
Voor u en mij, levend in een postindustriële samenleving, zal het bekendste voorbeeld van patronage/cliëntelisme wel te vinden zijn in The Godfather. Een Italiaanse immigrant in de Verenigde Staten, Amerigo Bonasera, heeft op een verschrikkelijke wijze ontdekt dat het Amerikaanse rechtssysteem niet altijd leidt tot gerechtigheid en roept de hulp in van don Vito Corleone. Die is invloedrijk en vermogend en kan Bonasera de steun geven die hij nodig heeft. In ruil vraagt Don Corleone een wederdienst, die deze aan het einde van de film inderdaad moet leveren.
Patronage
We hebben hier te maken met de vanuit Sicilië naar Amerika geëxporteerde vorm van patronage. (Cliëntelisme is een ander woord voor hetzelfde systeem.) Het is een ongelijke verhouding tussen een welvarende man, de patroon, en de mensen die hij ondersteunt, de cliënten, die verplicht zijn hun patroon wederdiensten te bewijzen en hem in het openbaar te prijzen. Hoewel de termen teruggaan op het Romeinse patronus en cliens, is patronage een in agrarische samenlevingen algemeen verschijnsel. Vaak is er een rituele bekrachtiging. In de film is het de kus op een ring die de relatie bezegelt. Patronagenetwerken lopen dwars door alle rangen en standen, waardoor enerzijds de privileges van de elite worden gedeeld en anderzijds de hiërarchie wordt versterkt.
Overigens is de relatie weliswaar ongelijkwaardig, maar dat wil niet zeggen dat de cliënt machteloos is. De verhouding wordt doorgaans verwoord in familietermen: de titel The Godfather, “peetoom”, spreekt boekdelen. Daaruit volgt dat de patroon quasi-familiezin moet betonen. Vergelijk het met de lijfeigenen in Pruisen, die “vader” behoorden te zeggen tegen een Junker en vervolgens diens vaderlijke verplichtingen perfect wisten aan te wenden te eigen bate. In de Romeinse wereld gold de zorgplicht van de patroon als heilig en er was een speciale plek in de onderwereld voor patroons die hun cliënten niet voldoende steunden.noot Een patroon die meer deed dan verwacht, gold als goedgunstig.
Uiteraard kon een patroon ook zelf een cliënt zijn. Koning Herodes Antipas van Galilea was een cliënt van keizer Tiberius en Caligula, maar was zelf de patroon van allerlei mensen in het land van Israël. Mensen die op hun beurt ook weer cliënten konden hebben. In dit voorbeeld is Herodes Antipas, die dienaar en koning tegelijk was, de zogeheten broker, een bemiddelaar tussen de hoogste patroon en de laagste cliënten. Zo’n broker kon een vrijwel officiële autoriteit hebben – zeg maar de volmacht om namens de patroon gunsten te verlenen.
In het Nieuwe Testament
Inmiddels zijn we in de sfeer van het Nieuwe Testament, de klassieke tekst waarover ik op zondag altijd blog. Die wortelt stevig in een wereld van patronage. Een voorbeeld uit het Marcusevangelie bevat enkele elementen.
Er kwam iemand naar hem toe die door een huidziekte onrein was; hij smeekte hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als u wilt, kunt u mij rein maken.’ noot
Dit is, als het is toegestaan messias en maffioso te vergelijken, zoiets als dat don Corleone een hulpvraag krijgt van Amerigo Bonasera. Uiteraard doet Jezus wat men van hem vraagt. Van een cliënt werd nu verwacht dat hij zijn patroon openlijk prees. Jezus wil dat niet, maar de man gedraagt zich zoals het hoort:
Toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was.noot
Niemand zal hiervan hebben opgekeken; het is Jezus’ verzoek om terughoudendheid dat verbazing zal hebben gewekt, al heeft hij, als broker, gelijk dat de goedgunstigheid afkomstig was van de hoogste patroon, dus van God. Jezus had echter, zo lezen we even verderop, de volmacht om namens God mensen te helpen.noot De gebruikte term, exousia, is ontleend aan de wereld van de patronage.
Tot slot: de allereerste christenen hadden diverse visies op Jezus’ optreden. Zoon van god. Mensenzoon. Messias. God. Ideale hogepriester. Maar men kon hem ook beschouwen als een broker tussen de mensen en God. Het wordt mooi geïllustreerd door Jezus’ ambigue titels: hij wordt enerzijds aangeduid als de dienaar/slaaf (doulos) maar is anderzijds koning. De eigenlijke patroon, God, wordt omschreven met woorden als charis, de goedgunstigheid van een patroon die meer doet dan verwacht. Het gaat te ver de nieuwtestamentische relatie tussen mensen, messias en God uitsluitend te typeren als cliënt, broker en patroon, maar patronage was zeker onderdeel van het vroegchristelijke wereldbeeld.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
PS
Vorige maand had ik een gesprek met Maarten Keulemans. De tekst van het interview verscheen zaterdag en is ook online. En er is meer hier.
Zelfde tijdvak
Julius Civilismei 15, 2014
Geliefd boek: De moordenaars van de keizermaart 22, 2022
Maës, de antieke Marco Polo (3)september 7, 2022

Het idee van bescherming in ruil voor diensten, waarbij vaak de client juist bescherming nodig had tegen patronen, vind ik ook vergelijkbaar met mafia. Want meestal betaal je de mafia voor bescherming tegen, tja, de mafia.
Dan is de parallel tussen mafia en Messias, die Jona eigenlijk niet wil maken, weer wel relevant, want de aandoeningen waarvan de man met de huidziekte genezen wil worden, konen natuurlijk, net als de genezing, van God.
Zo simpel ligt het niet. In de gevarieerde bibliotheek die de Bijbel is, worden sommige ziekten aan zonden toegeschreven, ook in het Nieuwe Testament. Andere teksten leggen dit verband niet, of spreken het tegen. In Johannes 9 geneest Jezus een blinde en wijst en passant zijn leerlingen terecht die bij de man (of anders zijn ouders) een oorzakelijke zonde veronderstellen. De man is blind geboren opdat hij door de Messias kon genezen worden als teken van het op handen zijnde heil. Dit kunnen we, cynische 21-ste-eeuwers die we zijn, ook kapot analyseren als “Wat fijn voor dat gezin dat ze zoveel jaren mochten lijden om uiteindelijk als voorbeeld te dienen”.
Dan gaan we voorbij aan de bedoelingen van de auteur. Het feit dat ziekte in de oudheid -meer dan bij ons- onontkoombare ellende inhield, betekende dat genezing een wezenlijk element moest zijn van zo goed als elke heilsleer. De hoop die geboden wordt, zal velen hebben aangesproken voor wie stoïcijnse aanvaarding te hoog gegrepen was.
Interessant onderwerp.
Ik durf de stelling aan dat patronage (do ut des) de essentie is van nagenoeg alle godsdiensten in alle tijden.
K.L. Noll wijdt er in zijn ‘Canaan and Israel in Antiquity’ een heel hoofdstuk aan. Het gaat te ver om er hier een samenvatting van te geven.
Een paar punten slechts:
Patronage was de gebruikelijke godsdienst van het oude Nabije Oosten. De patroon claimde de leiding en bescherming van een god te hebben die hem uitverkoren had voor deze taak.
De patroon-god vertegenwoordigt morele en fysieke kracht.
Voorbeelden van patroon-goden: Marduk (Babylonië), Ashur (Assyrië), Adad (Aleppo; deze werd ook wel Baäl genoemd). En in Samaria en Jeruzalem was het Jahweh.
Een vrouw kon ook een patroon-god zijn, bijv. de Vrouwe van Byblos.
Jahweh koos een serie koningen, ieder van hen een ‘gezalfde’, d.i. een messias, een christus).
De regels die bepaalden hoe patroon-cliënt relaties moesten functioneren, liggen ten grondslag aan de Bijbelse ’theologie’ van het convenant.
De rechtschapenheid c.q. rechtvaardigheid van de patroon-god mondde uit in een serie goddelijk geopenbaarde instructies voor menselijk gedrag (de Thora).
.
Het sociale systeem dat patronage is, is veel ouder.
In de 2e helft van het 4e millennium is het al zichtbaar in het pre-dynastieke Egypte. Het is in die periode niet gerelateerd aan religie, maar wordt gezien als een sociaal instrument in de tribale samenleving die dan nog bestaat in Egypte (en nog een tijdje zal voortduren).
Ik kan me voorstellen dat vergelijkbare sociale systemen al even vroeg bestonden in bijv. Mesopotamië, de Indusvallei of China.
Het is bij mijn weten in elke agrarische samenleving gedocumenteerd.
Patronage bestaat als sociaal systeem nog steeds in samenlevingen waar selectie voor een functie (hoog of laag) niet gebaseerd is bekwaamheid. Dus ook in Nederland kun je het soms aantreffen.
In 1991 of 1992 volgde ik het bijvak politieke antropologie bij Claessen (in Leiden). In zijn boek werd het bovenstaande al als citaat in zijn boek gegeven. Reciprociteit was wereldwijd gangbaar en kennelijk ook van alle tijden.
Belangrijke inzichten en zeer relevant ook om de hedendaagse equivalenten te begrijpen, de steeds ingewikkeldere en toxischere kluwen van bedrijfsleven, overheid en samenleving. Romeinse samenleving leek daar ook al helemaal van doorwrongen. Mafia, corruptie, georganiseerde misdaad zijn een metastaserende kanker volgens David Cameron is deze interessante rede: https://www.transparency.org.uk/corruption-more-cancer
Niet met alles eens maar veel rake tot denken of defaitisme leidende observaties.
Was het maar alleen in zaken als de Godfather, en alleen in agrarische samenlevingen. Het is de dagelijkse gang van zaken, hoe de macht in het echt werkt achter de voorgevel van verkiezingen, parlementen, en burocratiën. Ook miljoenensteden hangen van het cliëntelisme aan elkaar. Er zijn uitzonderingen maar die zijn altijd zeer kwetsbaar.