Vandaag blogje numero 7500, en ik wijd het aan een van de grote vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis: Veleda. De enige keer dat ik iets zag dat in de verte leek op een standbeeld, was een reliëf in Regensburg, in het Walhalla. Maar misschien moeten we daar eens verandering in gaan brengen.
Om te beginnen: Veleda was (althans volgens de Romeinse auteur Publius Cornelius Tacitus) een van de belangrijkste personages uit de Bataafse Opstand, namelijk de profetes die de diverse Germaanse groepen het vertrouwen gaf voor de strijd tegen Rome. Zelf behoorde ze tot de Bructeren, die leefden van de Achterhoek tot aan de Lippe in Duitsland.
Europa kent al eeuwen twee grote handelsroutes. De ene was de corridor van de Noordzee via Rijn, Moezel, Saône en Rhône naar de Middellandse Zee. De andere stond daar haaks op en leidde naar het oosten: de Donau. De eerste landbouwers, de eerste metaalwerkers en de eerste Indo-Europees-sprekenden kwamen hierlangs stroomopwaarts, later gevolgd door Sarmaten, Hunnen, Avaren en Magyaren. Bij de Zwarte Zee zagen zij vóór zich een vruchtbaar gebied, begrensd door rechts de Donau en links het Balkangebergte. Die vruchtbare zone strekt zich uit tot Belgrado, het antieke Singidunum, waar de vlakte zich noordwaarts opende naar de Hongaarse poesta.
De naam Moesia
In de vijfde eeuw v.Chr. worden tussen Donau en Balkan genoemd:
De laatste twee worden gewoonlijk gerekend tot de Thraciërs. Romeinse bronnen uit het begin van de jaartelling suggereren dat hier ooit ook Mysiërs hadden gewoond, een groep die later zou zijn verhuisd naar de Zee van Marmara. Naar hen noemden de Romeinen de regio Moesia.
Vandaag een kort blogje. Het gaat over de Rijn maar niet over de waterstanden. Het gaat wel over Duisburg, een stad in het Roergebied die u zult kennen als u weleens met de trein naar het zuiden spoort. Niet bepaald de eerste stad waaraan u denkt als het gaat om het antieke verleden. De oudste vermelding is middeleeuws, uit 883.
Maar er waren daarvoor al Romeinen. Logisch, want aan de andere kant van de Rijn lag het fort Asciburgium ofwel Moers-Asberg. De daar gelegerde soldaten zorgden ervoor dat er aan de Germaanse kant van de stroom geen al te grote nederzetting was – of het moest iets zijn dat de Romeinen controleerden. Een dergelijke nederzetting is nooit gevonden, maar dát er Romeinen in Duisburg waren, staat vast. Stenen die zijn gevonden in Krefeld en nu zijn te zien in het mooie museum Burg Linn, zijn gewonnen in wat nu Duisburg is.
Ik kan natuurlijk niet naar bed gaan zolang er iemand op het internet flauwekul rondbazuint. Dus ik moet even een blogje de wereld ingooien. Als trouwe lezer van deze blog weet u wel wat mij zoal ergert en ja, ik heb weer eens een archeologisch nieuwsbericht gevonden dat de conclusie rechtvaardigt dat archeologen het publiek liever misleiden dan informeren. Vier van de vijf verpesten het voor de rest. Want ook vandaag is er weer iemand die vond dat de archeologie in het nieuws moest komen, maar geen zin of geen talent had om echt iets te noemen.
Dus wat doe je? Het is komkommertijd, elk bericht is sowieso goed, zeker als het aansluit bij het weinige nieuws dat er wel is. Voilà, het is heet en droog, en in veel rivieren staat weinig water. Hier en daar worden archeologische resten zichtbaar die dat anders niet zijn. Daar heb je iets om mee naar aandacht te hengelen.
