Archeologie en neoliberalisme

Archeologie als city marketing (©Beleidsnota Archeologie Cuijk, 2019)

De hoge kwaliteit van de Spaanse archeologische musea merk je pas goed in de museumboekhandels. Zo zag ik in januari in Alicante een in 2016 verschenen boek Archaeology and Neoliberalism, onder redactie van Pablo Aparicio Resco. Wie begrip, vertrouwen en steun voor een wetenschap wil bewaren, moet openlijk spreken over sterke én zwakke punten, en blijkbaar is daar in Spanje ruimte voor. Natuurlijk spreken ook Nederlandse archeologen over dingen die beter kunnen, maar dat gebeurt vooral binnenskamers. Zelfs de overzichtstentoonstelling over een kwart eeuw Nederlandse archeologie, onlangs in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, kwam er onvoldoende aan toe. Die benadrukte vooral de mooie kanten.

Het archeologisch bestel

Voor een overzicht van enkele minder mooie kanten kunnen we terecht in het artikel “Caught in a Business Scenario: Implications of Neoliberalism on Archaeological Heritage Management in the Netherlands” van de Leidse archeologe Monique van den Dries, te vinden in het genoemde boek. Ik vond het artikel ietwat somber, maar het zette wel aan tot nadenken.

Even ter oriëntatie: in Nederland geldt dat wie een archeologische vindplaats verstoort, moet betalen voor onderzoek. Dat wordt meestal verricht door archeologische bedrijven en het is gelukkig niet zo dat die alles maar opgraven, omdat dat kassa zou zijn. Regelmatig worden infrastructurele projecten aangepast om een opgraving te voorkómen. Zo kan in de bodem blijven liggen wat in de toekomst valt te onderzoeken met betere technieken. Niet opgraven is bijna altijd het beste. Helaas kent dit systeem dus ook minder mooie kanten.

Van den Dries wijst erop dat sinds 2007 gemeentes beslissen over wat er gebeurt op archeologisch gebied. Dit betreft niet de wetenschappelijke analyse, maar heeft wél gevolgen voor de selectie van wat geconserveerd blijft en voor het grote publiek wordt ontsloten. Als een vindplaats niet financieel rendabel te krijgen valt, of als ze niet past in de city marketing, is er grote kans dat er weinig mee gebeurt. Ik heb eens boos geblogd over het stadje Cuijk, dat om commerciële redenen eenzijdig wilde inzetten op Romeins erfgoed, aangezien dat meer toeristen naar de Brabantse gemeente zou trekken. Ik meende dus al te weten hoe de hazen liepen, maar was desondanks verbijsterd toen ik bij Van den Dries las dat minister van Cultuur Jet Bussemaker oordeelde dat als de kosten van behoud hoger waren dan de verwachte opbrengst, monumenten mochten worden gesloopt. Het zal in de praktijk zo’n vaart niet lopen, maar ik schrok ervan dat het bij ons erfgoed nog meer om geld draaide dan ik vreesde.

Overdracht

Ook een ander punt uit Van den Dries’ artikel raakte me:

The transfer of economic control from the public to the private sector and the subsequent privatisation of public goods decreases egalitarian access to them.

Het is krek zo. Bij wijze van aanvulling noem ik twee dingen waarover ik zelf tot vervelens toe schrijf.

  • Zelfs nu wetenschappers werken aan vormen van open access, maken de universiteiten geen plannen om de artikelen die de afgelopen dertig jaar aan publieke toegang zijn onttrokken, alsnog te ontsluiten. De commerciële belangen gaan vóór de maatschappelijke.
  • Een kwart van de vragen die mensen aan oudheidkundigen stellen, betreft verdieping (“hoe weet je wat je weet?”) en blijft onbeantwoord. Dat is oliedom, want als ook ik eens een neoliberaal argument mag gebruiken: als mensen het belang van archeologie begrijpen, komt de financiering ook wat makkelijker rond.

Terug naar Van den Dries. Als verklaring voor de tekortschietende overdracht noemt ze dat

although valorisation, access, public participation and cultural education are important political aims, they have no priority in legislation.

Ongetwijfeld waar, zoals Van den Dries ook gelijk heeft dat wie archeologie uitlegt aan het publiek, minder goed wordt betaald.noot Re-enactors, de voorlichters die het minst onder de verdenking staan commercieel belangen te dienen, moeten vaak genoegen nemen met een reiskostenvergoeding. De overdracht van oudheidkundige inzichten heeft inderdaad nauwelijks prioriteit.

