
Er zijn, kort door de bocht, twee manieren om naar de mens te kijken: als cultureel wezen en als biologisch wezen. De eerste invalshoek is die van de culturele antropologie, de tweede is die van het fysisch antropologisch onderzoek. Daarover blog ik eigenlijk niet zo vaak, al heb ik weleens geschreven over de informatie die analisten ontlenen aan het menselijk gebit.
Wat ik daaraan nu kan toevoegen, is dat onze tanden bepaalde karakteristieken hebben die helpen om vast te stellen bij welke bevolkingsgroep iemand hoorde: denk aan de grootte van de hoektanden, de vorm van de snijtanden en het patroon van groeven op het oppervlak van de tanden. Zo zijn alle precolumbiaanse bewoners van de Amerika’s te verdelen in drie groepen, waarvan is geclaimd dat ze overeenkomen met drie taalfamilies en drie migraties. Ik wist dit allemaal nog niet en ik kan de claim ook niet beoordelen, maar blijkbaar kunnen wetenschappers tanden gebruiken om bevolkingsgroepen aan te wijzen.
Mannen en vrouwen
Het skelet biedt ook informatie. Wie wil weten of de resten van een mens behoren bij een man of vrouw, zou kunnen kijken naar de vorm van het bekken. Bij vrouwen, die kinderen ter wereld brengen, is dat breder dan bij mannen. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen mannen met brede bekkens zijn en vrouwen met smalle bekkens, maar grosso modo is er wel verschil en dit vormt een vrij sterke aanwijzing.
Een ander verschil tussen vrouwen en mannen is de aanhechting van de spieren. Die van mannen zijn meestal wat sterker en daarom is ook de aanhechting wat steviger. Een fysisch antropoloog kan dat herkennen bij de wenkbrauwboog, dus boven het oog, die bij mannen wat geprononceerder is dan bij vrouwen. Ook zijn de oogkas en de kaak van een vrouw wat ronder dan die van een man. Wat lager in het lichaam – laten we er een wasf van maken – zijn bij mannen de bovenarmen en de bovenbenen wat zwaarder dan bij vrouwen.
Engelse en andere ziektes
Botmateriaal is ook handig voor wie wil weten hoe lang iemand is. De lengte van het dijbeen biedt een vrij nauwkeurige aanwijzing voor de totale lengte.
Vaak vinden archeologen dijbenen die zijn verbogen onder het gewicht van de romp: Engelse ziekte. Dat betekent dat het bot niet sterk genoeg was. Dat kan natuurlijk betekenen dat iemand heel zwaarlijvig was, maar het gebeurde vooral doordat iemand te weinig vitamine-D binnen kreeg, waardoor de botten onvoldoende calcium opnamen en niet stevig werden. Omdat ons lichaam vitamine-D aanmaakt onder invloed van zonlicht, mogen we speculeren dat de persoon van wie een vergroeid dijbeen is geweest, veel in het donker heeft gewerkt.
Het skelet dat u hierboven ziet is dat van iemand waarvan we door DNA-onderzoek weten dat hij een oosterse vader en een Iberische moeder schijnt te hebben gehad. Ik vertelde al eens dat de arme kerel leed aan de zogeheten Chiari-malformatie. Dat betekent dat een deel van de kleine hersenen uit de schedel is weggezakt naar het ruggenmergkanaal. De patiënt heeft daardoor een evenwichtsstoornis, permanente hoofdpijn en slecht zicht, en tot slot een verstoorde ademhaling die hem slecht deed slapen. Zo kan een fysisch antropoloog een fors deel van iemands biografie schrijven.
[De oudheidkundige wetenschappen bieden meer dan feitjes, wistjedatjes en trivaliteitjes. Het zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van vergelijkbare stukjes is daar.]

Boeiend. Vooral het slotvoorbeeld.