Geliefd boek: Wijlen Sarah Silbermann

In de aanloop naar het aanstaande carnaval (13 t/m 16 februari) heb ik in de kleine uurtjes de roman Wijlen Sarah Silbermann (1980) van Hubert Lampo herlezen, het boek dat mij precies vijfendertig jaar geleden op het spoor zette van de intrigerende geheimen binnen de volkscultuur en folklore onder het motto ‘niets is wat het lijkt’. Lampo (1920-2006) is de belangrijkste vertegenwoordiger van de stroming die als ‘magisch realisme‘ wordt betiteld: een stroming die zich kenmerkt door de realistische weergave van bovennatuurlijke verschijnselen, eigenschappen en gebeurtenissen. Magie, esoterie en het paranormale worden daarbij ongemerkt en geleidelijk een aanvankelijk alleszins realistische vertelling binnengesluisd.
Precies zoals ik het graag zie: legenden, sagen en dergelijke, maar wel met onderliggende feiten.

Wijlen Sarah Silbermann bevat diverse thema’s, grotendeels, typisch Lampo, jungiaans archetypisch. De titel van het boek met daarin de Joodse Sarah Silbermann, verwijst naar de Tweede Wereldoorlog, een tijd die Lampo licht getraumatiseerd is doorgekomen. Ook komt in het boek een Duitse Hauptmann voor van organisatie Ahnenerbe die perfect in het verhaal past.

Erotiek

Verder speelt in het boek wederom de erotiek een grote rol. Volgens Kersten (in Argus 4, 1981) had Lampo een buitengewone moederbinding wat onder andere, met een knipoog naar Jung, geleid zou hebben tot donjuanisme. In het boek spelen twee vrouwelijke archetypen een rol: de ‘venusfiguur’, de brouwersechtgenote Claire Landwaard, een vrouw met nymfomane trekken, en als tegenstelling de anima, de ideale vrouw voor hoofdpersoon Johan Reynders, op papier vlees geworden in de persoon van Kristine Bruynoghe. Het valt mij nog mee dat Lampo niet de complete Tannhäuser er bijsleept. Overigens te meer de Parsifsal en zelfs de Lohengrin, maar daarover straks meer.

Maar wat het boek vooral interessant maakt zijn de carnaval- en graalmotieven die Lampo, het moet gezegd, uiterst inventief door elkaar weet te weven. Maar hierbij zij de lezer gewaarschuwd: het gaat bij een roman per definitie om fictie. We laten ons dus inspireren door fictie en niet door feiten, maar dat hoeft ons enthousiasme niet te belemmeren.

The Da Vinci Code

Maar hoe het foutief interpreteren door het grote publiek van een roman als een non-fictie boek tot een zeker drama kan leiden bewijst The Da Vinci Code (2003) van Dan Brown. Brown had al een aantal thrillers op zijn naam staan waarin hij feiten gebruikte als ingrediënten die hij omsmeedde tot originele en spannende thrillers, waar op zich natuurlijk niets mis mee is. Zo is The Da Vinci Code weinig meer dan een hervertelling in thrillervorm van het non-fictieboek The Holy Blood and the Holy Grail (1982) van de journalisten Baigent, Leigh en Lincoln. Dit boek heeft het niveau van Waren de goden kosmonauten. Een gruwel voor wetenschappers, gefundenes Fressen voor fictie-schrijvers.

Echter gezien het quasi-logische plot en de voorkomende feiten en natuurlijk het sensationele karakter, werd het boek al snel door het overgrote deel der lezers opgevat als een poging van Brown om een expliciete waarheid in romanvorm te presenteren. Kennelijk om de verkoopcijfers en zijn publiek niet te frustreren bleef Dan Brown opzettelijk vaag over zijn oorspronkelijke intenties zodat de legende, die de nodige overeenkomsten vertoont met het boek van Lampo, voor velen nog steeds voortkabbelt als ‘waar gebeurd’.

Fictie en feit

Ook in ‘Wijlen Sarah Silbermann’, dat qua plot en thematiek best door Dan Brown geschreven had kunnen zijn, komen feiten voor. Zo is het stadje waar het verhaal zich afspeelt, Zoetelede, moeiteloos te identificeren met het werkelijk bestaande Zoutleeuw. De Sint-Leonarduskerk uit de dertiende eeuw met een uniek bewaard laat-gotisch interieur is hernoemd in Sint-Michielskerk, maar is onmiskenbaar de eerstgenoemde vanwege het voorkomen in het verhaal van het werkelijk bestaande zestiende-eeuwse dubbelzijdige Marianum. Helaas komt in de kerk geen voor het verhaal benodigde Zwarte Madonna voor (het Mariabeeld in de Sint-Leonardus uit 1250 is niet zwart), maar die verzint Lampo erbij en geeft het voorkomen van het beeld een schijn voor werkelijkheid door het in een opsomming van werkelijk bestaande Zwarte Madonna’s is België te plaatsen.

