn weer eens aan het overdrijven. Aandachtshoeren.

In dit geval lag de nonsens er duimendik bovenop. Maar het kan ook subtieler. Ik ben al van vier kanten, door mensen die ik hoog acht en die zich doorgaans niet gek laten maken, gewezen op het bericht in Ha’aretz dat er een nieuw onderdeel van het Antikythera-mechanisme is gevonden. (Ik hoop dat de link werkt, ik had er moeite mee.) Dat zou leuk zijn, want dit mechanisme, dat is te zien in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene, is een soort rekenmachine om de planeetstanden te berekenen. De maker was weliswaar geen Eise Eisinga – als de moderne reconstructies kloppen deed het ding het niet heel erg goed – maar zijn werkstuk is natuurlijk eindeloos fascinerend.

Lees verder “Hysterie”

Datafraude

Leiden, Galgenwater

Als u op straat een fiets krijgt aangeboden voor vijfentwintig euro, hebt u een redelijk vermoeden dat er iets niet in de haak is. U zou vrijwel zeker een heler zijn als u die fiets kocht.

Als een oudheidkundige een papyrus- of perkamentfragment zonder provenance krijgt aangeboden, heeft hij een redelijk vermoeden dat het ding óf vals is óf is verworven door plundering. Hij zou vrijwel zeker datafraude plegen als hij ze uitgaf. Los daarvan ontzegt een wetenschapper die teksten zonder provenance bestudeert, zich een manier om de vondst te dateren: een tekst zonder archeologische context kan alleen paleografisch (dat wil zeggen: aan de vorm van het handschrift) worden gedateerd en dat is een berucht subjectieve methode.

Lees verder “Datafraude”

Behistun (1)

Het Behistun-reliëf

Het is misschien wel de bekendste Known Unknown uit de oudheidkunde: de Behistun-inscriptie. Eigenlijk heeft iedereen die een gangbare auteur als Herodotos heeft gelezen, ervan gehoord, maar werkelijk bekend is de Perzische inscriptie niet. Het leek me, nu ik toch bezig ben met een reeks Herodotosstukjes, zinvol eens een paar blogjes te wijden aan dit monument, dat zich bevindt in het westen van Iran, zo’n honderd meter boven de weg van Mesopotamië naar de Iraanse hoogvlakte. Het bestaat uit een reliëf en een inscriptie in drie soorten spijkerschrift en drie talen.

Het reliëf is een imitatie van een ander reliëf, wat verder naar het westen, in Sar-e Pol-e Zahab. Dat is rond 2000 v.Chr. gemaakt en toont een koning die een verslagen vijand vertrapt en neerziet op nog meer verslagen tegenstanders, met stroppen om hun nek. De Perzische koning Darius moet dit oeroude reliëf in de jaren van zijn staatsgreep – laten we zeggen tussen 522 en 520 v.Chr. – hebben gezien en hebben besloten dat hij ook zo’n reliëf wilde hebben. U ziet het hierboven. Van links naar rechts zijn er twee hovelingen, koning Darius die een vijand vertrapt en een reeks verslagen tegenstanders. Opnieuw met stroppen om de nek. De gevleugelde figuur bovenaan is de Perzische oppergod Ahuramazda. (Moderne zoroastrianen houden het op het zichtbare aspect van de ene god.)

Lees verder “Behistun (1)”

Herodotos over de Nijl

De Griekse onderzoeker Herodotos was wat je noemt “intelligent maar geen intellectueel”. Hij mist de diepzinnigheid van de filosofen van zijn tijd en laat ook de vragen lopen waar een Aischylos mee worstelde. Maar Herodotos had een goed stel hersens en was niet beschroomd die te gebruiken. Zijn beschrijving van de sedimenten van de Nijl en zijn constatering dat Egypte in de loop van tien- of twintigduizend jaar was ontstaan uit rivierafzettingen, vormt een prachtig staaltje onbevooroordeeld en onbevangen nadenken. Zijn conclusie dat het land van de stroom was verkregen, werd spreekwoordelijk: Egypte wordt nog altijd aangeduid als “geschenk van de Nijl”.

De Egyptische rivier vormde in de Oudheid een beroemd raadsel. Niemand wist waar de bronnen waren en het moet gezegd dat Herodotos’ speculaties niet werkelijk correct zijn gebleken: redenerend dat de rivier symmetrisch was met de Donau, concludeerde hij dat de bronnen van de Nijl tegenover die van de Europese rivier moesten liggen, en aangezien hij die zocht in de Pyreneeën moest de Afrikaanse stroom beginnen in de Atlas. Hij had daarvoor overigens wel een serieuze aanwijzing: een rapport van een groep Nasamonen (een stam uit Libië) dat ze in het zuiden een grote stroom hadden gezien die van west naar oost stroomde. Een rivier waarin typisch Egyptische dieren leefden, zoals krokodillen. De Niger, weten wij, maar dat kon Herodotos niet weten.

