Hypochonder met faalangst

Niemand eet een doos bonbons in een keer leeg. Je neemt er slechts af en toe een om er zo lang mogelijk van te genieten. Zo heb ik ook Detlev van Heests De verzopen katten en de Hollander gelezen: nooit verbleef ik langer dan een pagina of vijf per dag in de Tokyose Nieuwloofwijk, waar de roman zich afspeelt. Zo heb ik bijna een half jaar kunnen genieten van een van de geslaagdste romans van de afgelopen jaren.

Van Heests boek lijkt wel speciaal geschreven om beetje bij beetje te lezen. Via een reeks prachtige snapshots maakt de lezer kennis met de buurtgenoten van de hoofdpersoon: een dementerende dame bijvoorbeeld, een evangeliste, een oplichter, een man met een oorlogsverleden. Stuk voor stuk zijn het mooie ronde karakters waar je als lezer niet anders dan sympathie voor kunt voelen. Wie het boek uit heeft, heeft het idee vrienden te hebben gemaakt.

De kortste observatie is maar een halve regel lang, de langste enkele bladzijden. Toevallig betreft die laatste iets wat een westerse lezer al met Japan zal associëren: een theeceremonie. Daarmee zijn die pagina’s ietwat uitzonderlijk, want kimono’s, samoerais, de rijzende zon, bonsai, banzai en andere clichés komen in het boek maar weinig voor. Van Heest schetst een modern Japan, waar een vergrijzende bevolking regelmatig niet kan meekomen met de veranderingen. Het boek behandelt diverse alledaagse zaken en Japan blijkt niet zo heel anders dan Nederland – discussies over de leefbaarheid van een stadswijk blijken ook daar niet verder te gaan dan geneuzel over het al dan niet omhakken van bomen. Het enige westerse vooroordeel dat in deze roman blijkt te kloppen is dat Japanners opvallend ver gaan om elkaar gezichtsverlies te besparen.

Het feit dat De verzopen katten en de Hollander bestaat uit een aaneenrijging van ultrakorte observaties brengt het gevaar met zich mee dat het boek verwordt tot een inventaris van gebeurtenissen zonder veel samenhang. Immers, net als geschiedenis is een mensenleven ‘just one damn thing after another’. En inderdaad: als de personages weer eens dineren en Van Heest de tafelconversatie beschrijft, krijgt deze roman iets van een kroniek van het dagelijks leven. Er zijn wat echtelijke ruzies, er wordt geroddeld, men maakt eens een uitstapje, iemand kwakkelt met de gezondheid en we blijven op de hoogte van het wel en wee van de kat.

Maar het boek zit toch gestructureerder in elkaar en de schrijver loodst de lezer gewiekst langs enkele klippen. Meteen aan het begin wordt bijvoorbeeld ergens tussen neus en lippen door gemeld dat de hoofdpersoon eigenlijk Japancorrespondent had moeten zijn voor een Nederlandse krant, maar dat aan de samenwerking een einde is gekomen. De vraag waarom die Nederlander daar in Japan zo weinig om handen heeft dat hij zich zo uitgebreid met zijn buren kan bezighouden, weet Van Heest zo te vermijden. Hij plaatst de stukjes ook niet zomaar in chronologische volgorde achter elkaar: ze zijn gegroepeerd in hoofdstukken, gewijd aan steeds één persoon. Die hoofdstukken zijn in zo’n volgorde geplaatst dat eerdere personages wel in latere hoofdstukken opduiken, maar latere figuren geen grote rol spelen in de eerdere delen. Alleen in het laatste hoofdstuk, waarin de inmiddels geëmigreerde verteller voor twee nachten terugkeert naar de Nieuwloofwijk, komen verschillende personages voor.

Over het algemeen laat Van Heest de feiten voor zich spreken. En terecht. Om de lezer te doen grinniken, hoeft een schrijver niet lang uit te wijden over de muziekleraar die commentaar levert op de fluittechniek van een voetbalscheidsrechter. Elders nodigt Van Heests hoofdpersoon een echtpaar uit voor een Hollandse maaltijd, maar de lezer begrijpt, als hij even verderop leest dat een van de gasten pasta eet, dat de aanschaf van Hollandse ingrediënten niet is gelukt. Van Heest besteedt er geen woord teveel aan maar de lezer glimlacht. Toelichting blijft dus meestal uit en slechts een enkele keer vernemen we de gedachten van de hoofdpersoon , zoals in dit fragment:

Ik had de gedachten van iemand die zich een geweldige zak voelt. Ik was niets en als ik me vernederd voelde, voelde ik me minder dan niets. Dat gevoel kon me niet schelen. Ik was nu eenmaal een waardeloos mens. Op zulke momenten wou ik dood, beseffend dat ik mezelf nooit dood kon maken, omdat ik bang was achteraf spijt te krijgen. Desondanks overwoog ik me voor een wagen te gooien.

De dubbele non sequitur aan het einde houdt het, ondanks de loodzware inhoud, luchtig. Van Heest snapt hoe hij met taal moet omgaan. Als het hem zo uitkomt, verzint hij wel woorden. De gekkekoeienziekte heet bij hem ‘runderdolheid’, waarmee hij misschien wil suggereren dat de hoofdpersoon het contact met zijn moedertaal aan het verliezen is.

Ik schrijf in de vorige zin ‘misschien’, want er zijn andere verklaringen voor de neologismes: de eindredacteur kan hebben zitten slapen, of  Van Heest is zélf het contact aan het kwijtraken met het Nederlands. De naam van de hoofdpersoon is namelijk eveneens Detlev van Heest, wat de indruk wekt dat de schrijver zelf in Japan heeft gewoond. Hoe dit ook zij, de verteller is het interessantste figuur uit De verzopen katten en de Hollander: een hypochonder die faalangst combineert met een oprechte belangstelling voor zijn medemensen maar teveel observator blijft om zich thuis te voelen. Dit personage is boeiend genoeg om uit te zien naar het vervolg, Pleun, waarin de held en zijn echtgenote zijn verhuisd naar Nieuw-Zeeland.

[Deze bespreking verscheen eerder op Recensieweb.]