
Je hoort natuurlijk te zeggen dat de Griekse poëzie begon met het hoogtepunt, de Ilias, maar om eerlijk te zijn heb ik meer plezier beleefd aan de Werken en Dagen van Hesiodos. In zo’n 800 regels biedt het leerdicht, dat vermoedelijk iets jonger is dan de homerische poëzie, om te beginnen enkele mythen over het moeilijke leven in de voor-westerse wereld. Het idee dat er ooit een gouden eeuw was maar dat we inmiddels leven in een tijd van ijzer, is hier te vinden. Vervolgens legt Hesiodos uit hoe men, ondanks de moeilijkheden die inherent zijn aan het leven in deze wereld, toch succes kan hebben – mits men de eigen boerderij op orde heeft.
Eerste goede raad: zorg dat je een huis, een ploeg en een vrouw hebt – en die vrouw moet een slavin zijn, je echtgenote komt later nog wel. Daarna biedt Werken en Dagen een overzicht van de boerenkalender. Hier is een vrij bewerkt overzicht.

Voorjaar
Het voorjaar begon als in februari de zwaluwen terugkeerden. Wanneer de koekoek zong, ergens begin maart, was het tijd om het braakliggende land te ploegen, en wanneer de dag weer even lang was als de nacht (destijds rond 18 maart), moest je de schapen verplaatsen naar hun zomerweiden. Je nam je bijl mee, want onderweg kon een weg worden gebaand of een nieuw stuk land ontgonnen. Even later, als in april in de ochtend de Plejaden niet meer zichtbaar waren en als de ooievaars terugkeerden, begon het scheepvaartseizoen.
Dit was ook het moment waarop jonge dieren werden geboren. Runderen gaven dus voldoende melk, zodat het mogelijk was kwark en kaas te maken. Ook was dit de tijd om boomschors te zoeken, dat voor allerlei doelen kon worden gebruikt.
Het was tijd voor de belangrijkste oogst van het jaar, de graanoogst, als je in mei in ochtend Sirius niet langer kon zien en de Plejaden weer wel. Zag je – vrijwel onmiddellijk daarna – de slakken op de boomstammen, dan was het moment aangebroken voor de artisjokken.

Zomer
Het hooien en dorsen nam enige tijd in beslag, zeg maar de maanden juni en juli (de “hooimaand” in het Nederlands). De langste dag van het jaar passeerde. Daarna werd het land geploegd, werden eventueel nieuwe schuren opgericht en was het tijd om nieuwe ovens te bouwen.
Sirius werd in augustus in de ochtend weer zichtbaar, en dan wist je dat het tijd was de druiven te plukken, een begin te maken met de olijvenoogst en de runderen en schapen van de zomerweiden terug te halen. Dat laatste was vooral handig omdat de dieren mest leverden voor de akkers. Andere mest werd gedroogd om in de winter te dienen als brandstof voor de ovens en de haard. In september, als je in de ochtend Arcturus kon zien, moesten de druiven, linzen en olijven zijn binnengehaald, en als je in de avond de Plejaden zag, was het vijgentijd. Ook niet onbelangrijk: het rapen van eikels.

Najaar
De dagen waren nu aan het korten; rond 18 september waren dag en nacht weer even lang. De druiven werden geperst, de wijn werd gemaakt. De najaarsregens begonnen in oktober, en daarna was het vaarseizoen voorbij. Te vroeg om de jonge wijn nog te exporteren, die dus een winter lang moest worden opgeslagen. De zeelieden waren niet werkloos: ze konden meteen aan de slag in de boomgaard, waar bomen werden gekapt. Het hout moest drogen voor de winter.
Het ploegen en zaaien moest gebeuren in november, als de kraanvogels terugkeerden. Daarna volgde de slacht van de diverse dieren, die zich een zomer en najaar volgegeten hadden maar in de winter geen beslag meer zouden leggen op de voedselvoorraad. (In het oude Nederlands heette november de slachtmaand.)

Winter
In december werd het vlees gedroogd. Men maakte worst, bewerkte huiden tot leer, knoopte netten en maakte vervolgen de sikkels, messen en andere instrumenten weer gebruiksklaar. Dit was allemaal werk dat binnenshuis kon gebeuren; in de winter zat men dicht op elkaar. Men zal verhalen hebben verteld – en zo was de winter het seizoen waarin onderwijs werd gegeven. In februari volgde het snoeien van de wijnranken, en dan was weer voorjaar.
Het hele jaar door waren er ook andere werkzaamheden, zoals het spinnen en weven en het verzamelen van vruchten, bessen, noten, wortels. Elk dorp had wel een jager die niet alleen zorgde voor wildbraad maar ook vossen en beren verjoeg. Het hele jaar door moest onkruid worden gewied. In het vaarseizoen werd handel gedreven en bezochten vreemdelingen het dorp.