In het vorige blogje legde ik uit dat het archeologisch onderzoek onder de Sint-Paulus buiten de Muren niet hielp om vast te stellen of Paulus na zijn gevangenschap in Rome in die stad was gebleven. De traditie geeft echter een duidelijk antwoord: Paulus is onthoofd tijdens de vervolging door Nero, die plaatsvond na de grote brand van Rome. Die woedde in de zomer van 64 en afgaand op het verslag van Publius Cornelius Tacitus liet de keizer enkele christenen levend verbranden. De bevolking, voegt Tacitus toe, was verontwaardigd over deze onmenselijke straf. Er is geen vermelding van Paulus.
Clemens en Ignatius: geen Rome, geen Nero
De marteldood van Paulus is echter in een oude bron vermeld: de Eerste Brief van Clemens. Die dateert vermoedelijk uit de laatste jaren van de eerste eeuw, misschien een tikje later.
De sarcofaag die sinds de tweede eeuw (?) wordt aangewezen als graf van Paulus
Omdat ik op zondag graag blog over het Nieuwe Testament, schrijf ik vandaag weer over de apostel Paulus. Die maakte verschillende reizen, waarvan verslag wordt gedaan in de Handelingen van de Apostelen. In zijn eigen brieven verwijst Paulus ook wel naar die reizen. De Handelingen eindigen met zijn aankomst in de stad Rome, waar hij moest wachten op de behandeling van het hoger beroep in een rechtszaak; dat duurde blijkbaar twee jaar.nootHandelingen 28.30. Omdat bekend is dat Paulus contact heeft gehad met gouverneur Festus en koning Herodes Agrippa II, die we scherp kunnen dateren, mogen we aannemen dat Paulus op z’n laatst in het voorjaar van 61 arriveerde in Rome. In zijn Brief aan de Romeinen vertelt Paulus dat hij van plan is verder te reizen naar Spanje.nootRomeinen 15.23-24. Hij zou in het voorjaar van 63 zijn reis dus hebben kunnen voortzetten.
Het graf van Paulus
Heeft hij die reis werkelijk gemaakt? Tja. De christelijke traditie wil dat hij is onthoofd ten tijde van Nero’s vervolging van de christenen in Rome. Paulus’ graf wordt even buiten het historisch centrum aangewezen, in de door keizer Constantijn de Grote gebouwde Sint-Paulus buiten de Muren (ook wel: “buiten de veste”). Daar hebben archeologen in 2002-2003 de ruimte rond het graf onderzocht. In de oudste fase, dus ten tijde van Constantijn, lag het graf in de apsis, maar in 390 lieten de toen regerende keizers Theodosius I, Arcadius en Valentinianus II de kerk compleet herbouwen. De aanleiding was vermoedelijk wateroverlast.
[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het tweede; het eerste was hier.]
Ulpia Noviomagus
In de jaren na de Bataafse Opstand reorganiseerden de Romeinen het Rijnland. Ze bekortten de weg naar de Donau door het Zwarte Woud (de Agri Decumates) te annexeren, en ook kregen meer legerbases stenen funderingen. Rome was niet langer in het offensief maar ging ervan uit dat de noordelijke rivieren voor langere tijd moesten worden verdedigd. In deze context moeten we ook de legioenbasis in Nijmegen plaatsen.
Er was in 2011 een claim dat een legioen zijn hoofdkwartier had ingericht in het stadscentrum, waar de resten zouden zijn gevonden op het Sint-Josephhof. Ik heb over die claim sindsdien niets meer gehoord, maar het zou een loepzuivere parallel opleveren met Jeruzalem, dat eveneens in 70 werd verwoest. Daar vestigde een legioen zich in de veroverde stad, maakte daarmee duidelijk wie de baas was, en dwong de bewoners te vertrekken naar het drie kilometer verderop gelegen Shu‘afat. Idem in Nijmegen: onderworpen opstandelingen, legioen in hun stad, bevolking drie kilometer verderop. Omdat ik over de Nijmeegse basis echter nooit meer had gehoord, was opheldering daarover een van de redenen waarom ik afgelopen weekend Nijmegen bezocht. Ik heb de deskundigen echter niet kunnen spreken en de oplossing van dit mysterie ligt derhalve voorshands verborgen in de mist der tijden.
