
In het Engels kun je van iemand vragen of ’ie voor dit of dat project bereid is an extra mile te gaan: zich bovenmatig in te spannen. Dat gaat terug op een vers uit het Evangelie van Matteüs, uit de Bergrede, waarin Jezus adviseert:
Als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op.noot
Het komt uit de Bergrede, waarin Matteüs Jezus presenteert als een schriftgeleerde, die zijn commentaar geeft op de Wet van Mozes. Als God de Joden uitverkoren heeft, is het minste wat Joden terug kunnen doen, proberen de Wet zo goed mogelijk na te leven en diepste betekenis te vinden. De Jezus van Matteüs is hier een schriftgeleerde die zijn duit in het zakje doet, ongeveer zoals de auteur van 4QMMT. Jezus’ uitleg is een oproep tot een welhaast bovenmenselijke volmaaktheid: mensen moeten ernaar streven even volmaakt te zijn als God zelf. Je moet dus maar een extra mijl lopen.
Er zijn hier verschillende vragen. Althans voor mij. Eén, wat is bedoeld met “één mijl mee gaan”? Dit is simpel: een soldaat of ambtenaar eist een herendienst. Een bekend voorbeeld is Simon van Kyrene, van wie wordt gevraagd het kruis van Jezus te dragen als hij dat zelf niet kan.noot
Vraag twee: waarom staat er μίλιον, “mijl”? Dat is een Latijns leenwoord, maar we zijn hier in het Grieks-sprekende deel van de Romeinse wereld, namelijk in het land van Herodes Antipas. In Galilea rekende men niet met Romeinse maten. En Matteüs schreef in het Grieks. Je zou eerder iets hebben verwacht als “wanneer iemand eist tien stadiën mee te gaan, loop er twintig”.
Vraag drie: wie kon van Jezus’ luisteraars vragen om een mijl met ze op te lopen? Ik lees overal – ja, echt overal – dat een Romeinse soldaat deze dienst kon vorderen. Die mogelijkheid lijkt er inderdaad te zijn geweest. Ik noemde Simon van Kyrene al en weet van een edict uit Pisidië (in het huidige Turkije) met enkele regels voor rekwisitie. Maar of dit een wet was of slechts een ingeburgerde praktijk, en of er, zoals Matteüs impliceert, een maximum was van één mijl: ik ken daarvoor geen aanwijzingen. Dat wil niet zeggen dat die aanwijzingen er niet zijn, maar ik ken ze niet.
Maar veel problematischer: we bevinden ons, zoals gezegd, in het land van Herodes Antipas. Legionairs of hulptroepers waren daar in geen velden of wegen te bekennen. De ons bekende eenheden waren gestationeerd in de steden van Judaea: Caesarea Maritima, Samaria, Jeruzalem.
Ik zou denken: degene die een dienst rekwireert, was geen Romeinse soldaat, maar een van Antipas’ mannen. En met μίλιον is geen Romeinse mijl bedoeld, naar een Herodiaanse mijl van 2000 el, iets meer dan een kilometer. Dit stond ook wel bekend als een sabbatsreis, omdat dit de afstand was die op de rustdag mocht worden afgelegd.noot Ik heb geen idee of mijn aanname klopt, maar dat de rekwirerende partij een van Antipas’ manschappen is, is niet speculatiever dan dat het een legionair zou zijn. Het voordeel van mijn interpretatie is dat we in Jezus’ eigen, Joodse wereld blijven.
Tot slot: wat betekent het in de context van de Bergrede? In elk geval niet dat je instemt met repressie. De strekking van de Bergrede is dat Jezus’ volgelingen zo volmaakt als God moeten zijn, vrij van woede. Desnoods de andere wang toekeren, zoals Matteüs twee zinnen eerder noteert.
Zoals gezegd: de eisen veronderstellen een bovenmenselijke volmaaktheid. Dat is echter niet mijn probleem. De historicus probeert gebeurtenissen en denkbeelden uit het verleden te reconstrueren, en dat is wat ik hier met Matteüs’ tekst probeer te doen. We hoeven het verleden niet als bron van inspiratie te gebruiken. U mag dat natuurlijk wel, maar de historicus heeft daar weinig mee van doen. Die constateert, niet méér.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
Zelfde tijdvak
Provinciale herindelingenaugustus 15, 2025
Gamaliël I, de jood die het christendom reddeoktober 20, 2024
Morituri te salutantjuli 30, 2022

“De strekking van de Bergrede is dat Jezus’ volgelingen zo volmaakt als God moeten zijn.”
Mijn amateuristische indruk was altijd dat Jezus’ volgelingen het niet zozeer moeten zijn, maar dat ze moeten blijven proberen het te zijn, ook al zijn ze gedoemd te falen. En dat is weer reden om mildheid te betrachten jegens anderen, als die falen.
Hierbij hoort ook: “Verhinder hem die de mantel van u afpakt niet en geef hem ook uw onderkleed” (HSV)
Verzet u niet, maar overwin het kwade door het goede te doen.
Het evangelie van Matteüs kan men zien als een reactie op het evangelie van Marcus. Daartegenover verkondigt Matteüs heel stellig: “Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen…” (5.17); “Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel.” (5.19)
Ter verduidelijking ontwikkelt de evangelist zes “antithesen”. Daaruit blijkt dat er drie antithesen zijn die de Wet radicaliseren zonder ze af te schaffen (antithesen 1, 2 en 6) en drie die een regel uit de Wet wél afschaffen (antithesen 3, 4 en 5). Vers 5.41 is een onderdeel van de vijfde antithese.
