Hoezo monotheïsme? (2)

Munt van Bar Kochba (British Museum, Londen)

[Dit is het tweede stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Ik concludeerde vorige keer dat in het antieke jodendom – laten we zeggen tussen 165 v.Chr. en 70 n.Chr. – de norm op zichzelf duidelijk genoeg was: de sjema, “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen”. Er waren echter uitzonderingen. Een voorbeeld vinden we in 2 Makkabeeën, waarin we lezen dat soldaten van Judas de Makkabeeër na een gevecht de doden begroeven en ontdekten ze dat enkele gesneuvelden amuletten hadden gedragen van buitenlandse goden. De auteur van het tweede Makkabeeënboek is er zeker van dat deze overtreding van de norm de oorzaak was van hun dood en keurt dus af dat een jood zich plaatste onder de bescherming van andere goden. De gesneuvelden zelf, die toch hun leven voor de joodse zaak hadden geriskeerd, dachten daar evident anders over.

Ongeacht de norm lijken de joden in de praktijk verdeeld te zijn geweest over de vraag of het vereren van slechts één god kon samengaan met de erkenning dat andere goden iets goeds voor je konden doen. De Theodotos en Ptolemaios die ik gisteren noemde, lijken in elk geval geen tegenspraak te hebben ervaren tussen hun joodse identiteit en hun heidense praktijk.

De norm “De Heer is onze God” werd in de praktijk dus flexibel toegepast en dat gold ook voor “de Heer alleen”. Alle joden erkenden namelijk verschillende soorten bovennatuurlijke wezens. In het deel van de Bijbel dat destijds door iedereen als canoniek werd beschouwd, de Wet van Mozes, is sprake van andere hemelingen, zoals de in Genesis genoemde “zonen van de goden”. Zij vormen een erfenis uit de tijd van het polytheïsme, waarin de mensen geloofden dat er talloze bovennatuurlijke wezens waren en de oppergod voorzitter was van een vergadering van goden en godinnen. Latere generaties, die de monotheïstische norm onderschreven, voelden zich wat ongemakkelijk bij deze erfenis, waardoor in jongere teksten (die niet door alle joden werden erkend) de godenzonen werden gelijkgesteld aan de engelen. Ook in dat geval zijn er echter meer bovennatuurlijke wezens dan God alleen, zodat we niet mogen spreken van een zuiver monotheïsme.

Weer andere teksten introduceren cherubijnen en serafijnen, terwijl van een van de joodse stromingen uit die tijd, de essenen, bekend is dat haar leden elke ochtend een gebed richtten tot de zon. Zij waren dualisten, die meenden dat er naast God en de hemelse heerscharen ook duivels en demonen waren. Het aantal door een jood erkende bewoners van het bovenmaanse kon behoorlijk oplopen, vandaar dat ik (niet als eerste) de vraag opwerp of we wel te maken hebben met echt monotheïsme. Niet alleen erkenden veel joden het bestaan van andere goden, ze erkenden bovendien andere bovennatuurlijke krachten dan God. Die God manifesteerde Zich bovendien, zoals we morgen zullen zien, in een reeks uiteenlopende vormen.

[Wordt vervolgd]

5 gedachtes over “Hoezo monotheïsme? (2)

  1. Dank voor deze stukjes over het jodendom. Is overigens het bestaan van het tweede gebod op zich al niet voldoende bewijs dat niet iedereen zich er aan hield. Het verplichten tot iets heeft immers alleen zin als er mensen zijn die zich ergens (een norm) niet aan houden.

      1. Kees van Hage

        Er zijn inderdaad verschillende vertalingen mogelijk en de jouwe is grammaticaal juist en ook zinnig.

        Ik zocht even op het onvolprezen http://www.biblija.net (met een “j” erin) en vond daar in de Nieuwe BijbelVertaling “de Heer is de enige” (Deuteronomium 6:4 en Marcus 12:29), wat weer een andere nuance heeft.

        Anderen met bijbelinterpretaties lastigvallen is overigens niet mijn gewoonte!

  2. MNb

    “of we wel te maken hebben met echt monotheïsme”
    Zoals zo vaak worden zaken begrijpelijker als we onze menselijke neiging tot discreet denken (of-of, zwart-wit) overboard gooien en ons continu denken aanleren. Als iemand met uitgesproken meningen als ik dat kan kan vrijwel iedereen dat.
    In geval van een geleidelijke overgang van polytheïsme naar monotheïsme is de vraag naar “echt monotheïsme” irrelevant en zelfs een modern projectie op het denken van dik 2000 jaar geleden. Was het niet één van je belangrijkste lessen dat we dat moeten afleren als we iets van de Antieken willen begrijpen?

Reacties zijn gesloten.