Hoezo monotheïsme? (1)

Munt van Bar Kochba (British Museum, Londen)

We zullen nooit méér weten over Theodotos de zoon van Dorion en Ptolemaios de zoon van Dionysios dan dat ze hun Joodse identiteit trots vermeldden in de inscripties die ze hebben achtergelaten in een Egyptische tempel, gewijd aan de door-en-door Griekse godheid Pan. Ook al is de ene tekst slechts acht en de andere zes woorden lang, dit tweetal is belangrijk: ze bewijzen dat het niet waar is dat joden in de Oudheid slechts één godheid erkenden, hoewel dit in veel antieke bronnen staat en joodse auteurs hetzelfde beweren. Er zijn minimaal twee joden geweest die niet alleen het bestaan erkenden van Pan, maar er ook geen been in zagen de vreemde god te eren met een blijk van erkentelijkheid.

Vandaar mijn vraag: waren de joden in de Oudheid wel monotheïsten? Hierover zal ik de komende dagen bloggen. Het is minder simpel dan het lijkt. Ik zal het antwoord meteen verklappen: ik denk dat ze van alle antieke volken het meest monotheïstisch waren, maar de norm werd in de praktijk lang niet altijd gehaald.

Beschouwden andere joden Theodotos en Ptolemaios nog als een van hen, of golden ze als afvalligen? Ze lijken in elk geval een van de Tien Geboden te hebben overtreden: “Vereer naast Mij geen andere goden”. Dezelfde norm wordt nog pregnanter aangegeven in het Deuteronomiumvers “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen”, dat wel is getypeerd als een geloofsbelijdenis en vaak wordt aangeduid met het eerste woord, sjema, “hoor!” Het is in feite de kortste definitie van monotheïsme.

Ook latere generaties beschouwden dit als een belangrijke norm: uit de farizese traditie stamt bijvoorbeeld het traktaat Abodah Zarah en de Dode Zee-rollen documenteren dat ook andere joodse stromingen meenden dat de verering van slechts één godheid uiterst belangrijk was. Toen, zo rond 130 n.Chr., enkele rabbijnen moesten aangeven wat zó belangrijk was in het jodendom dat een gelovige er desnoods de dood voor moest riskeren, concludeerden ze dat men eventueel alle geboden mocht overtreden, behalve het verbod op incest, op moord en afgodendienst. (Dit is de geschiedenis in gegaan als “het besluit in de opperkamer van het huis van Nithza in Lod”.)

Kortom, de norm was duidelijk, maar ze werd lang niet altijd nageleefd. Theodotos en Ptolemaios zijn daarvan voorbeelden.

[Bij het schrijven van mijn boek over het ontstaan van het christendom en het rabbijns jodendom stuitte ik op teveel materiaal dat duidde op een spanning tussen de monotheïstische norm en een andere praktijk. Vandaar dat ik het eens op een rijtje ben gaan zetten. Later meer.]