
Het is absurd als een voormalige staatssecretaris van Defensie en gewezen brigadegeneraal van een verslagen leger zich aandient in de hoofdstad van een bevriende natie, en daar aankondigt in zijn eentje de strijd te willen voortzetten tegen een onoverwinnelijk lijkende vijand. Het wordt nog absurder als hij zijn doelen ook haalt. Dat is het verhaal van Charles de Gaulle tussen 1940 en 1944 en het verhaal van de twee Franse speelfilms die momenteel in de Nederlandse bioscopen zijn te zien.
Laten we eerlijk zijn: ze tuimelen weleens over het randje van het pathetische. Als tegen het einde van deel II de poëzie het overneemt, denk ik alleen maar “ik wou dat we snel door kunnen naar de volgende scène”. Gelukkig zijn de pathetische scènes kort en staat er veel tegenover. Er is duidelijk geld geïnvesteerd om iets moois te maken, en dat is ook gelukt. En een verhaal over een man die in z’n eentje de wereld bestormt én wint, is natuurlijk niet stuk te krijgen.
Twee films
Nou ja, een plot over een succesvolle carrière zou saai zijn, en er zijn gelukkig ook andere verhaallijnen. De eerste film draait niet alleen om De Gaulle, maar ook over jonge mensen in het verzet, inclusief Fernand Bonnier de La Chapelle, die in Algiers de Franse admiraal François Darlan doodde, een aanhanger van Vichy-Frankrijk. Dat de moordenaar niet vocht voor Frankrijk maar voor het herstel van de monarchie, wordt in de film weggemoffeld, en dat is ook een beetje mijn bezwaar: De Gaulles Vrije Fransen zijn de “good guys” en de Vichy-Fransen zijn “bad guys”, en dat er meer partijen waren die met andere motieven dan sympathie voor De Gaulle vochten, blijft wat onderbelicht. Dat gezegd zijnde, de eerste film overtuigde. Er was humor – het verhaal is nu eenmaal absurd – en goed spel, mooie decors, een sterk verhaal. En dat deed me vooruitzien naar de tweede, en gelukkig kon ik die nog deze week zien.
Die heeft minder humor en heeft een complexer verhaal: niet alleen draait het om De Gaulle, het gaat ook om Jean Moulin en het Franse verzet, en om generaal Philippe Leclerc. En waar De Gaulle zich eerst moest bewijzen tegenover de Engelsen en de Nazi’s, komen daar in de tweede film Amerikanen bij. Dit tweede deel begint heel sterk, als een Italiaans garnizoen in de Fezzan een Franse aanval te verduren krijgt. Het wordt helemaal vanuit Italiaans perspectief getoond en je hebt sympathie voor die arme kerels – méér sympathie dan voor de Amerikanen, die er ronduit slecht vanaf komen.
Een film van onze tijd
Misschien tekent dat deze tijd, waarin Europa meer op zichzelf is aangewezen en weinig goeds van de Amerikanen lijkt te kunnen verwachten. Misschien is de aandacht voor de “grote man” ook wel iets van deze tijd, nu geschiedenis meer gemaakt lijkt te worden door wat autocraten en technologiebaronnen dan door de democratische instituties.
In elk geval: twee goede, lange films, beide overtuigend, en met een goed geschreven einde, waarin de gevechten in Parijs niet al te glorieus in beeld worden gebracht en er aandacht is voor de Onbekende Soldaat. We mogen niet denken dat het alleen maar victoire, honneur et gloire was. De Marseillaise blijft de kijker bespaard en als eerbetoon aan De Gaulle eindigt het met een shot van het naar hem vernoemde plein in Parijs, niet méér. De Gaulle wordt weliswaar als held gepresenteerd en als iemand die van begin af aan alles goed heeft gezien, maar de film ontkent de ellende bepaald niet.
Scenario
Historici die als historici commentaar geven op een film, presenteren zich als pietlutten en wekken de indruk dat geschiedkundigen alleen maar bezig zijn met het zoeken van spijkers op laag water. Terwijl geschiedkundigen wel belangrijkere dingen te melden hebben. Een film is simpelweg een andere manier om met het verleden om te gaan dan geschiedwetenschap en historici moeten niet met de opgeheven vinger zwaaien.