Nomaden
Dit was het mediterrane ritme. Het jaarritme in onze eigen contreien heb ik al eens eerder beschreven. Het was altijd weer hetzelfde, en het was opvallend arbeidsintensief. Dat gold ook voor de nomaden, die geen land bewerkten maar lange reizen maakten. De Garamanten bewogen bijvoorbeeld heen en weer tussen de Germa-oase, hartje Libië, en de steden van Tripolitanië aan de kust.
In Centraal-Eurazië werd en wordt het nieuwe jaar, Now Ruz, uitbundig gevierd, en als de lammeren zijn geboren, verplaatst de hele gemeenschap zich met grote tenten naar de zomerweiden. Men draagt de mooiste kleren, zodat het een feestelijk gezicht is. Langs de weg worden kruiden, wortels, noten en vruchten meegenomen. Net als in het oude Griekenland wordt er in de zomer, als de moederdieren melk geven, yoghurt, kwark en kaas gemaakt. In de herfst drijft men handel en werkt men eventueel als dagloner bij de boeren, die extra handen kunnen gebruiken bij de vijgenpluk en de houtkap. Daarna keren de nomaden weer terug, met opnieuw een oog voor wat er aan eetbaars langs de weg te verzamelen is. De slacht vindt plaats in de winter, het seizoen waarin ook de kinderen van de nomaden enig onderwijs krijgen.

Een cyclisch wereldbeeld
Het is een eindeloze herhaling en het is dus niet zo vreemd dat men in de voor-westerse wereld de tijd voorstelde als een cyclus. Verleden, heden en toekomst verschilden niet zo veel: steeds waren er dezelfde arbeidsintensieve werkzaamheden. Idemdito in Egypte en Mesopotamië, waar de rivieren overstroomden en terugweken, ieder jaar opnieuw.
Voor zover de mensen ontwikkeling herkenden, was het veelal de degeneratiemythe: van gouden eeuw naar een tijd van ijzer. Verder kende men wat verhalen over legendarische voorouders, wier gedrag als positief of negatief voorbeeld had gediend – meer verleden had men in dit cyclische heden niet nodig om de richting naar de toekomst te kennen. In zo’n tijdloze wereld is het ontstaan van de geschiedkunde eigenlijk een wonderlijk verschijnsel.
Tijd was dus niet iets waarover men nadacht. Pas laat in de Oudheid vinden we de erkenning dat tijd geld kan zijn. Grootgrondbezitters richtten toen markten in op hun eigen landerijen opdat de halfvrije boeren – zeg maar horigen – geen tijd kwijt zouden zijn om naar de stedelijke markt te gaan. Maar dit is in de voor-westerse wereld een uitzondering, en feitelijk is het idee dat tijd geld is, nog steeds geen universeel inzicht. Toen ik weleens door Iran reisde, hadden we het soms over “Isfahan Standard Time”, wat betekende dat de tijd waarop een ontmoeting plaatsvond, het moment was waarop iedereen aanwezig was, en niet het moment dat vooraf was genoemd. Waar Noordwest-Europeanen het tijdstip beschouwen als het wezen van de afspraak, beschouwen anderen de groep als het wezenlijke aspect. Ook het verschil in de waardering van de tijd is een argument waarom we de westerse geschiedenis moeten scheiden van de niet-westerse en de voor-westerse geschiedenis.
[Een overzicht van de blogjes in de reeks over de voor-westerse geschiedenis is hier.]

‘Waar Noordwest-Europeanen het tijdstip beschouwen als het wezen van de afspraak, beschouwen anderen de groep als het wezenlijke aspect.’
Wat wonderlijk en met zichzelf in tegenspraak, dat in ons ego-tijdperk niet de mens maar de tijd de maat der dingen is. Logisch ook, want tijd is geld. En geld is hier de maat der dingen. Pak maar in met je ego: Du glaubst zu schieben, und du wirst geschoben.
En dan iets heel anders: bestaat er een archeologie van gebaren? Dat vroeg Cees Nooteboom zich af in een van zijn reisverhalen. Hij was op Bali en zag het eeuwenoude gebaar waarmee vrouwen de platte manden met opgestapelde offergaven oppakten en, op weg naar de tempel, op hun hoofd lieten steunen. Mooie gedachte: hoe oud zijn gebaren? Je zult never nooit een gebaar opgraven. Alleen indirecte aanwijzingen vinden, als al.
Cees Nooteboom: Het teken van de reiziger, Balinese notities. In: Nachttrein naar Mandalay. Alle Aziatische reizen. De Bezige Bij, 2011
Een archeologie van de gebaren is er niet, maar er is wel kunsthistorische studie naar gedaan. Het heet chironomie.
https://fr.wikipedia.org/wiki/Chironomie_(th%C3%A9%C3%A2tre)
Ha, dank je wel. Hoeveel gebaren zouden er in de loop der tijden verloren zijn gegaan? Op deze blog staat er al een die we hier nauwelijks meer kennen: het gebaar van het handmatig zaaien van graan (en als je er ook handelingen bij zou willen betrekken, het malen van het graan en het ploegen). Sommige gebaren vind je afgebeeld op steles, fresco’s en dergelijke. Met geluiden ligt het lastiger, maar sommige instrumenten overleefden de tijd. Geuren zijn voor altijd weg. En de dagelijkse gebaren en geluiden die zo vanzelfsprekend waren dat niemand er aandacht aan schonk ook.