Het boek is voor de lezer een heerlijk amalgaan van een aan het caranval van Zoetelede opgangen thema’s als de graal, wereldwijd verbreide en uit een verre oertijd stammende vruchtbaarheidsriten, alchemie, meneer Devisser in zijn vervallen kasteel nabij Zoetelede als de Visserskoning uit Parsifal, Lohengrin en het ganzenbord, de nazi’s en Ahnenerbe en nog wat meer.

Dat is smullen geblazen, echter, in tegenstelling tot Dan Brown, gebruikt Lampo zijn roman waarschijnlijk wel degelijk als platform om zijn ideeën te presenteren, getuige onder meer de vele gesprekken tussen de hoofdpersonen waarin met name Johan Reynders, alter ego van Hubert Lampo, het één en ander over de genoemde thema’s en hun onderlinge verwevenheden verduidelijkt. Geen verrassing voor wie Lampo’s essayverzamelingen als De zwanen van Stonehenge kent.

Lampo en Draak

Dit alles was nog steeds geen bezwaar geweest als Lampo iemand geweest was van het niveau van prof. dr Maartje Draak, specialist in diverse van de onderhavige genoemde thema’s, maar Lampo was geen wetenschapper maar qua opleiding een schoolonderwijzer (die het overigens ver geschopt heeft als hoofdinspecteur van het bibliotheekwezen) die een hoop over het onderwerp gelezen had maar qua onderzoeker alle kenmerken van een bevlogen amateur vertoont. Ik zeg het nog netjes, want genoemde Maartje Draak noemt hem een beunhaas tegenover de wetenschapper als ‘vakman’ (m/v). Kenmerkend is een grote hoeveelheid maar selectieve feitenkennis die niet in de juiste context geplaatst wordt en waarbinnen onjuiste verbanden worden gelegd.

Lampo heeft een keer een eigen studie gepubliceerd ‘als een detectiveverhaal’ dat inderdaad als een detective leest maar als onderzoek door Draak volledig afgefakkeld werd in haar artikel “Lampo’s Kroniek van Madoc: bezwaren van de vakman” (De Gids nr 139, 1976). Het essay, zoals Lampo het boek (1975) noemt, gaat over de intrigerende en mysterieuze figuur van Madoc, die voorkomt in de eerste regel van de Reinaert en die ook bij Maerlant bekend was, maar waarvan men nog steeds niet weet of het een fictief personage was of dat hij werkelijk geleefd heeft. Het is een bijzonder complexe materie waaraan Lampo zich volledig vertild heeft.

Draak beschuldigt hem in genoemd artikel onder meer van ‘hinderlijke onnauwkeurigheden’ en ‘sensationele dramatisering’ en stelt in haar conclusie:

Het is een rommelig geschrift, zonder pointe. Het verschaft de vakman geen genoegen of voldoening; het bezorgt hem teleurstelling op teleurstelling.

En tot slot Draaks definitie van een beunhaas (tegenover de vakman):

Een beunhaas staat aan de verkeerde zijde van de opleidingslijn doordat hij – mogelijk uit zelfoverschatting – de gedisciplineerde training niet heeft willen ondergaan; hij kent geen eerbied voor begrenzingen en feiten.

Zelden heb ik een gerenommeerd geleerde meegemaakt die zo’n last had van haar eigen achternaam, maar ik vrees dat zij gelijk heeft. Met respect voor alle goedwillende en bevlogen amateurs.

Onvolkomenheden

Wijlen Sarah Silbermann leidt aan dezelfde onvolkomenheden als de Kroniek van Madoc. Een aantal hele of halve waarheden en feiten die op de één of andere wijze met elkaar in verband gebracht kunnen worden, buitelen over elkaar heen zonder dat er een echte pointe ontstaat, maar waarbij wel ongefundeerde links tussen de feiten worden gelegd.

Maar het is de vraag of het eerlijk is dit boek negatief te kwalificeren. Of Hubert Lampo het boek daadwerkelijk geschreven heeft om zijn ideeën en conclusies te presenteren in de veilige omgeving van een roman, in een raamwerk van fictie, is niet te bewijzen en voor zover ik weet heeft Lampo hier zich nooit over uitgelaten. Maar ik ben geen Lampo-kenner.

En is het boek daarom waardeloos? Nee, natuurlijk niet. Het is nog steeds een boek van literaire kwaliteit (hoewel ik genregenoot Johan Daisne kwalitatief beter vind) en het leest als een thriller van Dan Brown. En het belangrijkste: het werk inspireert en enthousiasmeert. Maar een gewaarschuwd lezer telt voor twee.

[Op mijn uitnodiging aan de vaste lezers van deze blog om geliefde boeken te delen, ging Hans Overduin voor de laatste keer in. Nogmaals dank Hans!]

Een gedachte over “Geliefd boek: Wijlen Sarah Silbermann

  1. Wim VdB

    Ik heb het boek destijds gelezen zoals ik denk dat het bedoelt was: een fictieve roman. Meer heb ik er nooit achter gezocht, maar vond het wel leuk om te lezen. Misschien moet ik nog maar eens een paar andere boeken van H. Lampo lezen.

Reacties zijn gesloten.