De weerwolf in de Oudheid (2)

Een wolf uit Piazza Armerina

[Tweede van drie blogjes door Bas Jongenelen over antieke en middeleeuwse weerwolven. Het eerste deel was hier.]

Herodotos’ Neurers

In zijn Ἱστορίαι (Historiën) beschrijft Ἡρόδοτος (Herodotos van Halikarnassos) een heleboel volkeren. Eén van die volkeren zijn de Neurers – en dat zijn weerwolven! Dit vertelt Herodotos over de Neurers het volgende:

Νευροὶ δὲ νόμοισι μὲν χρέωνται Σκυθικοῖσι, γενεῇ δὲ μιῇ πρότερόν σφεας τῆς Δαρείου στρατηλασίης κατέλαβε ἐκλιπεῖν τὴν χώρην πᾶσαν ὑπὸ ὀφίων. ὄφιας γάρ σφι πολλοὺς μὲν ἡ χώρη ἀνέφαινε, οἱ δὲ πλεῦνες ἄνωθέν σφι ἐκ τῶν ἐρήμων ἐπέπεσον, ἐς οὗ πιεζόμενοι οἴκησαν μετὰ Βουδίνων τὴν ἑωυτῶν ἐκλιπόντες.

κινδυνεύουσι δὲ οἱ ἄνθρωποι οὗτοι γόητες εἶναι. λέγονται γὰρ ὑπὸ Σκυθέων καὶ Ἑλλήνων τῶν ἐν τῇ Σκυθικῇ κατοικημένων ὡς ἔτεος ἑκάστου ἅπαξ τῶν Νευρῶν ἕκαστος λύκος γίνεται ἡμέρας ὀλίγας καὶ αὖτις ὀπίσω ἐς τὠυτὸ ἀποκατίσταται. ἐμὲ μέν νυν ταῦτα λέγοντες οὐ πείθουσι, λέγουσι δὲ οὐδὲν ἧσσον, καὶ ὀμνῦσι δὲ λέγοντες.noot Herodotos, Historiën 4.105.

In de vertaling van Hein L. van Dolen:

De Neurers daarentegen houden de Skythische manier van leven aan. Een generatie vóór de campagne van Darius waren zij door een slangenplaag getroffen en uit hun land verdreven. Het krioelde daar toen van deze beesten. Tot overmaat van ramp kwamen uit het onherbergzame gebied in het noorden nog veel meer op hen afgekropen. Van ellende pakten zij hun boeltje en namen hun intrek bij de Boudiners.

Deze mensen schijnen aan magie te doen. Want onder de Skythen en de in Skythië woonachtige Grieken gaat het verhaal dat iedere Neurer eens per jaar een paar dagen in een wolf verandert om daarna weer als mens verder te leven. Als je het mij vraagt: ik geloof er geen woord van, maar goed, het wordt verteld en ze zweren er zelfs bij.

Ieder jaar verandert een Neurer voor een paar dagen in een wolf om dan weer mens te worden. Herodotos legt niet uit wat die Neurers doen als zij wolf zijn. Wat ik ook graag wil weten of alle Neurers tegelijk wolven worden, en ze een roedel vormen. Of gaan ze om de beurt? En hoe voelen ze zich daarbij? Hoe reageren de andere Neurers als er weer eens iemand wolf geworden is? (“Ach, laat hem toch, het is weer de tijd van het jaar.”)

Zo’n beschrijving van een volk levert meer vragen dan antwoorden op. Blijkbaar bleef Herodotos zelf ook met die vragen zitten, want hij gelooft er dus helemaal niets van.

Petronius’ weerwolf

In het beroemde boek Satyrica van Petronius komt de weerwolf ook ter sprake. Tijdens het feestmaal van Trimalchio vertellen mensen elkaar verhalen, een van die verhalen is van Niceros. Hij vertelt dat hij getuige was dat zijn metgezel in een weerwolf veranderde. De omgeving lijkt nogal gothic novel: een begraafplaats bij heldere maan. Er staat niet dat het volle maan was, maar dat de “luna lucebat tanquam meridie” – nou, dat is toch volle maan? Ik durf niet te beweren dat dit het begin is van de traditie dat mensen bij volle maan in weerwolven veranderen, want andere oude teksten wijzen daar helemaal niet op. Die volle maan als noodzakelijkheid voor de transitie van mens naar wolf is een moderne vondst. En toch… toch scheen de maan alsof het middag was… En die begraafplaats erbij, maakt het allemaal nog spookachtiger.

Die metgezel moet nog wel eerst een magische handeling verrichten. Hij moet zijn kleren uittrekken (wolven dragen geen kleren, maar weerwolven blijkbaar ook niet), deze op een hoopje leggen en er vervolgens omheen pissen. Wat niet duidelijk is, of deze handeling altijd leidt tot een transformatie, of dat je al een weerwolf moet zijn (als het ware besmet met het weerwolf-virus). Ik vermoed het laatste. Het lijkt erop dat de man in kwestie een soort innerlijke drang voelde, alsof hij deze magische handelingen wel móest verrichten. Iets in hem zette hem aan tot het wolf-zijn. Een gif? Een vervloeking? Een beet van een andere weerwolf? Een aangeboren aandoening? Dat weet ik niet, maar ineens trekt de man zijn kleren uit, pist eromheen en verandert in een weerwolf. Daar zit geen vrije wil achter, geen afweging of dit wel het juiste moment is, geen moment van twijfel. Nee, het ziet ernaar uit dat hij het móet doen.

