Wat zijn heidenen?

Apollo, Minerva en Mercurius: vierde-eeuws reliëf uit Lauterbourg (Straatsburg, Palais Rohan)

Als het goed is, is vandaag Het visioen van Constantijn in de boekhandels aangekomen, het boek dat ik maakte met Vincent Hunink en dat gaat over de vraag hoe een heidens visioen kon veranderen in een christelijke legende. U bestelt het hier (levert landelijk) of bij uw plaatselijke boekhandel en hieronder hebt u een stukje uit de inleiding.

***

De bekering van Constantijn betekende – wat er ook gebeurd moge zijn – het einde van het heidendom. Maar wie waren die heidenen eigenlijk? Het begrip komt uit de joods-christelijke wereld, waarin alle niet-medegelovigen over één kam werden geschoren, hoewel de niet-joden en niet-christenen zichzelf nooit definieerden als heidenen.

Ze vereerden de goden van hun eigen stad en van de Romeinse staat. Ook betoonden ze eer aan de keizer. Sommige volken hadden eigen godheden – zo hadden de Egyptenaren hun Isis, de Galliërs hun Grannus en de Bataven hun Magusanus – en daarnaast hadden bepaalde beroepsgroepen eigen culten. Over dit bonte geheel werd verschillend gedacht, maar niemand noemde zichzelf heiden. In Het visioen van Constantijn gebruiken we het woord alleen omdat het nu eenmaal ingeburgerd is. Dat bewijst overigens eens te meer in welke mate het in de vierde eeuw doorgebroken christendom het latere denken blijft beïnvloeden.

Lees verder “Wat zijn heidenen?”

Monotheïsering

Pantheon, Hadrianus 118-125
Pantheon (foto Ab Langereis)

Zoals de trouwe lezers van deze kleine blog weten, ben ik momenteel bezig met een reeks over de vroege geschiedenis van het christendom, waarin ik inmiddels een aantal zaken heb behandeld. Eén daarvan is dat het jodendom weliswaar een monotheïstische norm had, maar in de dagelijkse praktijk open stond voor elementen uit andere religies. Verder wees ik erop dat ideeën over een tweede godheid weliswaar niet voldeden aan die norm, maar ook niet volstrekt marginaal waren. De positie van “tweede godheid” was aan het begin van de jaartelling een vacature en het was mogelijk die door een sterveling te laten vervullen: het is denkbaar dat de Zelfverheerlijkingshymne deze hemelse status toeschrijft aan de stichter van de sekte van de Dode Zee-rollen en Paulus schrijft in de Filippenzenbrief dat Jezus een naam krijgt, hoger dan alle andere namen, wat een aanduiding is van die tweede godheid.

Dit alles roept uiteraard de vraag op waarom christenen Jezus niet langer beschrijven als middelaarfiguur. In een Romeinse context zou Jezus typeren als Gods vizier – praetoriaans prefect desnoods – simpeler zijn geweest dan de complexe Drie-eenheid, waarin in Christus twee naturen samenkwamen. Niet alleen zou het idee van Christus als een lager soort hemeling makkelijker zijn geweest, het is ook beter in lijn met de Bijbel. In de woorden van Paulus: “Christus is het hoofd van iedere man, maar de man is het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus” (1 Korinthiërs 11.3). Het idee van een Drie-eenheid is onpraktisch, staat haaks op althans sommige Bijbelteksten en is dan ook een late ontwikkeling.

Lees verder “Monotheïsering”

Hoezo monotheïsme (slot)

Munt van Bar Kochba (British Museum, Londen)

[Dit is het laatste stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Ik beschreef dat het moeilijk valt vol te houden dat de joden monotheïsten waren en hun buren polytheïsten. Joden én veel heidenen neigden ernaar slechts één godheid te vereren en daarnaast een reeks lagere hemelingen te erkennen. Wel is het zo dat de joden monotheïstischer waren dan hun tijdgenoten.

Het eigenlijke verschil tussen joden en niet-joden ligt vermoedelijk niet bij de erkenning van niet-joodse goden of de beperking van het goddelijke tot één Allerhoogste, maar in de vorm van de verering. Het gaat er daarbij niet om dat de joden geen cultusbeeld hadden, hoewel dit aspect vaak in onze bronnen wordt vermeld. Dat was echter onvoldoende uniek om onderscheidend te zijn: de Nabateeërs, de Feniciërs en de Grieken hadden allemaal goden die ze niet afbeeldden. Van de oppergoden van Babylonië en Egypte, die aan het begin van onze jaartelling nog steeds werden vereerd, werd expliciet gezegd dat ze niet af te beelden waren – wat de Babylonische en Egyptische kunstenaars er overigens niet van weerhield het toch te doen.

