Zingend naar de zeebodem

Odysseus en zijn roeiers (Musée du Bardo, Tunis)

In de lezenswaardige column van Nelleke Noordervliet (‘Odysseus was een egoïst, bedrieger en  mooiprater’, Trouw, 1 augustus 2026) schetst zij een beeld van de oud-Griekse wereld, waarin schuld en boete een totaal andere betekenis hadden dan doorgaans voor ons het geval is. Haar typering van Odysseus als een intrigant, een leugenaar en een bedrieger past in de visie op de held, die tegenwoordig ook opgeld doet in kringen van classici en historici. Waar rond de muren van Troje Grieken en Trojanen eeuwige roem verwierven door persoonlijke moed en fysieke strijdbaarheid, bedacht Odysseus listen en speelde hij in op de zwakheden van zijn tegenstanders, of het nu strijders uit zijn eigen kamp waren (denk aan de tragische zelfmoord van Ajax) of de goedgelovige Trojanen, die met het binnenhalen van het houten paard hun eigen stad ten gronde richtten.

Na de val van Troje vertrok Odysseus met zijn lotgenoten naar het eiland Ithaka, op een reis met vele ontberingen. In 1971 wijdde de talentvolle Italiaanse cantautore (singer-songwriter)  Lucio Dalla (1943-2012) er het lied Itaca aan, dat vanuit het perspectief van de matrozen geschreven is. Met, impliciet, dezelfde kritiek die Noordervliet op Odysseus heeft. De kapitein lijdt geen honger en beleeft links en rechts erotische avonturen, terwijl zijn bemanning moet afzien, in bange afwachting van hoe het  thuis zal zijn:

Lees verder “Zingend naar de zeebodem”

Alexander de Grote in Babylon (3)

De Ištarpoort (Pergamonmuseum, Berlijn)

[Derde van vier blogjes over het verblijf van Alexander de Grote in Babylon. Het eerste was hier.]

Hoewel de gezaghebber in Babylon, Mazaios, naar de Macedoniërs was overgelopen, waren Alexanders mannen op hun hoede en ze rukten in slagorde op naar de beroemde stad. Het moet hen hebben teleurgesteld dat de muren minder imposant waren dan Herodotos van Halikarnassos had beweerd, maar van de andere kant: ze waren nog nooit eerder in een stad geweest met ruwweg 100.000 inwoners. Ter vergelijking: Athene was half zo groot.

Lees verder “Alexander de Grote in Babylon (3)”

Alexander de Grote in Babylon (2)

Gereconstrueerde muur van Babylon

[Tweede van vier blogjes over het verblijf van Alexander de Grote in Babylon. Het eerste was hier.]

Alexander wist niet beter of de stad die hij op het punt stond in te nemen, Babylon, was de grootste ter wereld. Ze was omgeven door een stadsmuur van honderd meter hoog. Dat had althans de Grieks onderzoeker Herodotos van Halikarnassos geschreven en ook Aristoteles was van mening dat de muren eerder een compleet land omringden dan een enkele stad. Zulke verdedigingswerken waren zelfs voor het leger dat Tyrus had ingenomen te hoog.

Onderhandelingen

De Babylonische Astronomische Dagboeken bewijzen dat de koning van Macedonië het niet wilde laten aankomen op een belegering. Al in een vroeg stadium opende hij onderhandelingen. Daarbij probeerde hij zich te presenteren als een goede Babylonische vorst, een attitude die hij tot het einde van zijn leven heeft bewaard. Hier is de tekst van zo’n dagboek.

Lees verder “Alexander de Grote in Babylon (2)”

De erfenis van het mohisme

Zomaar een hert uit de Periode van de Strijdende Staten (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

Tijdens de Periode van de Strijdende Staten was het mohisme een invloedrijke school binnen de Chinese filosofie. Ze was georganiseerd in sektes, die ongetwijfeld werden bestuurd volgens de eerste drie genoemde mohistische doctrines, dus in een strikte hiërarchie, waarin promotie en degradatie afhingen van iemands daden en intenties, zonder onderscheid des persoons.

Lees verder “De erfenis van het mohisme”

Mohisme 3: de “Mozi” (2)

Een Chinese soldaat (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

We hebben in het vorige blogje gezien dat de Mozi met een aantal inleidingen, de tien doctrines en de teksten tegen Confucius een goed overzicht biedt van het mohisme. Daarmee hebben we de Mozi echter nog niet uitgelezen. We lezen verder.

Lees verder “Mohisme 3: de “Mozi” (2)”

Het ontstaan van Marseille (2)

Keltische prinses (of prins) uit de zesde eeuw v.Chr. (Musée de la romanité, Nîmes)

Gisteren blogde ik over de door Justinus en Aristoteles overgeleverde sage over het ontstaan van Marseille. Samengevat: rond 575 v.Chr. arriveerde een groep Grieken die in het gebied van de Segobrigiërs een stad wilde stichten. Toevallig stond koning Nannos op het punt zijn dochter, die Gyptis of Petta wordt genoemd, uit te huwelijken. Zij moest uit de aanwezige huwelijkskandidaten haar echtgenoot kiezen door hem een beker met water te overhandigen, en koos toen een van de zojuist aangekomen Grieken, die Protis of Euxenos heette.

Veel van deze namen zijn ronduit verdacht. De mannelijke stadsstichter heette Euxenos, wat zoiets betekent als “gastvrij”. Zijn alternatieve naam, Protis, betekent “eerste”, maar lijkt te zijn afgeleid van de naam van de latere aristocraten van Marseille, de Protiaden.

