Hooglied (2): Een Arabische wasf

Het heeft niet zoveel met het Hooglied te maken, maar toch: op dit reliëf uit Jemen ontmoeten een vrouw en een man, gezeten op dromedarissen, elkaar bij een bron (Istanbul, Archeologische Musea)

[Mijn goede vriend Richard Kroes werpt een blik op het Hooglied. Het eerste deel van dit stuk was hier.]

Het Hooglied wordt begrijpelijker als we kijken naar het genre dat bekendstaat als wasf. Duizend jaar nadat het Hooglied werd geschreven, dus aan het einde van de zevende eeuw na het begin van onze jaartelling, schreef de Arabische dichter Al-Marraar ibn Moenkid (in de vertaling van Geert Jan van Gelder):

Een stralend blanke huid die het oog streelt,
en dik loshangend haar
waarin de haarspeld zoek raakt, in de lokken,
en als zij het laat hangen reikt het tot het stof;
het krult in weelderige strengen op haar grote hoofd, en hangt
aan weerszijden zoals gevlochten touwen.
Wit is haar brede voorhoofd, andere vrouwen overtreft zij.
Haar ogen zijn als van een antilope
die in het najaar achter is gebleven met haar jong,
reikend naar takken van de lotusboom en de acacia.
Wanneer zij lacht toont zij kamillewitte tanden
die met antimoon gesierd zijn, en met kartelrandjes.
Als je haar mond zou proeven
zou je die met honing vergelijken
die met koele sneeuw vermengd is.
Haar wang is glad, lang is haar nek,
haar tepels staan nog hoog, niet hangend.
Als een gazellesnuit, haar hemd vooruitduwend,
prijkend op een volle boezem.
Slank is haar middel, dun haar flanken,
maar goed gevuld onder haar onderjurk.
Haar billen vullen haar peignoir,
als dikke zandheuvels vlak naast elkaar.
Wanneer zij op bezoek gaat bij haar buurvrouw
komt zij welhaast buiten adem aan.
Wanneer zij loopt strijkt dij op dij;
zij zwaait zoals een palmboom die ontworteld wordt.
Zij moet haar benen spreiden als zij loopt;
zwaarlijvig, vol van heupen, wiegelend.
Zeventig ons wegen haar enkelringen,
maar zij breken door de dikte van haar benen.
Een liefhebbende moeder heeft haar grootgebracht,
een liefhebbende vader die haar niets kon weigeren.
Zij heeft een heerlijk leventje, genotvol en beschermd.
Haar voeten raken nooit de grond:
zij loopt op een tapijt dat haar voor stof beschermt.
Zij loopt op zijde en vindt het niets bijzonders;
zij heeft er lange jurken van die zij van achteren laat slepen.

Dit gedicht is een schoolvoorbeeld van een wasf, Arabisch voor “beschrijving”. Deze dichtvorm houdt altijd een zekere volgorde aan. Al-Marraar ibn Moenkid werkt van boven naar beneden: het haar, voorhoofd, ogen, tanden, mond, wang, nek, tepels, boezem, middel, flanken, billen, dijen, benen, enkels, voeten en tenslotte – geen lichaamsdeel, maar wel in dezelfde richting – de sleep van een kleed.

[Wordt vervolgd]

Deel dit: