Druzen en Maronieten (1)

De Maronieten ten strijde

De Fransman Gérard de Nerval (1808-1855), die eigenlijk Gérard Labrunie heette, was een veelzijdig man: dichter, republikein bloemlezer, toneelschrijver, vandaal, journalist, reiziger. In 1843 bezocht hij het Ottomaanse Rijk, waarover hij een geromantiseerd verslag schreef: Voyage en Orient (1851). Het is bepaald niet vrij van vooroordelen, zoals wel blijkt uit het volgende verslag van een conflict tussen de twee belangrijkste bevolkingsgroepen van het huidige Libanon: de Druzen en de Maronieten.

Doorgaans konden die het redelijk met elkaar vinden. Nog kort daarvoor had de lokale leider Bashir Shihab II, een bestuurder die meer luisterde naar Muhamad Ali in Egypte dan naar de sultan in Constantinopel, geregeerd over beide groepen. De Britten en Oostenrijkers hadden echter de sultan gesteund in zijn pogingen het Ottomaanse gezag te herstellen, en Bashir was in 1840/1841 in ballingschap gegaan. Het was dus onrustig toen De Nerval door Libanon trok.

Het gezag over de Druzen had nu moeten liggen bij de garnizoenscommandant van de provincie Sidon, die resideerde in Beiroet. In de eerste vijf jaren van het herstelde Ottomaanse gezag waren er echter niet minder dan acht kandidaten, zodat het nog een wonder is dat ze de Druzen gedeeltelijk wisten te ontwapenen. De Maronieten woonden in de bergen in de provincie Tripoli, waar Omar Pasha (een Oostenrijker in Ottomaanse dienst) zulke maatregelen niet had genomen. Het door De Nerval beschreven incident had kunnen ontploffen, maar de leiders aan beide zijden hielden het hoofd koel en het liep met een sisser af.

***

Geruchten

Die avond was iedereen vol van een verontrustend bericht: paniekerige monniken kwamen vanuit naburige kloosters naar de kust en spraken over grote groepen Druzische strijders die uit hun eigen gebied [de provincie Sidon] waren gekomen naar de gemengde dorpen, die de pasha in Beiroet juist kort daarvoor had ontwapend. In de Kesrouan, in de provincie Tripoli, hadden de Maronieten echter toestemming om hun wapens te behouden; dus vonden de Druzen dat ze hun weerloze broeders [in de gemengde dorpen] te hulp moesten komen. Om dit te doen, moesten ze de Nahr al-Kalb oversteken, die de grens vormt tussen de twee gebieden. Dit betekende een ernstig conflict.

De gewapende en ongeduldige [Maronitische] bergbewoners verdrongen zich over het dorp en de velden. Ruiters reden snel naar de naburige gebieden en schreeuwden de traditionele oproepen tot oorlog: “Snel, volg de roep van God; snel, naar de strijd!”

De Maronitische prins nam me apart. “Ik weet niet wat er aan de hand is; de berichten kunnen overdreven zijn, maar in elk geval moeten we ons klaarmaken om onze buren te helpen. De hulp van de pasha komt meestal te laat. Het is misschien veiliger voor jou om naar het klooster in Aintoura te gaan, of om over zee terug te gaan naar Beiroet.”

“Nee,” smeekte ik, ”laat me met je meegaan.”

De Maronieten gaan op pad

Na vier uur lopen stopten we bij het klooster van Mar Hanna, waar verschillende mensen uit de bergen zich bij ons voegden. De monniken serveerden de lunch. Volgens hen was het beter te wachten omdat er nog steeds geen teken was dat de Druzen het district werkelijk waren binnengevallen.

De nieuwkomers waren echter een andere mening toegedaan en we besloten verder te gaan. We lieten onze paarden achter om een kortere weg door het woud te nemen, en hoorden toen de alarmerende geluiden – het was bijna avond – van geweerschoten, die echoden op de rotsen.

Ik ging naar boven om me bij de prins te voegen, die erg geïrriteerd was. Toen hij zag dat een paar Maronieten met brandende dennentakken op wat huizen afliepen, beval hij ze terug te gaan. De mannen om hem heen schreeuwden: “De Druzen hebben christelijke eigendommen verbrand; nu zijn we sterk, we moeten hetzelfde met hen doen.”

Een Druzische leider

Ondertussen werd in de huizen maar één oude man gevonden, iemand met een witte tulband [een hoogwaardigheidbekleder]. Hij werd meegenomen en ik herkende hem meteen: het was de man die me zo vriendelijk had uitgenodigd om bij hem thuis te komen rusten tijdens mijn bezoek aan Beit Mery. Hij werd gebracht naar de christelijke dorpssjeik, die een beetje in verlegenheid was door alle tumult. Samen met de prins probeerde hij de onrust te bedaren. De Druzische ouderling bleef kalm en zei tegen de prins:

“Vrede zij met je. Wat doe je op ons land?”

“Waar zijn je broeders?” vroeg de prins. “Zijn ze weggerend toen ze ons zagen aankomen?”

De oude man antwoordde: “Je weet heel goed dat dat niet onze gewoonte is. Maar omdat ze zagen dat er onvoldoende mannen waren tegenover al jullie mensen, brachten ze de vrouwen en kinderen in veiligheid. Wat mijzelf betreft, ik wilde blijven.”

“Er is ons verteld dat jullie de Druzen uit de Chouf hebben geroepen. Ze zouden in groten getale zijn gekomen.”

“Je werd misleid. Je hebt naar slechte mensen geluisterd, buitenlanders die het prachtig vinden als jullie ons zouden doden, zodat onze broeders jullie op hun beurt komen doden om ons te wreken!”

Oud zeer

De oude man was tijdens dit gesprek blijven staan. De sjeik in wiens huis we allemaal verbleven leek geïnteresseerd in zijn woorden en zei tegen hem: “Waarom doe je alsof je onze gevangene bent?  We waren tot voor kort vrienden; waarom kom je niet bij ons zitten?”

“Omdat jullie zijn in mijn huis,” antwoordde de oude man.

“Kom, laten we dat allemaal vergeten,” zei de christelijke sjeik. “Kom zitten op deze bank, dan laat ik koffie en een waterpijp brengen.”

“Weet je niet dat Druzen nooit iets aannemen van een Turk of van een van z’n vrienden, omdat het de buit kan zijn van onrechtvaardige belastingen?” antwoordde de oude man.

“Ik ben geen vriend van de Turken!”

“Hebben ze jou niet tot sjeik benoemd, terwijl ik sjeik was in de tijd van [de Egyptische gouverneur] Ibrahim? Toen leefden jouw volk en het mijne in vrede. Ben jij niet degene die ging klagen bij de pasha vanwege een kleine ruzie, een verbrand huis, een onbeduidend incident dat goede buren gemakkelijk zonder buitenstaanders hadden kunnen oplossen?”

Herinneringen

De sjeik schudde zijn hoofd zonder te antwoorden, en de prins onderbrak de discussie en verliet het huis, hand in hand met de Druzische man. “Je zou koffie met mij kunnen drinken,” zei hij, “ik heb nooit iets aangenomen van de Turken.” En hij beval zijn bediende in de schaduw van de bomen om koffie te schenken.

“Ik was een vriend van je vader,” zei de oude man. ”In die tijd leefden Druzen en Maronieten in vrede.”

Ze praatten lang over de tijd dat de mensen van beide religies verenigd waren geweest, vroeger, tijdens de heerschappij van de familie Shihab, toen ze nog niet waren overgeleverd aan de onvoorspelbare uitkomst van gewapende conflicten.

Ze kwamen overeen dat de prins al zijn mensen mee terug naar huis zou nemen en dat de Druzen terug naar hun dorp konden komen zonder een beroep te doen op de hulp van buitenstaanders. Verder spraken ze af dat de schade die ze die dag hadden geleden, zou worden beschouwd als vergelding voor het christelijke huis dat vroeger eens verbrand was.

De Nervals analyse

In feite hebben deze mensen het diepste begrip voor elkaar. Ze vergeten nooit de banden die hen vroeger verenigden. Ze worden echter opgehitst door missionarissen en monniken, die handelen namens Europese belangen. Als de monniken oorlog prediken, moeten de mannen de wapens wel opnemen. Als de Engelse missionarissen toespraken houden en steekpenningen betalen, moeten ze fel uit de ogen kijken. Diep van binnen voelen ze echter twijfel en wanhoop. Iedereen is zich bewust van de wensen en doelen van de diverse Europese machten, die een kans krijgen door het gebrek aan vooruitziendheid van de Turken.

Door gevechten uit te lokken in gemengde dorpen denken de Europese machten de noodzaak aan te tonen van een volledige scheiding tussen de twee bevolkingsgroepen, die ooit verenigd waren en een gemeenschappelijke zaak hadden. Er zouden in de toekomst dan slechts twee bevolkingsgroepen zijn, de ene onder Oostenrijkse bescherming en de andere onder de bescherming van Engeland.

***

De Nerval heeft goed gezien dat het Ottomaanse Rijk zwak stond, maar het zou anders lopen. Eind 1843 wist de Oostenrijkse diplomaat Metternich een regeling te treffen die voor beide partijen en de sultan bevredigend was. Rond 1860 kwam het echter tot grootschalig bloedvergieten, wat leidde tot een Europese interventie – maar niet door Oostenrijk of Engeland. Het was Frankrijk dat, om de Maronieten te beschermen, een protectoraat schiep.

***

PS

U hebt begrepen dat ik deze dagen extra blog over Libanon omdat het land, dat al rijk is aan problemen, er een oorlog bij krijgt. Mijn blogjes zullen de situatie daar niet verbeteren, maar u kunt dat wel. Als u wat kunt missen, doneer dan voor de zorg van de vluchtelingen: dit is een project van iemand die ik persoonlijk ken en vertrouw.

Deel dit: