Oorlogskind (19) Puin

Sneltingshof
Sneltingshof (herbouwd na de Tweede Wereldoorlog)

[Ik doe het zelf even wat rustiger aan en geef het woord aan mijn vader, die vertelt wat hij als kind in de oorlog heeft meegemaakt. Het eerste deel is hier en een overzicht is daar.]

Opzij van het huis was een boomgaard en daar was ook het melkrek. De melkbussen die van de fabriek terugkwamen moesten nog eens heel goed worden schoongemaakt, want je kunt je wel voorstellen dat de melk heel hygiënisch behandeld moet worden. De schone bussen stonden op dat rek ondersteboven te drogen. Dat schoonmaken was het werk van tante Sientje.

Achter de boerderij stonden ook nog twee stromijten, opgestapelde strobossen, of graan dat nog niet gedorst was met een dak erboven.

Lees verder “Oorlogskind (19) Puin”

Oorlogskind (18) Leven op de boerderij

ben_1943

[Ik doe het zelf even wat rustiger aan en geef het woord aan mijn vader, die vertelt wat hij als kind in de oorlog heeft meegemaakt. Het eerste deel is hier en een overzicht is daar.]

Voor kinderen uit de stad was het leven op de boerderij natuurlijk iets geweldigs. Wij stonden niet zo vroeg op als oom Jan en de knechten, want die waren om zeven uur ’s morgens de koeien al aan het melken. Als we dan zo om acht uur in de stal kwamen kijken, waren ze met twee man nog bezig. Ze zaten dan op een raar, klein krukje, een stukje paal waar een plankje op gespijkerd was, de melkemmer tussen de knieën. Ik vond het altijd heel spannend dat je door aan de uiers van de koe te trekken daar een straaltje melk uit kon laten komen. Melken was toen nog echt handwerk, melkmachines bestonden nog niet. Het melken van een koe duurde wel een kwartier en dat moest twee keer per dag gebeuren, ook op zondag. Je snapt dat daar iedere dag heel veel tijd mee heen ging.

Onder het melken mochten Wim en ik de koeien wel eens voeren, dan deden we hooi in de voerbak of gemalen bieten. We mochten die bieten zelf ook stuk snijden. Daarvoor was er een bietenmolen. Dat was een soort korf waar je de bieten in kon gooien. Onderin zaten messen die je met een zwengel aan de buitenkant van de korf kon ronddraaien. De stukjes biet vielen dan in een mand  en die werden aan de koeien en kalveren gevoerd. Dat alles gebeurde in het schemerige licht van de deel en de stallen. Want de verlichting bestond uit stallantaarns, die op olie brandden.

Lees verder “Oorlogskind (18) Leven op de boerderij”

Oorlogskind (17) Vluchtelingen

ben_1943

[Ik doe het zelf even wat rustiger aan en geef het woord aan mijn vader, die vertelt wat hij als kind in de oorlog heeft meegemaakt. Het eerste deel is hier en een overzicht is daar.]

Doordat wij bij een gezin woonden waar de jonge boer Jan heer en meester was, was de plaats van mijn ouders een heel andere geworden. Mijn moeder hoefde niet voor het eten te zorgen, mijn vader hoefde nergens te gaan werken. Dus staken zij de handen uit de mouwen en gingen op de boerderij aan het werk. Mijn moeder kon heel goed naaien en gelukkig was er een naaimachine, zodat zij hele dagen aan het werk kon blijven. Zij had dan ook helemaal geen zorgen over het gezin. Jan en Sientje waren eigenlijk onze ouders geworden, want zij waren de baas op de boerderij. Mijn moeder was niet helemaal gezond, zij had astma, een heel nare ziekte waar je het vreselijk benauwd van kunt krijgen. Maar een van mijn oudere broers heeft me later verteld dat zij al die maanden dat zij daar achter de naaimachine zat, daar nooit last van heeft gehad. Ook mijn vader werkte volop mee, maar hij werkte vooral als timmerman. Op een boerderij is altijd wel wat te maken of te repareren, dus Jan was al lang blij  dat er een goede timmerman aan het werk was.

Lees verder “Oorlogskind (17) Vluchtelingen”

Oorlogskind (16) Een grote boerderij

ben_1943

[Ik doe het zelf even wat rustiger aan en geef het woord aan mijn vader, die vertelt wat hij als kind in de oorlog heeft meegemaakt. Het eerste deel is hier en een overzicht is daar.]

De boerderij van Snelting lag midden in het dorp. Ervoor was een grote tuin, ik denk een meter of vijftig lang. Aan de straat was een mooie toegangspoort en daarachter een breed pad naar het huis. Links was de bloementuin en rechts de moestuin. De boerderij was van het T-type: een dwars geplaatst voorhuis waar gewoond werd en daar aan de achterkant tegenaan gebouwd het bedrijfsgedeelte. Op de deel stonden ongeveer tien melkkoeien en ook nog een stuk of vijftien jonge dieren. Aan de andere kant was de paardenstal, met drie paarden. Voor die tijd was het een grote boerderij. In het varkenshuis lagen zo’n twintig varkens.