Forte dominus Capuae exierat ad scruta scita expedienda. Nactus ego occasionem persuadeo hospitem nostrum, ut mecum ad quintum miliarium veniat. Erat autem miles, fortis tanquam Orcus. Apoculamus nos circa gallicinia; luna lucebat tanquam meridie. Venimus inter monimenta: homo meus coepit ad stelas facere; sedeo ego cantabundus et stelas numero. Deinde ut respexi ad comitem, ille exuit se et omnia vestimenta secundum viam posuit. Mihi anima in naso esse; stabam tanquam mortuus. At ille circumminxit vestimenta sua, et subito lupus factus est. Nolite me iocari putare; ut mentiar, nullius patrimonium tanti facio. Sed, quod coeperam dicere, postquam lupus factus est, ululare coepit et in silvas fugit. Ego primitus nesciebam ubi essem; deinde accessi, ut vestimenta eius tollerem: illa autem lapidea facta sunt. Qui mori timore nisi ego? Gladium tamen strinxi et <in tota via> umbras cecidi, donec ad villam amicae meae pervenirem. In larvam intravi, paene animam ebullivi, sudor mihi per bifurcum volabat, oculi mortui; vix unquam refectus sum. Melissa mea mirari coepit, quod tam sero ambularem, et: “Si ante,” inquit, “venisses, saltem nobis adiutasses; lupus enim villam intravit et omnia pecora tanquam lanius sanguinem illis misit. Nec tamen derisit, etiamsi fugit; senius enim noster lancea collum eius traiecit.” Haec ut audivi, operire oculos amplius non potui, sed luce clara Gai nostri domum fugi tanquam copo compilatus; et postquam veni in illum locum, in quo lapidea vestimenta erant facta, nihil inveni nisi sanguinem. Vt vero domum veni, iacebat miles meus in lecto tanquam bovis, et collum illius medicus curabat. Intellexi illum versipellem esse, nec postea cum illo panem gustare potui, non si me occidisses. Viderint quid de hoc alii exopinissent; ego si mentior, genios vestros iratos habeam.noot Petronius, Satyrica 62.

In de vertaling van A.D. Leeman luidt het als volgt:

Mijn baas was toen toevallig naar Capua om een mooie partij oude lorren van de hand te doen. Ik zag mijn kans schoon en vroeg een kostganger van ons om een eind met me op te lopen. Het was een militair, sterk als de duivel. We gingen bij het eerste hanengekraai op stap. De maan scheen zo helder of het midden op de dag was. Zo kwamen we bij de grafmonumenten buiten de stad. Mijn man stapte op de grafzerken af. Ik zat een deuntje te neuriën en telde hoeveel zerken er waren. Toen ik weer naar mijn maat keek, was die zich aan het uitkleden: zijn kleren legde hij aan de kant van de weg. Mijn hart klopte in mijn keel en ik stond er voor dood bij. Hij piste een kringetje om zijn kleren heen en… veranderde ineens in een wolf. Nee, ik maak geen geintjes. Ik lieg voor geen geld ter wereld. Maar wat ik zeggen wou, toen hij in een wolf veranderd was, stootte hij een gehuil uit en vluchtte de bossen in. Eerst wist ik niet waar ik blijven moest. Toen wilde ik zijn kleren oprapen, maar die waren versteend. Ik dacht dat ik het bestierf van angst. Toch trok ik mijn zwaard en terwijl ik links en rechts op de schaduwen inhakte, kwam ik eindelijk bij het landhuisje van mijn vriendin. Als een spookverschijning strompelde ik binnen; bijna hikte ik mijn laatste adem uit; het zweet liep tappelings langs mijn billen; het schemerde voor mijn ogen: ’t is nog een wonder dat ik weer bijgetrokken ben. Melissa vond het raar dat ik zo laat nog aan de wandel was. “Was je maar eerder gekomen,” zei ze, “dan had je ons tenminste kunnen helpen. Er is een wolf op het erf gekomen en die heeft al onze beesten als een slager afgeslacht. Hij is wel gevlucht, maar hij heeft er geen plezier van gehad, want een van onze slaven heeft een spies door zijn nek gestoken.” Toen ik dat hoorde, kon ik geen oog meer dicht doen, maar toen het licht was, ben ik uit het huis van mijn vriendin de weg opgerend als een belazerde kroegbaas. En aangekomen op de plek waar de kleren versteend waren, vond ik alleen maar een bloedplas. En toen ik thuis kwam, lag daar onze militair op zijn bed als een stuk slachtvee, terwijl een dokter bezig was zijn hals te behandelen. Ik snapte dat hij een weerwolf was, en sedert kan ik geen stuk brood door mijn keel krijgen als hij erbij is – niet, al had je me dood geslagen. Wat anderen zich in hun kop halen, moeten ze zelf maar zien; mij mogen de goden straffen als ik lieg.

Merk op dat het Latijnse woord voor “weerwolf” versipellis is: huidveranderaar. In principe zou dit voor ieder dier kunnen gelden, het hoeft niet per se een wolf te zijn. Wie in een capibara, rode panda of vlinder verandert, is ook een huidveranderaar. Maar omdat de reisgenoot van Niceros “subito lupus factus est”, noemen we deze huidveranderaar een weerwolf. Volgens mij is er geen Latijns weerwolfwoord overgeleverd met lupus erin – als ik het mis heb, laat het me weten.

[Deze gastbijdrage van Bas Jongenelen wordt vervolgd. Dank je wel Bas!]

Deel dit: