Bisschoppen in ballingschap (1)

Vergilius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Als het goed gaat is het oudheidkundige deelgebied dat het sterkst zal veranderen door de DNA-revolutie de bestudering van de Griekse en Latijnse literatuur. De conclusie daarvan lijkt te zijn dat de mensheid in de voorindustriële tijd mobieler was dan aangenomen, veel mobieler. En waar mensen mobiel zijn, reizen hun ideeën mee. Dat verandert het werk van een classicus. Als hij bezig is met een Latijnse tekst uit Midden-Italië, zal hij voor het begrip van die tekst niet slechts kijken naar Latijnse en Griekse teksten, zoals nu gebeurt, maar meer dan nu het geval is ook naar teksten in andere talen (waarvan het Aramees de grootste is).

Heel nieuw is dit niet. Zeker bij de bestudering van vroegchristelijke teksten is er ook nu al een wijdere wereld van niet-Griekse en niet-Latijnse teksten. De Bijbel is immers geschreven in het Hebreeuws. En het christendom kende vanaf het begin teksten in bijvoorbeeld het Koptisch en Ethiopisch. Je kunt het voor-Constantijnse christendom niet bestuderen zonder een blik in bijvoorbeeld het Ethiopische Boek van Henoch; wie alleen Grieks en Latijn bekijkt, zal kijken naar teksten die een latere, orthodoxe selectie hebben doorstaan en doet de oorspronkelijke veelkleurigheid tekort. De implicatie van de DNA-revolutie is dat deze brede aanpak, die bij de vroegchristelijke literatuur dus al bestaat, veel vaker zal worden toegepast. De netten zullen breder geworpen gaan worden. Anders gezegd: de interpretatiehorizon wordt wijder. Als ik talent had voor taal en als ik opnieuw kon beginnen, zou ik richting klassieke talen gaan, want dat is de komende tien jaar the place to be.

Lees verder “Bisschoppen in ballingschap (1)”

Caesar in Kessel: terugblik (3)

De Maas (bij Batenburg, dus een eindje stroomopwaarts)

In de discussies over Caesars aanwezigheid bij Kessel speelt zijn eigen verslag van de gebeurtenissen een belangrijke rol. Ook het verslag van Appianus (waarover ik morgen nog iets heb recht te zetten) is van betekenis, maar de voornaamste bron is Caesars Gallische Oorlog. Daarin schrijft hij trots dat hij de Usipetes en Tencteri heeft laten afslachten bij de samenvloeiing van de Maas en de Rijn.

Deze passage is problematisch, niet in de laatste plaats omdat de Maas niet uitstroomt in de Rijn. Bij Kessel komt de Maas wel heel dichtbij de Waal en het is goed denkbaar dat de beddingen – dat rivieren slechts één bed hebben, is een ontwikkeling van na de bedijking – van de Maas contact maakten met de beddingen van de Waal. Ik denk zelf dat Caesar te kort in het hoge noorden is geweest om de situatie echt goed te verkennen, maar daarmee introduceer ik een hypothese. Gegeven de afstand tot de zee die Caesar noemt, denk ik echter dat ze beter te verdedigen is dan de hypothese dat hij niet de Maas (Latijn: Mosa) maar de Moezel (Mosella) bedoelde, al heeft die hypothese weer het voordeel dat deze twee stromen zich inderdaad verenigen. Koblenz is ernaar vernoemd: Confluentes, “samenvloeiingen”.

Lees verder “Caesar in Kessel: terugblik (3)”