Lees verder “Het ontstaan van Marseille (2)”

Het ontstaan van Marseille (1)

Marseille

In de eerste eeuw v.Chr. ontstonden enkele supergrote geschiedwerken. De Romeinse Geschiedenis van Quintus Valerius Antias telde ongeveer 80 boeken; de Wereldgeschiedenis van Nikolaos van Damascus was 144 boeken lang; Titus LiviusGeschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad bestond uit 142 boekrollen. Met 44 rollen was Pompeius Trogus’ geschiedwerk aan de korte kant, in tegenstelling tot de nogal opvallende titel: Geschiedenis van Filippos, het ontstaan van de hele wereld en de steden op aarde. Al deze werken zijn grotendeels verloren, maar gelukkig zijn er in de Oudheid al uittreksels gemaakt. Zo beschikken we wel over Justinus’ Epitome, een uittreksel uit de Geschiedenis van Pompeius Trogus.

De Epitome bevat een schat aan informatie, want Trogus had belangstelling voor de hele wereld. We zouden over de vroege geschiedenis van de Parthen een stuk minder hebben geweten als ook Justinus’ uittreksel verloren zou zijn gegaan. En we zouden het volgende pareltje niet hebben bezeten.

Lees verder “Het ontstaan van Marseille (1)”

Confucius 9: Confucius en andere filosofen

[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Hier is het negende blogje uit de tweede reeks over China: over Confucius. De introductie las u hier.] 

Het is vrijwel zeker dat er geen invloeden van het confucianisme zijn op de Grieks-Romeinse filosofie en vice versa. Desondanks zijn er veel parallellen. Een belangrijk verschil is echter dat de Grieks/Romeinse denkers die we zullen noemen, afgezien van Sokrates, systeemdenkers waren: ze hadden één omvattende filosofie die metafysica, psychologie en ethiek behandelde. De oorspronkelijke filosofie van Confucius omvat eigenlijk alleen ethiek.

Confucius en Sokrates

De vergelijking met Sokrates zien we in commentaren regelmatig terugkomen. Confucius en Sokrates zijn bijna-tijdgenoten: de Griek werd (vermoedelijk) tien jaar na de dood van de Chinees geboren. Zowel Sokrates als Confucius doceerden hun filosofie mondeling, via gesprekken, en we kennen ze beiden alleen doordat anderen over hen schreven. Van beiden weten we wel dat ze historische figuren zijn geweest.

Lees verder “Confucius 9: Confucius en andere filosofen”

De islam in Europa (3)

Latijnse vertaling van Ibn Sina’s “Canon der Medicijnen” (Institut du monde arabe, Parijs)

[Derde van vier blogjes over Crucible of Light van Elizabeth Drayson. Het eerste blogje was hier.]

Vertalingen

Drayson beschrijft de Latijnse vertalingen die in Spanje werden gemaakt van Arabische weergaven van teksten die oorspronkelijk in het Grieks waren geschreven. Door de eeuwen heen varieerde de taal van de wetenschap nu eenmaal: eerst het Akkadisch (de schrijftaal van Mesopotamië), dan Grieks, toen Arabisch, daarna Latijn en vervolgens via Frans en Duits naar het Engels. Het is terecht dat Drayson deze Grieks-Arabisch-Latijnse traditie noemt, maar ze negeert nogal wat.

Om te beginnen: opnieuw schrijft ze iets toe aan de islam dat daar weinig mee van doen heeft. Die vertalingen hebben meer van doen met de eigen, autonome ontwikkeling van de wetenschap. Verder verzwijgt ze dat de geleerden van de scholastiek aanvankelijk niet zo heel veel deden met die vertalingen. De West-Europese geleerden begonnen Aristoteles pas echt te bestuderen toen zijn teksten in de dertiende eeuw bekend waren geworden in de vertalingen van Willem van Moerbeke. Die waren rechtstreeks uit het Grieks gemaakt, dus zonder Arabische tussenstap.

Lees verder “De islam in Europa (3)”

Bijbelse en Griekse insecten

Zelfportret van de Meester van Frankfurt en zijn vrouw, detail (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen)

Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd: ik blog vandaag dus eens over iets kleins, namelijk insecten. Nu zitten er op het eerste gezicht niet bijster veel vliegen, muggen en vlooien in het Nieuwe Testament, waarover ik op zondag graag blog, maar er zijn er wel een paar verstopt. Als Jezus een bezetene heeft genezen, vragen mensen zich bijvoorbeeld af of hij een door God gezonden verlosser kan zijn, en werpen anderen tegen dat hij alleen demonen kon uitdrijven “dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen”.noot Marcus 3.22.

Heer der vliegen

Hier gebeurt weer eens een hoop tegelijk. Eeuwen eerder was er vrijwel zeker een Kanaänitische godheid die Baäl-Zebul heette, wat de auteur van het Deuteronomistische Geschiedwerk, die niets wilde weten van andere goden dan zijn eigen godheid, “verbeterde”: hij duidde deze godheid aan als Baäl-Zebub, ofwel de “heer der vliegen”.noot 2 Koningen 1.2. De nieuwtestamentische weergave blijft dus iets dichter bij het Kanaänitische origineel, maar heeft een even negatieve associatie. In de latere, christelijke traditie zou Beëlzebul de naam van de duivel zelf zijn, wat niet helemaal hetzelfde is als de vorst der demonen.

Lees verder “Bijbelse en Griekse insecten”