Van den Dries noemt overigens niet dat wat er wél aan archeologische voorlichting is, vaak ondermaats blijft. Dat zal deels zijn doordat zij schrijft over marktwerking en de problemen niet uitsluitend daaruit voortkomen. Het komt tevens doordat Nederlandse archeologen te weinig naar het Franse en Duitse taalgebied kijken en heeft er bovendien mee te maken dat ze onvoldoende contact hebben met andere geesteswetenschappers. Hierdoor blijven archeologen achterhaalde ideeën uitdragen.noot De zojuist genoemde overzichtstentoonstelling in Leiden reproduceerde bijvoorbeeld christelijke vooroordelen over antieke godsdiensten. Maar ook hier doet de marktwerking funest werk en Van den Dries had kunnen wijzen op tekstschrijvers die junk news over de Romeinse limes moeten schrijven, wetend dat ze onzin reproduceren. Maar ja: als jij de opdracht weigert, neemt een ander die aan, en ook jouw schoorsteen moet roken.

Risico’s

Het meest beklemmende aspect van Van den Dries’ artikel vind ik dat onze tijd nu een onuitwisbare stempel drukt op het verleden. Dat schreef ze tien jaar geleden, en gelukkig doen erfgoedorganisaties hun best om dit risico te verkleinen, maar het blijft aanwezig. Toekomstige generaties zullen andere belangstellingen hebben, maar wij hebben de keuzes voor hen gemaakt. Zoals het er nu voor staat, zijn de Germanen voorgoed onvindbaar. De miljoenen die er wel waren om in een Vinex-locatie het prachtige castellum Hoge Woerd te bouwen, ontbreken als in een Vinex-locatie Germaanse resten worden aangetroffen.

Een risico dat Van den Dries in haar artikel, dat immers gaat over erfgoed, niet aan de orde kan stellen, is de impact van het neoliberalisme op de wetenschappelijke analyse. Ik heb dat eens aangestipt toen ik het boek Alle wegen leiden naar Babel van Daan Nijssen besprak: hij werkt met liberale aannames over handel en imperialisme als motor achter de ontwikkeling, en negeert spanningen binnen de antieke samenlevingen. Dat valt Nijssen niet te verwijten: hij legt aan het publiek uit wat hij tegenkwam in de wetenschappelijke literatuur. Het is een voorbeeld van de wijze waarop oudheidkundigen kapitalistische aannames hebben geïnternaliseerd.

Wie stelt de prioriteiten?

De situatie is feitelijk deze: archeologen investeren tijd, intellect en energie in hun vak om zo iets bij te dragen aan de samenleving, maar de samenleving krijgt nauwelijks adequate informatie. De nadruk ligt op opgraven, niet op overdracht. Dat we met deze ondoelmatige activiteit kunnen stoppen, is een conclusie die ik nu niet wil trekken, maar ik denk wel dat ze, anders dan toen Van den Dries haar artikel schreef, niet langer volstrekt ondenkbaar is. Tijd, intellect en energie zijn doelmatiger in te zetten.

Ik aarzel ondertussen of we dit probleem wel met neoliberalisme moeten identificeren. Onwetendheid, gevoed door de te korte opleidingen, verklaart eveneens een hoop. Maar wat de oorzaak ook zij, het is een feit dat de archeologie haar wetenschappelijke autonomie heeft opgegeven. En als jij zelf je prioriteiten niet langer stelt, stelt een ander ze voor jou.

U merkt: het artikel van Van den Dries zette me aan het denken. Ik wou dat ik het bij verschijning had kunnen lezen en niet pas tien jaar later, toen ik het toevallig ontdekte in een Spaans museum. Er zou al iets zijn gewonnen als de Nederlandse musea hun boekenaanbod wat aanpasten: minder boeken met verouderde inzichten, meer actuele verdieping.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]


Hoe mol ik een debat?

februari 11, 2019

De schade van I.S.I.S.

november 6, 2021
Deel dit:

19 gedachtes over “Archeologie en neoliberalisme

  1. Karel van Nimwegen

    Je snijdt een hoop problemen aan. Er zijn echter twee positieve punten te noemen: dat er dankzij het huidige bestel meer werkgelegenheid is voor archeologen en dat er meer bodemonderzoek mogelijk is.

