Begin vorig jaar publiceerde ik met classicus Hein van Dolen een vertaling van de fragmenten die we nog hebben van de Fenicische Geschiedenis van Filon van Byblos. Een van die passages, onderdeel van het lange Fragment 2, is een opsomming van uitvindingen waardoor de mens meer mans was geworden. Hier zijn enkele voorbeelden die betrekking hebben op de scheepvaart:
Ousoös pakte toen een boom, brak de takken ervan af en waagde zich als allereerste op zee.
Een van hen, Chousour, bekwaamde zich in het spreken, bezweren en profeteren. … Hij vond ook vishaak, lokaas, snoer en vlot uit, waarmee hij als eerste mens heeft gezeild.
De Tweelingen of Kabeiren, Korybanten of Samothrakiërs waren de uitvinders van het schip.
Ik blog regelmatig over antieke religie en die stukjes eindigen nogal eens met de constatering dat we iets niet weten. Waarom Psyche op een dromedaris rijdt, waarom Hercules Magusanus vroeger gold als de Hercules van Magusa en nu als syncretisme: dat werk. Ik wil morgen schrijven over het raadsel hoe het christendom in Egypte is aangekomen. Bij elk van deze vragen is de kern van de problematiek dezelfde: we hebben te weinig informatie. En de data die we hebben, zijn ambigu.
Het onbekende platteland
Wat we wél weten: iets over de staatsculten, iets over filosofische visies op het goddelijke, iets over systematiseringen als “de twaalf Olympische goden”. Over de echte godsdienst van de normale Grieken, Babyloniërs, Kelten, Romeinen, Egyptenaren, Syriërs weten we daarentegen vrijwel niets. Welke oogstfeesten hadden ze? Hoe sloten de opvattingen van de “little tradition” van het platteland aan bij de “great tradition” van de stedelijke elites? Welke familieleden voltrokken welke rituelen? Vereerden ze überhaupt goden en zo ja, wat waren dat van bovennatuurlijke krachten?
In Toulouse geslagen munt van Valentinianus III (Residenzschloss, Dresden)
Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).
Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.
De Ilioupersis, “de val van Troje”, was een van de twaalf heldendichten uit de Epische Cyclus, waarin de Grieken hun tradities verzamelden over hun verre verleden. De twee boekrollen van dit gedicht, gecomponeerd door ene Arktinos van Milete, zijn helaas verloren, maar we hebben nog twee uittreksels, ontelbaar veel afbeeldingen en een tiental citaten. Hierdoor kunnen oudheidkundigen toch reconstructies maken. We hebben bovendien literaire hommages én parodieën.
We weten bijvoorbeeld dat het gedicht een scène bevatte waarin Achilleus’ zoon Neoptolemos de Trojaanse koningsburcht binnenstormt, de paleisdeuren forceert en aankomt in een vertrek waar koning Priamos probeert zijn harnas aan te trekken. De grijsaard vlucht naar een altaar, waar de Griekse krijger hem afslacht.
Deze Mithrasgroep uit Sidon toont dat de oude religie nog bestond in de laatste jaren van de vierde eeuw.
In Een kennismaking met de oude wereld noemen De Blois en Van der Spek de doorbraak van het christendom als een van de wezenlijke kenmerken van de Late Oudheid. Dat lijkt me correct, al zou het misschien beter zijn te spreken van de doorbraak van de orthodoxie. Christus had al heel lang talloze vereerders en zelfs degenen die Christus niet vereerden, ontkenden niet dat het ging om een van de vele bovennatuurlijke entiteiten. (Nu ik dit schrijf, vraag ik me af of degenen die de eerste christenen vervolgden, de aan Christus toegeschreven meer-dan-menselijke eigenschappen ontkenden. De Romeinen vervolgden ook joden, astrologen en Isisaanhangers en ik kan me niet herinneren gelezen te hebben dat de magistraten de goddelijkheid van Jahweh, de sterren of Isis in twijfel trokken.) Ook waren vrijwel alle heidenen in de vierde eeuw monotheïsten. Dus misschien moeten we die doorbraak van het christendom wat anders typeren.
Kerstening
Het proces dat zich in de vierde eeuw voltrok, was dat de monotheïsten steeds vaker hun ene god identificeerden met God de Vader en Christus als middelaar accepteerden. Het was minder ingrijpend dan wel wordt gedacht en de weerstand tegen het christendom was zo groot niet.
Een Romeinse Kybele (Museum Carnuntinum, Petronell)
De cultus van de moedergodin was, zoals ik in het vorige stukje schreef, in Anatolië eeuwenoud en de naam Kybele kwam uit het oosten van die regio. De Frygiërs, die in de IJzertijd Anatolië waren binnengetrokken en zich in het westen van Anatolië hadden gevestigd, namen de cultus over. Zo bezien is het grappig dat de Griekse en Romeinse auteurs de cultus van Kybele typeren als Frygisch. Frygië was echter alleen een halteplaats bij de verspreiding van de cultus naar het westen. Een andere halteplaats kan de Lydische hoofdstad Sardes zijn geweest, waar een tempel stond voor Kubaba.
Griekse godin
De Grieken meenden dat de Anatolische geboortegodin dezelfde was als hun eigen Rhea, de moeder van de Olympische goden en godinnen Hestia, Demeter, Hera, Hades, Poseidon en Zeus. Deze gelijkstelling vergemakkelijkte de verspreiding van de cultus, die al in de zesde eeuw v.Chr. bekend was in Lokroi in Zuid-Italië. De Grieken waren geïntrigeerd door de extatische riten van “de grote moeder van de goden”, maar Kybele werd nooit deel van de gewone Griekse mythische wereld.