Lees verder “Herodotos over de Nijl”

MoM | Droysen

Droysen (ets van Hugo Bürkner)

De bestudering van het verleden lijkt wat op een pakhuis waarin van alles en nog wat ligt, kriskras door elkaar. De een is historicus en zoekt in deze stellingenkast, de ander is archeoloog en pakt even verderop iets van het schap, de derde is classicus of socioloog en vraagt naar weer andere dingen. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Is er overzicht, systeem, structuur?

In mijn ervaring beschouwen veel onderzoekers de versplintering van de humaniora als gegeven. Het stoort me altijd een beetje, vooral als ze zonder nadere argumentatie zeggen dat het “nou eenmaal” zo is. Soms noemen ze de geesteswetenschappen “polyparadigmatisch”, wat minder sleazy klinkt maar op hetzelfde neerkomt.

Misschien is de versplintering inderdaad onvermijdelijk en moeten we niet langer hopen dat er in het pakhuis ooit orde zal zijn. Toch voel ik sympathie voor een Johann Gustav Droysen (1808-1884), die anderhalve eeuw geleden, in 1868, een Grundriss der Historik publiceerde waarin hij wat structuur aanbracht. Het was ook toen een geïdealiseerd overzicht, maar het maakt wel duidelijk hoe het proces van kennisverwerving zou kunnen verlopen en in die zin is het nog altijd nuttig. Eerstejaarsstudenten nemen er daarom nog weleens kennis van, meestal in uittrekselvorm.

Lees verder “MoM | Droysen”

De wetenschap en wij (2)

De Processiestraat in Babylon (Pergamonmuseum, Berlijn)

[Het tweede deel van een artikel; het eerste is hier.]

2

Eén factor is dat de eisen die we stellen aan de wetenschapscommunicatie met het opleidingsniveau van de bevolking mee stijgen: het wetenschappelijk proces moet daarom worden uitgelegd. In veel vakgebieden is dit niet zo’n probleem, maar in de humaniora wel: de eis – een terechte eis – kwam immers ongeveer op hetzelfde moment waarop de opleidingen tot vier jaar werden beknot. Anders gezegd: terwijl het publiek meer wil weten, ontbrak het de letterenfaculteiten aan de mogelijkheden studenten voldoende lang op te leiden.

Zelfs gepromoveerden blijken minder te weten dan het publiek nodig heeft. Om niet wéér te beginnen over Fik Meijer (maar zie desgewenst dit, dit en dit), noem ik een classicus die me vertelde dat hij dankzij mijn blog begreep hoe makkelijk een papyrus viel te vervalsen. Dat was bedoeld als compliment en ik heb iets vriendelijks geantwoord, maar het is in feite verontrustend. Het betekent dat het publiek dingen nodig heeft die een universiteit blijkbaar niet langer bekend veronderstelt bij zijn medewerkers. Er is dus een groeiende inhoudelijke overlap tussen universiteit en periferie en daardoor neemt de kans toe dat de universiteit meent dat in de periferie iets gebeurt waarvoor zij verantwoordelijk is.

Lees verder “De wetenschap en wij (2)”

De wetenschap en wij (1)

Leeuwarden, Blokhuispoort

Uitvindingen en nieuwe inzichten veranderen de wereld. Daarom financieren we wetenschappers en daardoor komen we als gemeenschap verder. Maar wat als de wetenschap zich keert tegen de samenleving? Ik bedoel niet dat de verworvenheden verkeerd kunnen worden toegepast. Dat acht ik bekend. Ik bedoel dat universiteiten hun bevoegdheden kunnen overschrijden en schadelijk kunnen worden.

Dat is geen gebruikelijk geluid. Het risico is echter aanwezig. Het gevaar zit ’m in drie factoren die op zich goed zijn maar in combinatie gevaarlijk kunnen uitpakken:

  1. Menig niet-academicus draagt bij aan de wetenschap;
  2. De universiteiten voelen zich verantwoordelijk voor goede wetenschap;
  3. De academische vrijheid laat academici zichzelf beoordelen.

Alvorens daarop in te gaan eerst een kaart van het wetenschappelijke landschap.

Lees verder “De wetenschap en wij (1)”