    Daar staat terechte kritiek tegenover. De opleidingen zijn, anders dan je zegt, niet te kort maar te eenzijdig. Al dat onderzoek levert wel rapporten op, maar daarmee wordt weinig gedaan. Overzichtswerken zijn er onvoldoende en zijn van onvoldoende kwaliteit.

    De belangrijkste take-away uit je blog vind ik je eigen neoliberale constatering: als het dan allemaal commercieel moet, moet je zorgen dat het publiek begrijpt waarvoor het betaalt. Met gemakzuchtige tentoonstellingen en boeken bereik je misschien meer mensen en stel je de financiering voor de ultakorte termijn veilig. De gang van zaken in het Valkhof toont de kwetsbaarheid die zo ontstaat. Een langetermijnstrategie zet in op begrip. Maar leg dat maar uit in een wereld waar niemand verder kijkt dan de ultrakorte termijn.

    1. Rob Duijf

      ‘Er zijn echter twee positieve punten te noemen: dat er dankzij het huidige bestel meer werkgelegenheid is voor archeologen en dat er meer bodemonderzoek mogelijk is.’

      Daar wil ik nog wel een kanttekening bij maken: het gaat niet alleen om kwantiteit, maar ook om kwaliteit. Omdat de verstoorder betaalt, wordt er met argusogen gekeken naar het archeologisch en geologisch bodemarchief, omdat het projecten alleen maar vertraagd. Bodemonderzoek wordt krap aanbesteed, wat betekent dat er snel moet worden gewerkt, niet zelden voor de bulldozers uit. Ik heb als veldassistent merkwaardige dingen gezien; veldtechnici in huilen zien uitbarsten, omdat ze niet konden doen waarvoor ze waren opgeleid, waardoor waardevolle informatie voorgoed verloren is gegaan.

  2. Jort Maas

    Een paar snelle reacties:

    Ik betwijfel ondertussen nogal of ‘bijna altijd beter is om archeologie in de grond te laten zitten’. Het is inmiddels wel duidelijk dat de grond een stuk dynamischer is dan gedacht, zeker met wisselende waterstanden en uitdagingen met droogte bij de steeds meer toenemende klimaatverandering. We zijn toch (juist!) ook verantwoordelijk voor de hoeveelheid kennis die uiteindelijk nog uit de dingen te halen is? Voer voor denken misschien, alhoewel deze gedachte natuurlijk helemaal niet in Malta past.

    Veldwerkarcheologie is naar mijn gevoel steeds meer losgekoppeld van ‘wetenschappelijke archeologie’. Niet voor niets zijn er steeds meer afdelingen binnen civieltechnische projectbureaus. Als je dan niet aankomt met een gedegen wetenschappelijke instelling dan wordt je deel van een informatieverzamelend bodemsaneringsproces. Ik besef mij terdege dat dit niet overal zo is, en niet voor iedereen geldt. Maar het is wel een trend.

    Mbt gemeentes: daar staat natuurlijk druk op, maar het is juist bij de gemeenten die nog eigen kennis in huis hebben die voorwaardestellend zijn voor goed onderzoek. Je wil niet weten wat voor treurigheid er over je bureau komt. En aan de andere kant: als je een welwillend commercieel bedrijf bent kom je ook niet ver zonder capabel bevoegd gezag. De commerciele bedrijven zitten soms tussen hamer en aambeeld.

    1. Van wat ik van je collega-archeologen hoor, is wat je zegt heel herkenbaar. Maar is de boodschap niet: het in de jaren negentig opgetuigde systeem werkt niet, we moeten terug naar de tekentafel?

      1. Karel van Nimwegen

        Natuurlijk moet het anders. De archeologie loopt steeds verder het moeras van de onbenulligheid in.

        Zoals je impliciet al aangeeft: als de subsidiëring zou gaan ophouden, gaat er eigenlijk niets verloren. Alleen werkgelegenheid. Het publiek krijgt toch alleen maar onbenulligheden te lezen en zien.

        Het moet dus anders, maar hoe wil je iets veranderen als zoveel mensen voor hun broodwinning afhankelijk zijn van het niet veranderen?