Ik ging naar Nijmegen om een badhuis te zien. Ik zag geen badhuis. Maar het was een geslaagd weekend. Deze week enkele blogjes, waar u ook het blogje over de Nijmeegse classicus Vincent Hunink bij mag rekenen. Maar eerst even iets over de geschiedenis van Romeins Nijmegen.
Oppidum Batavorum
In 19 v.Chr. werd in het oosten van de huidige stad een militaire basis ingericht (Hunerberg), die echter niet lang in gebruik is gebleven. Even oostelijker lag op het Kops Plateau een kleiner kamp, dat tientallen jaren functioneerde. De meest duurzame stichting lag echter in het huidige stadscentrum, waar een civiele nederzetting verrees, bewoond door migranten uit het Overrijnse die de geschiedenis in zijn gegaan als Bataven. Die naam betekent “bewoners van de Betuwe”, wat weer is afgeleid van *bat-agwiō, “vruchtbaar eiland” (tussen Waal en Rijn). De burgerlijke nederzetting heette Batavodurum of ook wel Oppidum Batavorum, wat allebei “Batavenburcht” betekent.
Een gereconstrueerde Germaanse boerderij (Archäologisches Freilichtmuseum, Oerlinghausen)
[Dit is voorlaatste van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]
Het moge na de vorige blogjes duidelijk zijn dat “de” Germanen vooral hebben bestaan in de fantasie van de Romeinen. Die spraken over een onbeschaafde krijgerscultuur, terwijl ze in de praktijk wisten dat degenen met wie ze vochten, verdragen sloten en handel dreven, niet één volk vormden, maar een verzameling van verschillende stammen met verschillende levenswijzen. De Germanen tussen Rijn en Wezer hadden een veel gevarieerder cultuur dan de Elbe-Germanen, terwijl de Germaanse talen uit het oosten (zoals het Gotisch) verschilden van het noordelijke Germaans. In het zuiden hadden Germaanse groepen zich gevestigd tussen de eerdere, Keltische groepen.
Het is dus gevaarlijk bloggen over “de” Germaanse cultuur. Daar komt nog bij dat er tussen de Jastorf-cultuur en de Late Oudheid volop veranderingen zijn opgetreden: wat bij de Germanen (ietwat misleidend) bekendstaat als de “Romeinse IJzertijd”, is feitelijk een proces, een ontwikkeling van een egalitaire naar een meer hiërarchische samenleving.
[Dit is het vierde van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]
In het vorige blogje had ik een begin gemaakt met een geschiedenis van de Germanen, een geschiedenis die grotendeels een geschiedenis is die door Romeinse auteurs wordt verteld. Maar die vertelden niet altijd de hele waarheid. Eén factor die ze niet lijken te hebben herkend, is dat de Elbe-Germanen de andere groepen wat opduwden richting Rijn.
Romeinse controle
Je kunt ook zonder legers een land beheersen, en dat was Romes nieuwe beleid voor de regio tussen Rijn en Donau. Het is grappig dat er enerzijds een culturele discussie was over “de Germanen”, die konden worden gepresenteerd als nobele wilden en als degenen tegen wie een Romeinse man kon bewijzen wie ’ie was, terwijl het concrete beleid was gericht op samenwerking met losse stammen of volken – dus niet “de Germanen”, maar de Chamaven, de Bructeren of zo. Rome wees leiders aan, stamkrijgers dienden in de Romeinse legers, en er was handel. Publius Cornelius Tacitus zegt ergens tussen neus en lippen door dat de Germanen het meeste hielden van “de oude munten” en dus voldoende wisten om te herkennen dat de Romeinen met het zilvergehalte sjoemelden. De Germaanse kooplieden wisten heel goed wat ze deden.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.