En toch: ik denk dat het scenario uit het eerste deel iets meer aandacht had kunnen besteden aan de oorlog in Syrië en Libanon. De Vrije Fransen namen daar twee mandaatgebieden over van Vichy-Frankrijk, nadat ze die de onafhankelijkheid hadden toegezegd: De Gaulle had daar moeite mee, zoals later ook in Algerije, maar accepteerde dat de tijden van de grote imperia voorbij waren. Dat blijft nu wat op de achtergrond, terwijl dit een kans was een ander aspect van “de grote man” te tonen.
Die Levantijnse oorlog zou ook een gelegenheid zijn geweest om een van de opmerkelijkste vrouwen uit de Tweede Wereldoorlog, Asmahan, een plekje te geven. (De enige vrouwenrol van betekenis in de films is nu een fictief composiet van enkele verzetstrijders.) Het zou generaal Edward Spears zijn plek hebben gegeven, inclusief zijn in deze film ten onrechte aan Churchill toegeschreven toespraak dat het zwaarste kruis dat hij ooit had gedragen, het Kruis van Lotharingen was. Aandacht voor de Levant zou bovendien aandacht zijn geweest voor het Britse gestook in de Franse gebieden. Het einde van de tweede film, een beginnende rivaliteit tussen de Fransen en Britten, blijft nu onverklaard, en daarmee ook de misschien wel allerberoemdste uitspraak van De Gaulle: non.
Enfin. De twee films duren samen al een uur of vijf, dus ik snap wel dat Syrië en Libanon verdwenen, net als De Gaulles familieleven. Je moet selecteren. En het resultaat is een tweetal geweldige films. Aanraders, allebei.
Zelfde tijdvak
Communistische archeologie (3)februari 6, 2017
Jeruzalem, Leeuwenpoortjuni 7, 2017
Het Duitse verzetjuli 16, 2019

Geen generaal Giraud?
De Vrije Fransen konden Syrië en Libanon alleen maar als onderdeel van de Britse operatie tegen de door Vichy gecontroleerde mandaten binnentrekken. En daar werden opgewacht met bittere tegenstand van hun eigen landgenoten…
Giraud zit in de film. Het is leuk te zien hoe de handdruk in scène is gezet.
Inderdaad, als er in de twintigste eeuw één rechtvaardiging was voor grote mannen geschiedenis dan was dat CdG. Je recensie maakt duidelijk waarom ik liever een goed geschreven autobiografie lees.
Wat ik altijd interessant heb gevonden is dat Churchill, die zich van ghost writers bediende, de Nobelprijs voor de Letteren heeft gekregen. De Gaulle schreef zijn memoires zelf.
Ik ben het er niet helemaal mee eens dat historici die commentaar geven op films, pietlutten zijn. Als Ridley Scott bijvoorbeeld doet alsof Napoleon pas vlak voor Waterloo hoorde dat Joséphine was overleden terwijl hij dat in werkelijkheid allang wist, dan mag een historicus daar best wat van zeggen. Artistieke vrijheid is wat anders dan liegen.
Dat bestrijd ik niet. Maar het is geen slimme manier om je als historicus te presenteren. Historici hebben veel belangrijkere dingen te vertellen.
Oneens, in elk geval ten dele. Als historicus zie ik het zeker niet als mijn ’taak’ om films te recenseren. Een film, wordt terecht aangevoerd, is en product dat moet vermaken.
Maar. Historische films worden allang niet meer alleen als vermaak geproduceerd. Er wordt niet zomaar nadruk op gelegd dat het histórische films zijn – zeker bij sommige films die ik als fantasy zou willen classificeren maar die meer geld opbrengen als men het scenario als ‘écht gebeurd’ verkoopt.
Kritischer word ik – en ik hoop elke historicus – als recentere gebeurtenissen door een politieke bril worden verfilmd. Dat heeft een doel, en dan mag – nee moet – naar mijn mening elke historicus de pen trekken en commentaar leveren.