Deze vijfde antithese bevat volgende stelling: “38 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” 39 En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.” (Mt 5.38-39)
Het citaat uit de Wet (vers 38) is te vinden in Exodus 21.24, Leviticus 24.20 en Deuteronomium 19.21. Het is het bekende jus talionis dat in de rechtspraak werd ingevoerd om onevenredige straffen te voorkomen. Die voorschriften hadden tevens kracht van wet en moesten ook toegepast worden.
Citaat uit boek van John P. Meier, The Vision of Matthew. Christ, Church and Morality in the First Gospel, (1978), p. 261:
“De consequenties van deze herroeping zijn verbijsterend. Elk menselijk rechtssysteem – niet alleen het jus talionis, niet alleen de mozaïsche Tora, maar elk menselijk rechtssysteem – berust op het fundamentele inzicht dat misdaden, om orde en evenwicht in de samenleving te waarborgen, bestraft moeten worden op een wijze die in verhouding staat tot het vergrijp. De vijfde antithese is in de ware zin van het woord ‘de’ grote antithese, omdat ze haaks staat op alle menselijke rechtssystemen. Hier komt het “anders-zijn” van de eschatologische levenswijze die Jezus zijn discipelen voorhoudt en oplegt, het duidelijkst naar voren. Jezus schaft niet slechts esoterische, duistere of bijgelovige rituelen af. Ook redelijke, menselijke systemen die een redelijke menselijke samenleving beschermen, worden voor het leven van de discipel buiten werking gesteld, simpelweg omdat het eschaton is aangebroken.” (p. 261)
– Vers 5.39 geeft ons een eerste voorbeeld van deze antithese: “verzet je niet tegen wie je kwaad doet”, (letterlijk: μὴ ἀντιστῆναι τῷ πονηρῷ: biedt geen weerstand aan het onrecht.).
– Vers 5.40 komt uit de wereld van de rechtspraak. Enkele verzen hoger is gebleken dat Matteüs Jezus in de mond legt geen enkel vertrouwen te hebben in het vonnis van de toenmalige rechter. (Mt. 5.25-26)
– In het volgende voorbeeld (vers 41) breidt het toepassingsgebied zich uit tot de opvordering, klaarblijkelijk door een overheidsinstantie, om één mijl te gaan.
– In het laatste voorbeeld in vers 42 krijgt de antithese een plaats in tal van situaties in het dagdagelijkse leven.
De zes antithesen (met uitzondering van het tweede deel van antithese 6) verwijzen naar de Tora. Het passivum … dat gezegd werd wordt aangewend om de naam van God niet te moeten vernoemen. Daartegenover staat de uitspraak van Jezus Maar ik zeg u. Zo ontstaat een soort contrast tussen het woord van God en het woord van Jezus.
Meier, Ibidem, p. 243-244:
“Waar een conflict ontstaat, moet de Tora wijken voor Jezus als de definitieve norm voor de wijze waarop de discipel Gods wil in de praktijk brengt. (…) Wat Gods wil is, wordt in elk concreet geval bepaald door het eschatologische gezag van Jezus, de Zoon; Hij claimt immers een directe en intuïtieve kennis van Gods wil te bezitten en kan daarom gelden als de uiteindelijke morele norm voor de christen – een norm die in zijn eigen persoon belichaamd is.”
Hiermee heeft Matteüs het compromisloze radicalisme van Christus willen overbrengen. Het woord ‘eschatologisch’ is meer dan een theologische vakterm. Het duidt op de totale verandering die de Mensenzoon heeft teweeggebracht. (Meier, p. 264)
N.B.: Meier, A Marginal Jew, 4, (2009), p. 622, n 223: “Ik neig naar de opvatting dat de vijfde antithese in eigenlijke zin (5:38-39) een creatie is van Matteüs, of wellicht afkomstig is uit zijn specifieke traditie.” Zo houdt Paulus de Korintiërs voor (1 Kor 6:1-8) mekaar niet voor heidense rechtbanken te brengen en in de plaats hun aangedane onrecht te verdragen. “Een dergelijk pastoraal vraagstuk in de vroege kerk vormt een veel aannemelijker achtergrond voor het onderricht in Matteüs 5:38-39 dan een groep discipelen die met Jezus door Galilea trekt.” (Meier, Ibid.)
“Legionairs of hulptroepers waren daar in geen velden of wegen te bekennen. ”
Yesnt.
I ben het niet oneens met de uitleg, maar de bovenstaande aanname is ook weer niet correct.
Ja, de eenheden waren in die plaatsen gelegerd maar niet opgesloten binnen de muren.
Romeinse troepen konden sowieso op de wegen tussen de steden reizen voor allerlei zaken.
Officieren bewogen zich met gewapend escorte naar alle Herodiaanse hoven etcetera.
Ook werd er op grote schaal verbouwd aan steden en forten om maar iets te noemen, waar door Rome aan werd bijgedragen.
Romeinen genoeg om langs de weg tegen te komen.
Heel erg veel (hoofd)wegen bestonden er sowieso niet.