Genezing van een blinde (Catacombe van Petrus en Marcellus, Rome)
Ooit dineerde ik in Griekenland bij een familie thuis en toen het tijd werd af te ruimen, nam ik het tafellaken om het vanaf het balkon uit te kloppen. Mijn gastvrouw kwam ietwat lacherig op me af: “Dat hoeft niet, kruimels in de tuin trekken boze geesten aan”. Het was mijn eerste kennismaking met het Mediterrane volksgeloof in geesten. Een geloof dat ook in de oude wereld is gedocumenteerd. Bisschop Synesios van Kyrene, een heel geleerd en rationeel man, was er zeker van dat een moordenaar zich het beste kon aangeven om zich te laten executeren, opdat zijn geest niet zou blijven rondspoken. Ik neem zonder bewijs aan dat het geloof in geesten sinds de Oudheid via de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd continu aanwezig is geweest.
Alledaags antiek exorcisme
Dat ook Jezus boze geesten uitdreef, lijkt me een feit. Wat daarbij de empirische werkelijkheid is geweest, is niet belangrijk. Ik wil u best wel trakteren op wat obligaat gegemeenplaats over dat geesten niet bestaan en dat mensen met een geestelijke ziekte wellicht rust vonden bij Jezus’ charismatische persoonlijkheid, en wie weet is dat waar, maar aangezien de betrokkenen al een millennium of twee dood zijn, is het opstellen van een medische status nogal lastig. Ik laat die vraag, even onbeantwoordbaar als oninteressant, verder onbesproken. Wat te weten valt, is alleen dat zijn tijdgenoten dachten dat Jezus geesten kon uitdrijven.
[Laatste deel van een korte geschiedenis van Kyrene, een zeer belangrijke Griekse stad in het huidige Libië. Het eerste deel was hier.]
Na de ondergang van Ofellas stuurde Ptolemaios, inmiddels koning van Egypte, generaal Magas om de Pentapolis te besturen. Die voer zijn eigen koers: toen Ptolemaios door Ptolemaios II was opgevolgd, brak oorlog uit met de Seleukidische koning Antiochos I, en Magas koos partij voor de laatstgenoemde. Het voortaan onafhankelijke Kyrene was machtig genoeg om te worden genoemd in een van de edicten die keizer Asoka in India in de rotsen liet houwen.
Magas stierf rond 250 v.Chr. De halve eeuw van zijn regering was een bloeitijd geweest. Enkele bekende burgers waren de dichter Kallimachos, de hedonistische filosofen van de Cyreense School (waaronder Theodoros de Atheïst) en vooral Eratosthenes. Deze wist als eerste een redelijke schatting te geven van de omtrek van de aarde: 43.500 kilometer, volgens hem. wat minder dan 9% verkeerd is.
Brief van een in Italië gestationeerde vlootsoldaat aan zijn familie in Filadelfia (Egypte). Let op de tekst in de marge: schrijfmateriaal was kostbaar. (Neues Museum, Berlijn)
[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek helaas niet. Vandaag behandel ik de briefliteratuur.]
Een brief was in de Oudheid nooit zomaar een brief. Je ziet het aan de aanhef van de oudste exemplaren, kleitabletten die beginnen met iets als “Tot de koning van X, spreek:”. Dat was de instructie die de briefschrijver bedoelde voor degene die het document zou voorlezen. In een tijd waarin vrijwel iedereen ongeletterd was, veronderstelde een brief dus niet alleen een afzender en een ontvanger, maar ook een voorlezer en een klerk. Die laatste was er zelfs als de afzender geletterd was. Iemand van stand bevuilde zich niet en liet het aan anderen over inktvingers te krijgen. Zelfs als het epistel was verzegeld, waren dus allerlei mensen van de inhoud op de hoogte. Alle reden om verzorgd te schrijven. Zo ontstond de briefliteratuur.
Als er één classicus is van wie ik had verwacht dat hij nooit vroegchristelijke poëzie zou vertalen, dan is het Piet Gerbrandy, de auteur van het door mij bewonderde boek Het feest van Saturnus. In de inleiding tot dit overzicht van de Latijnse literatuur vraagt Gerbrandy zich af wat van dat onderwerp de grenzen zijn: wat rechtvaardigt dat de auteur van een Latijnse literatuurgeschiedenis stopt in de zesde eeuw na Chr.? Is er niet méér Latijn geschreven ná de Oudheid dan in het Romeinse Rijk? Gerbrandy antwoordt hierop dat de Romeinse literatuur heidens van karakter is. De latere Latijnse teksten, zo schrijft hij, hebben meer raakvlakken met middeleeuwse theologen dan met klassieke auteurs als Lucretius, Horatius en Tacitus. Gerbrandy noemt ook een persoonlijk argument: hij voelt zich bij die heidense auteurs meer op zijn gemak. Godsdienst is een “interessant maar bedenkelijk atavisme”.
Hij staat hiermee in de beste humanistische traditie en ik neem aan dat hij over de Griekse literatuur hetzelfde zou betogen: “geef mij maar de schrijvers uit de klassieke, hellenistische en Romeinse tijd, een ander mag schrijven over de Byzantijnse literatuur of de kerkvaders”. Vandaar dat het me verbaasde dat Gerbrandy onlangs een mooi boekje publiceerde met zijn vertaling van negen christelijke hymnen van de Griekse auteur Synesios van Kyrene,Dans die het heelal omkranst.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.