        1. De aanname dat mensen, als hun inkomen in het geding komt, meteen de hakken in het zand zetten en elke vernieuwing afwijzen, is niet vreemd. Ik zie het ook overal.

          Maar toch: mensen zijn toch méér dan automaten die alleen leven om geld te verdienen? Ik vind het wat eendimensioneel. Of neoliberaal. Of zoiets.

          1. Jort Maas

            Ja zeker. Het is in deze gevallen dat generaliseringen zoals ‘het publiek’ niet helpen om het probleem te adresseren. Daar is meer voor nodig. En mensen zijn niet alleen passieve ontvangers van informatie, ook niet als het om archeologie gaat.

            1. Daarom vind ik het zo schandalig dat de vraag “hoe weet je dat?” almaar wordt genegeerd. Je kunt een kwart van je publiek niet ongestraft negeren. Dan keert men zich tegen je. De aquaductenaffaire in Nijmegen toont de gevolgen.

              1. Jort Maas

                Ja geheel eens. Ik zou alleen ook vaststellen dat dit binnen het vakgebied (misschien wel binnen elk vakbebied) nogal eens een probleem is. Veel zaken worden opgelost met het idee ‘zo doen we het altijd dus prima’.

      2. Jort Maas

        Ja, op zijn minst zou een goede discussie over enkele voor waar aangenomen basisprincipes nodig zijn.

          1. Jort Maas

            Ja dat klopt denk ik wel. Het lastige van harde criteria, vanuit wetenschappelijk oogpunt, is dat ze moeten veranderen als de kennistoestand veranderd. Maar voor beleid heeft men liever vaste criteria, of die nou onderbouwd zijn of niet…

            1. Jort Maas

              Ik moet denk ik toevoegen dat dit een vrij lastige fundamentele discussie is. In de wetenschap is het toe te juichen dat oude ideeen aan de kant worden gezet voor betere. Als je dat regelmatig met beleid doet ben je een onbetrouwbare partner omdat er op de langere termijn dan geen plannen gemaakt kunnen worden en mensen dan in een korte periode niet gelijk worden behandeld.

    2. Rob Duijf

      ‘Ik betwijfel ondertussen nogal of ‘bijna altijd beter is om archeologie in de grond te laten zitten’. Het is inmiddels wel duidelijk dat de grond een stuk dynamischer is dan gedacht, zeker met wisselende waterstanden en uitdagingen met droogte bij de steeds meer toenemende klimaatverandering.’

      Daar heb je een heel goed punt, waarover de laatste jaren de alarmklok wordt geluid. Op grond van de implicatie van het Verdrag van Valleta (‘Malta’) is de overheid verplicht zorg te dragen voor het archeologisch bodemarchief, bijv. door een voldoende hoge grondwaterstand te waarborgen. En dat wordt met de klimaatverandering een steeds groter probleem. In de Verdringingsreeks die in werking treedt bij waterschaarste of droogte wordt bescherming van het bodemarchief niet expliciet genoemd. Bij structureel lage waterstanden zijn organische resten en corosiegevoelige objecten bij voorbaat verloren. Dat zou een drive moeten zijn om tot noodopgraving over te gaan. Echter, volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is alles onder controle…

  3. Frans Buijs

    Ik heb nog een boekje “Zwemmen er haaien in de slotgracht?” waarin Herman Pleij vragen van kinderen over de middeleeuwen beantwoordt.
    En ook daar zijn de laatste twee vragen:
    Zijn er nog veel dingen in de grond te vinden?
    En:
    Hoe weet u dit eigenlijk allemaal?
    En ook daar wordt het probleem van een bouw die verder moet en te weinig geld al genoemd.
    Boekje was uit 2008, dus die kinderen zullen nu volwassen zijn en zien dat er weinig veranderd is.

    1. Ik stond ooit in Hengelo voor een klas vol tienjarigen. En ja hoor, een meisje vroeg “hoe weten we dat?” De vraag ligt zó voor de hand. En des te gênanter is het dat in het Nederlandse taalgebied zo weinig wordt geboden. We moeten het doen met een wat langere expositie in Groningen (“Dig It All”), met een korte expositie in Amsterdam (“Geheimen van het Pottenbakkerswiel”) en met de mooie maar moeilijk vindbare Houtkamer in Hoge Woerd.

Reacties zijn gesloten.