Middenin het dorp stond ook de kerk en als je vanaf het kerkplein naar de boerderij keek, dan wist je dat Snelting een machtige boer was geweest. Een heel indrukwekkende voorgevel: vijf grote ramen op de begane grond met een dubbele voordeur daartussen en op de eerste verdieping zes ramen op een rij en daarboven nog een grote kap met kleine raampjes.

Lees verder “Oorlogskind (16) Een grote boerderij”

Oorlogskind (15) Een idylle

Sneltingshof
Sneltingshof

[Ik doe het zelf even wat rustiger aan en geef het woord aan mijn vader, die vertelt wat hij als kind in de oorlog heeft meegemaakt. Het eerste deel is hier en een overzicht is daar.]

De maanden die toen volgden herinner ik me als een prachtige tijd. Op de boerderij hadden wij de tijd van ons leven, we mochten de varkens voeren, helpen met het verzorgen van de koeien, we keken toe bij het melken en… we gingen ook een klein beetje naar school. Maar laat ik vooraan beginnen.

Op 11 januari kwamen we dus ’s avonds aan bij de boerderij van Snelting in Megchelen. We kwamen binnen in een grote woonkeuken en moesten een oude mevrouw en een oude man die vreselijk dik was, een hand geven. Dat waren de oude boer en boerin Snelting. Dan waren er een jonge man en jonge vrouw die een jongetje op schoot had. Die moesten we “Oom Jan” en “Tante Sientje” noemen.

Later heb ik begrepen dat mevrouw en meneer Snelting geen kinderen hadden en dat Sientje hun nichtje was. Die was in dat huis in-getrouwd met haar man Jan Essink en die zouden later de boerderij overnemen. Jan was dus de eigenlijke boer. Maar mijn vader heette ook Jan, dus dat was nogal lastig. Daarom werd mijn vader daar Piet genoemd.

Lees verder “Oorlogskind (15) Een idylle”

Oorlogskind (14) Doesburg

ben_1943

[Ik doe het zelf even wat rustiger aan en geef het woord aan mijn vader, die vertelt wat hij als kind in de oorlog heeft meegemaakt. Het eerste deel is hier en een overzicht is daar.]

Na onze ochtendboterham konden we weer verder trekken. Ondertussen was op de weg langs het kanaal naar Dieren de sneeuw een beetje geveegd, zodat het trekken van de wagen niet meer zo zwaar ging. Van die dag herinner ik me niet zo heel veel. Maar tegen het einde van de middag kwamen we bij Doesburg. Dat ligt aan de IJssel en de Duitsers hadden langs die rivier een verdedigingslinie aangelegd. De IJssellinie werd die genoemd. Daar kon je niet zo maar doorheen lopen.

Bij Doesburg was een brug over de rivier, waar we natuurlijk overheen moesten. Maar daar stonden Duitse soldaten op wacht en die controleerden iedereen die daar langs kwam. En mannen die nog geen 45 jaar waren liepen altijd groot gevaar gevangen te worden om voor de Duitsers te werken. Dus dat was gevaarlijk.

Lees verder “Oorlogskind (14) Doesburg”

Oorlogskind (13) Door de sneeuw

ben_1943

[Ik doe het zelf even wat rustiger aan en geef het woord aan mijn vader, die vertelt wat hij als kind in de oorlog heeft meegemaakt. Het eerste deel is hier en een overzicht is daar.]

In die laatste maanden van 1944 werd het steeds moeilijker om aan voldoende eten te komen. Door de oorlog werd er niets vanuit andere landen aangevoerd, dus al het eten moest in het eigen land verbouwd worden. Maar de Duitsers voerden ook nog grote voorraden naar Duitsland, zodat er hier in Nederland grote tekorten waren. Maar ik heb nooit honger hoeven te lijden. Hoe mijn ouders het iedere dag weer klaar kregen om onze magen te vullen, dat weet ik niet. Wel herinner ik me dat de sneetjes brood steeds kleiner werden. De gleuf boven in de boterham werd steeds dieper en brood steeds kleffer. Net alsof het niet gaar was. Dat kwam doordat de bakkers geen gist genoeg hadden om het brood te laten rijzen.

Op de hoek van de Tweede Wormenseweg en de Talingweg was een bakker. Achter zijn huis lag een heel hoge stapel takkenbossen. Die had hij nodig om de oven goed heet te stoken en ’s morgens als hij aan het bakken was, dan rook dat altijd zo lekker.

Lees verder “Oorlogskind (13) Door de sneeuw”