Lees verder “Hoezo monotheïsme (slot)”

Hoezo monotheïsme? (3)

Munt van Bar Kochba (British Museum, Londen)

[Dit is het derde stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Hierboven beschreef ik dat de joden weliswaar zeiden maar één God te erkennen, maar dat er in de praktijk nogal wat andere hemelingen waren. De joden erkenden bovendien verzelfstandigde attributen van God. Daarover vandaag.

De geest van God wordt genoemd in oeroude teksten: deze garandeert dat een koning goed kan heersen en dat een profeet de waarheid spreekt, terwijl de geest van de waarheid volgens de (sektarische) Gemeenschapsregel vecht tegen de geest van het onrecht.

Lees verder “Hoezo monotheïsme? (3)”

Hoezo monotheïsme? (2)

Munt van Bar Kochba (British Museum, Londen)

[Dit is het tweede stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Ik concludeerde vorige keer dat in het antieke jodendom – laten we zeggen tussen 165 v.Chr. en 70 n.Chr. – de norm op zichzelf duidelijk genoeg was: de sjema, “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen”. Er waren echter uitzonderingen. Een voorbeeld vinden we in 2 Makkabeeën, waarin we lezen dat soldaten van Judas de Makkabeeër na een gevecht de doden begroeven en ontdekten ze dat enkele gesneuvelden amuletten hadden gedragen van buitenlandse goden. De auteur van het tweede Makkabeeënboek is er zeker van dat deze overtreding van de norm de oorzaak was van hun dood en keurt dus af dat een jood zich plaatste onder de bescherming van andere goden. De gesneuvelden zelf, die toch hun leven voor de joodse zaak hadden geriskeerd, dachten daar evident anders over.

Ongeacht de norm lijken de joden in de praktijk verdeeld te zijn geweest over de vraag of het vereren van slechts één god kon samengaan met de erkenning dat andere goden iets goeds voor je konden doen. De Theodotos en Ptolemaios die ik gisteren noemde, lijken in elk geval geen tegenspraak te hebben ervaren tussen hun joodse identiteit en hun heidense praktijk.

Lees verder “Hoezo monotheïsme? (2)”

Hoezo monotheïsme? (1)

Munt van Bar Kochba (British Museum, Londen)

We zullen nooit méér weten over Theodotos de zoon van Dorion en Ptolemaios de zoon van Dionysios dan dat ze hun Joodse identiteit trots vermeldden in de inscripties die ze hebben achtergelaten in een Egyptische tempel, gewijd aan de door-en-door Griekse godheid Pan. Ook al is de ene tekst slechts acht en de andere zes woorden lang, dit tweetal is belangrijk: ze bewijzen dat het niet waar is dat joden in de Oudheid slechts één godheid erkenden, hoewel dit in veel antieke bronnen staat en joodse auteurs hetzelfde beweren. Er zijn minimaal twee joden geweest die niet alleen het bestaan erkenden van Pan, maar er ook geen been in zagen de vreemde god te eren met een blijk van erkentelijkheid.

Vandaar mijn vraag: waren de joden in de Oudheid wel monotheïsten? Hierover zal ik de komende dagen bloggen. Het is minder simpel dan het lijkt. Ik zal het antwoord meteen verklappen: ik denk dat ze van alle antieke volken het meest monotheïstisch waren, maar de norm werd in de praktijk lang niet altijd gehaald.

Lees verder “Hoezo monotheïsme? (1)”

Joodse monotheïsmes

Het leek ooit zo makkelijk: de Grieken en Romeinen waren polytheïsten en de Joden waren monotheïsten. Maar zo makkelijk is het niet. Aan de ene kant stond één god aan het hoofd van een godenvergadering, aan de andere kant stond één God aan het hoofd van de hemelse heerscharen van engelen en aartsengelen, machten en krachten, cherubijnen en serafijnen. Er zijn verschillen, zeker, maar de grens tussen polytheïsme en monotheïsme is niet makkelijk.

Of neem dit. Hoewel er in de Grieks-Romeinse wereld tempels waren voor talloze goden, won het idee terrein dat ze allemaal manifestaties waren van één hoofdgod. “Ik ben één van wezen,” zou de godin Isis hebben verklaard, “maar ik heb vele gestalten, en de wereld vereert mij op veel manieren en onder vele namen.” Omgekeerd konden de Joden behalve aan hun God eer betuigen aan bijvoorbeeld engelen of verzelfstandigde aspecten van het goddelijke, zoals de Kracht, de Geest of het Woord van God. Het verschil tussen polytheïsme en monotheïsme is niet makkelijk.

Lees verder “Joodse monotheïsmes”